Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200901348/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008, nr. 8, heeft de raad van de gemeente Sneek (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Theater Westersingel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901348/1/R3.

Datum uitspraak: 16 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Sneek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008, nr. 8, heeft de raad van de gemeente Sneek (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Theater Westersingel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 maart 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2009, waar [appellant sub 1], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door K. de Vries en W. Luiks, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de nieuwbouw van een middelgroot theater met 600 stoelen aan de Westersingel. Het plan voorziet eveneens in de mogelijkheid om op de hoek van de Westersingel en de Willemstraat kantoren of een restaurant/dagzaak te vestigen.

Het plan maakt onderdeel uit van de realisering van het Cultureel Kwartier, waarin eveneens een Centrum voor de Kunsten is voorzien.

Formele aspecten

2.2. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat de omwonenden ten onrechte niet zijn betrokken bij het besluitvormingsproces dat volgens hem is begonnen in 2002, overweegt de Afdeling dat hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat. De Afdeling wijst er in dit verband ten overvloede op dat blijkens het verweerschrift overleg heeft plaatsgevonden en plaatsvindt met drie buurtcomités en een overkoepelend wijkplatform, waarvan [appellant sub 2] ook deel uitmaakt. Voorts vindt overleg plaats met de buurten ten aanzien van verkeerskundige aspecten en logistieke aspecten en kan men zich abonneren op een periodieke, digitale nieuwsbrief.

2.3. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat daarbij de verschillende bezwaren per categorie zijn ingedeeld en beantwoord leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd.

Materiële aspecten

2.4. Het structuurplan Koers van Sneek is vastgesteld krachtens artikel 7 van de destijds van kracht zijnde Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 54 van deze wet staat tegen een structuurplan geen beroep open bij de Afdeling. De beroepsgronden van [appellant sub 2] die betrekking hebben op dit structuurplan kunnen derhalve niet aan de orde komen. Voorts voorziet het plan niet in het realiseren van het Centrum voor de Kunsten en een brug over de Stadsgracht, zodat de bezwaren van [appellant sub 2] hieromtrent evenmin in onderhavige procedure aan de orde kunnen komen.

Behoefte

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat de raad niet heeft aangetoond dat voldoende belangstelling bestaat voor een dergelijk theater. Volgens [appellant sub 2] verwijst de raad slechts naar zijn ambities en kennen vergelijkbare theaters in de omgeving een dalende belangstelling.

2.5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deskundig onderzoek is uitgevoerd naar de publieke belangstelling voor een dergelijk theater en dat uit dit onderzoek voortvloeit dat in de gemeente Sneek behoefte bestaat aan een dergelijk theater.

2.5.2. LAGroup, Leisure & Arts Consulting, heeft in het kader van de planvaststelling onder meer onderzoek gedaan naar de publieke behoefte die ten grondslag ligt aan de professionele podia van het Cultureel Kwartier Hierbij is mede gelet op de huidige cultuurparticipatie in Friesland en Nederland. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in de Notitie "Drie vragen rondom de legitimatie van het Cultureel Kwartier" van 21 december 2007 (hierna: de notitie van LAGroup).

In de notitie van LAGroup staat dat de publieke behoefte niet kan worden vastgesteld op basis van lokale ervaringscijfers, aangezien een professioneel theater in Sneek momenteel ontbreekt. Er is daarom een inschatting gemaakt op basis van ervaringscijfers in gemeenten met een theater die wat betreft inwoneraantal vergelijkbaar zijn. Een belangrijk uitgangspunt is volgens de notitie van LAGroup dat voor Sneek is uitgegaan van een theater met 600 stoelen en een programmering met jaarlijks 120 professionele voorstellingen met een reguliere genreverdeling. Uit de vergelijking van gemeenten met vergelijkbaar inwoneraantal en gemeenten met een vergelijkbaar theater kan worden geconcludeerd dat de publieke behoefte van het gewenste theater in Sneek kan worden geraamd op jaarlijks minimaal 35.000 tot maximaal 45.000 bezoekers, aldus de notitie van LAgroup.

2.5.3. Gelet op de notitie van LAGroup is, anders dan [appellant sub 2] betoogt, wel onderzoek gedaan naar de behoefte aan een theater in Sneek. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hier niet op heeft mogen baseren. Voor zover hij betoogt dat de raad ten onrechte uit de notitie van LAGroup concludeert dat het voorziene theater een bezoekersaantal van 56.000 zal genereren, overweegt de Afdeling dat de raad voor het theater uitgaat van een bezoekersaantal van 40.000. Het aantal van 56.000 ziet blijkens de notitie van LAGroup op de hoeveelheid publiek die het Cultureel Kwartier, waarvan het voorziene theater onderdeel uitmaakt, zal bezoeken. [appellant sub 2] heeft zijn betoog dat de belangstelling bij vergelijkbare theaters terugloopt, niet met feiten of omstandigheden gemotiveerd. Het betoog faalt.

Locatiekeuze

2.6. [appellant sub 2] kan voorts niet instemmen met de gekozen locatie aan de Westersingel. In dit verband wijst hij erop dat het terrein nauwelijks groot genoeg is, dat onvoldoende is onderbouwd waarom voor de locatie aan de Westersingel is gekozen en dat binnen de gemeente andere locaties beter geschikt zijn voor de vestiging van een theater.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat andere locaties wel zijn onderzocht, maar dat deze minder geschikt werden geacht dan de locatie aan de Westersingel.

2.6.2. In de raadsnotitie 4 "Cultureel Kwartier" van april 2008 (hierna: raadsnotitie 4) staat dat een aantal criteria een rol heeft gespeeld bij de locatiekeuze. Dit zijn beschikbare ruimte, bereikbaarheid vanuit Sneek en de regio (ook met openbaar vervoer en bevoorradend verkeer), parkeervoorzieningen, een passende plek in de stad gelet op het soort voorziening, maar ook in relatie tot het uitgaansgebied, verrijking van het stadsbeeld en mogelijke grondposities. Volgens raadsnotitie 4 bleek na een uitgebreide toetsing van de diverse mogelijke locaties dat de locatie aan de Westersingel als enige op nagenoeg alle punten positief scoort. Als belangrijke positieve punten van deze locatie zijn naar voren gekomen dat het een prominente plek betreft waar het theater een wezenlijke bijdrage aan het stadsbeeld kan leveren, de locatie fysiek en psychologisch dichtbij de stadskern met de daar aanwezige centrumfunctie is gelegen en slechts op enkele minuten loopafstand van verschillende parkeervoorzieningen en van een trein- en busstation.

Gelet hierop heeft de raad terecht gesteld dat verschillende locaties zijn onderzocht en dat de locatie Westersingel hierbij op alle punten positief scoort. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat andere locaties zodanig beter kwalificeren dat de raad niet in redelijkheid voor de locatie aan de Westersingel heeft kunnen kiezen. Nu niet in geding is dat het plan in een volwaardig theater voorziet, mist het betoog van [appellant sub 2] met betrekking tot de oppervlakte van de gronden feitelijke grondslag.

Bebouwing

2.7. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] kunnen voorts niet instemmen met het bouwvolume van het voorziene theater. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat een dergelijk groot gebouw niet past in een woonwijk en dat de omgeving en de gronden zelf zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht.

2.7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het theater zich als een specifiek onderscheidend bebouwingselement voegt in het bebouwingspatroon. Volgens de raad betreft het stedelijk gebied waarin een dergelijke ingreep niet ongebruikelijk is en is rekening gehouden met de aanwijzing als beschermd stadsgezicht.

2.7.2. Aan de gronden waarop het theater is voorzien is de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend. Aan het zuidwestelijk deel van het plangebied is de aanduiding "grens gebied beschermd stadsgezicht" toegekend en aan het westelijk deel de aanduiding "toneeltoren". De maximale bouwhoogte van het theater is aan de oostelijke zijde, grenzend aan de Westersingel, 10 meter, aan de noordelijke zijde langs de Willemstraat 11 meter en aan het zuidelijk deel, dat voor een klein deel is gelegen binnen de aanduiding "grens gebied beschermd stadsgezicht" 6 meter.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, b en c, van de planregels mogen bouwwerken ten dienste van de bestemming uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan op de kaart binnen een gedeelte van een bouwvlak is aangegeven en mag in afwijking hiervan binnen de aanduiding "toneeltoren" een toneeltoren worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 25 meter.

2.7.3. In de plantoelichting staat dat de hoofdmassa van het gebouw ongeveer 45 bij 25 meter zal bedragen en zal worden uitgevoerd in verschillende hoogten. Er zal worden aangesloten bij de bestaande bebouwing van het voormalige postkantoor, maar met name op het achterterrein zal de te realiseren toneeltoren een forse hoogtemaat krijgen. De bebouwing sluit volgens de plantoelichting langs de voorzijde aan bij de bestaande bebouwingshoogte van hoekpanden. Voorts sluit ook de diepte grotendeels aan bij de huidige situatie.

2.7.4. In de plantoelichting staat voorts dat het plangebied voor een klein deel is gelegen binnen de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Stationsgebied. Dit betreft 120 m², waarvan 80 m² als bouwvlak. De enkele omstandigheid dat het voorziene theater voor een gering deel is gelegen in en voor een eveneens gering deel grenst aan het beschermd stadsgezicht leidt niet tot het oordeel dat de raad het plan als zodanig niet heeft kunnen vaststellen. Nu blijkens de plantoelichting het theater op een afstand van ongeveer 45 meter van de Stationsstraat is gelegen, achter de percelen [locaties], en sprake is van een stedelijke omgeving heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het theater zich grotendeels onttrekt aan de uitstraling van het beschermd stadsgezicht. Nu voorts de bebouwingsmaten, met uitzondering van de toneeltoren, aansluiten bij de omliggende bebouwing, heeft de raad zich ook in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene bebouwing van het theater stedenbouwkundig verantwoord is en past binnen de stedelijke woonomgeving.

2.8. Voorts wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de voorziene toneeltoren te hoog, waardoor sprake zal zijn van schaduwwerking op hun woningen. [appellant sub 1] voert in dit verband aan dat de raad niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de schaduwhinder acceptabel is, dat de raad ten onrechte niet heeft aangetoond dat de zogenoemde TNO-normen niet worden overschreden en dat ten onrechte slechts is gekeken naar het winterseizoen.

[appellant sub 2] betoogt dat het bezonningsonderzoek ten onrechte te laat is aangeboden en dat het ten onrechte niet langs elektronische weg beschikbaar is gesteld.

2.8.1. Met betrekking tot de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gevreesde schaduwhinder stelt de raad dat zowel bij de zware als bij de lichte TNO-normen de lichttoetreding binnen de gehanteerde normering blijft. Nu ook de toneeltoren zoveel mogelijk op het achterterrein is geplaatst, vindt de raad de schaduwhinder ten gevolge van de toneeltoren acceptabel.

2.8.2. De raad heeft in het kader van het voorontwerpplan en het ontwerpplan onderzoek gedaan naar de bezonningssituatie na het realiseren van het plan, zoals dat toen was voorzien. Niet in geschil is dat in deze onderzoeken in de vorm van bezonningsschetsen inzage is gegeven. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is de voorziene toneeltoren, om de effecten daarvan zoveel mogelijk te beperken, meer naar achteren op de plankaart ingetekend. Nu dit leidt tot een verandering in de bezonningssituatie is in opdracht van de raad door VIA Drupsteen in aansluiting op de eerder uitgevoerde onderzoeken onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan op de bezonning. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Zonnestudie theater Westersingel" van december 2008 (hierna: het bezonningsonderzoek).

Nu het plan naar aanleiding van de zienswijzen gewijzigd is vastgesteld, bestaat, anders dan [appellant sub 2] betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat het bezonningsonderzoek te laat is opgesteld. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] omtrent het ten onrechte niet digitaal beschikbaar stellen van het bezonningsonderzoek, overweegt de Afdeling dat, wat daar verder ook van zij, dit een vermeende onregelmatigheid betreft van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten.

2.8.3. In de bezonningsstudie zijn berekeningen gemaakt voor de schaduwwerking in zowel de bestaande situatie als de nieuwe situatie, die zien op de data 21 maart en 21 september op de tijdstippen 10.00 uur, 16.00 uur en 18.00 uur, 21 juni op de tijdstippen 10.00 uur, 16.00 uur en 19.00 uur en 21 december op de tijdstippen 12.00 uur, 14.00 uur en 16.00 uur. Gelet hierop is, anders dan [appellant sub 1] betoogt, ook de schaduwwerking op andere data dan 21 december onderzocht.

Volgens de bezonningsstudie is in de nieuwe situatie op de data 21 maart en 21 september om 18.00 uur en 21 december om 16.00 uur sprake van een beperkte schaduwwerking op de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Op de overige gemeten data en tijdstippen heeft de voorziene toneeltoren geen gevolgen voor de schaduwwerking op de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Gelet hierop kan niet worden ontkend dat de voorziene toneeltoren enige schaduwwerking zal hebben op de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], maar heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toneeltoren slechts in beperkte mate tot een verslechtering van de bezonningssituatie leidt. Hierbij acht de Afdeling voorts van belang dat blijkens het verweerschrift aan de door [appellant sub 1] voorgestane TNO-normen wordt voldaan.

Bomen

2.9. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat door het realiseren van het plan ten onrechte bomen moeten worden gekapt, overweegt de Afdeling dat ter zitting door de raad onweersproken is gesteld dat de bomen langs de Westersingel en de bomen ten oosten van het voorziene theater behouden blijven. Voorts zullen enige bomen worden gekapt voor het realiseren van het plan, maar nu aan deze bomen, zoals ook [appellant sub 1] erkent, een monumentale status noch enig andere bijzondere waarden toekomen, heeft de raad in dit geval een groter belang kunnen toekennen aan het realiseren van het theater dan aan het behoud van de ter plaatse bestaande bomen.

Horeca en terras

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in een begripsbepaling van horeca. Hij vreest voor overlast ten gevolge van de in het plan voorziene horeca. In dit verband wijst hij erop dat het houden van congressen eveneens mogelijk is in het voorziene theater en dat congressen ook meerdaags kunnen zijn.

2.10.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het plan volgt dat de activiteiten in het theater in hoofdzaak gericht dienen te zijn op culturele doeleinden en dat horeca slechts is toegestaan ten dienste van het theater.

2.10.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Gemengde doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor theater, tevens voor congressen en evenementen, en horeca ten dienste van het theater, uitsluitend inpandig.

Ingevolge artikel 1, lid 23, van de planregels wordt onder theater verstaan het verrichten van activiteiten in hoofdzaak gericht op culturele doeleinden waaronder wordt verstaan: podiumkunsten, evenementen en/of congressen.

Gelet op voornoemde planregels overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de horecafunctie ondergeschikt dient te zijn aan de theaterfunctie en dat de activiteiten in het theater hoofdzakelijk gericht zullen zijn op culturele doeleinden en niet op commerciële verhuur. Gelet hierop is de vrees van [appellant sub 2] voor overlast door de voorziene horecafunctie ongegrond.

2.11. [appellant sub 2] betoogt verder dat het in het plan voorziene terras overlast voor omwonenden met zich zal brengen.

2.11.1. Aan het plandeel met de bestemming "Verblijfsdoeleinden" ter plaatse van de Westersingel aan de noordoosthoek van het voorziene theater is de aanduiding "terras toegestaan" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Verblijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor een terras, uitsluitend ter hoogte van de aanduiding "terras toegestaan".

2.11.2. In de plantoelichting staat dat problemen rond een terras zich met name voordoen in de avond- en nachtperiode. Nu de bij het terras behorende horecavoorziening blijkens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1 van de planregels een restaurant of dagzaak zal betreffen, zal in de nachtperiode in het geheel geen gebruik van het terras worden gemaakt en in de avondperiode een gebruik beperkt tot restaurant. Gelet hierop heeft de raad in de enkele stelling van [appellant sub 2] dat het terras overlast voor de omwonenden met zich zal brengen, geen aanleiding behoeven te zien om de terrasmogelijkheid niet in het plan op te nemen.

Verkeer

2.12. [appellant sub 2] betoogt dat de verkeersaantrekkende werking van het Cultureel Kwartier haaks staat op de doelstelling van de gemeente om de woonfunctie in het centrum te versterken. Voorts is volgens hem in het verkeersonderzoek slechts gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van het theater en is de komst van het Centrum voor de Kunsten daarbij ten onrechte niet in beschouwing genomen en is ten onrechte de piekbelasting niet onderzocht. Voorts voert hij aan dat de weg niet berekend is op de aan- en afvoer van groot materieel en dat de weg te smal is voor het doorlaten van hulpdiensten.

2.12.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkeersaantrekkende werking van het plan bij de afweging van de belangen is betrokken en dat de Westersingel zowel qua profiel als draagkracht in voldoende mate geschikt is om de verkeersbewegingen te verwerken. Met betrekking tot de bereikbaarheid voor hulpdiensten stelt de raad dat het theater via twee kanten te bereiken is en dat de brandweer met het huidig gebruik van het gebouw als tussentheater heeft kunnen instemmen. Voorts is volgens de raad het voorziene Centrum voor de Kunsten wel betrokken in het verkeersonderzoek en worden maatregelen getroffen waardoor parkeren aan de rand van de binnenstad zal gebeuren.

2.12.2. Door Oranjewoud, Ruimte & Mobiliteit, is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de parkeer- en verkeerseffecten ten gevolge van de ontwikkeling van het Cultureel Kwartier. Blijkens het hieruit voortgevloeide rapport "Parkeer- en verkeerseffecten Cultureel Kwartier te Sneek" van 20 november 2008 is in dit onderzoek de parkeerbehoefte en de omvang van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe gebruiksfuncties in het onderzoeksgebied berekend. Deze nieuwe gebruiksfuncties betreffen onder meer het theater aan de Westersingel en het Centrum voor de Kunsten. Gelet hierop is derhalve de verkeersaantrekkende werking van het Centrum voor de Kunsten wel onderzocht. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Het betoog van [appellant sub 2] mist eveneens feitelijke grondslag voor zover hij betoogt dat ten onrechte de piekbelasting niet is onderzocht. In dit verband wijst de Afdeling op het hiervoor genoemde rapport van Oranjewoud, Ruimte & Mobiliteit, waarin staat dat is gekozen om de donderdagavond en de zaterdagavond als maatgevende momenten in het onderzoek te betrekken. Op deze tijdstippen genereren de nieuwe gebruiksfuncties extra verkeer, terwijl het verdwijnen van de oude functies slechts een beperkte reductie oplevert. Voorts is op de donderdag- en zaterdagavond veel extra verkeer aanwezig als gevolg van respectievelijk de koopavond en het uitgaanspubliek. Gelet hierop zijn in het verkeersrapport berekeningen uitgevoerd tijdens de piekmomenten.

Voorts staat in het verkeersrapport dat onder meer het theater enkele nieuwe vrachtautobewegingen per dag zal genereren, maar dat deze toename minder groot is dan de afname van de vrachtbewegingen ten behoeve van het voormalige postkantoor. Dit leidt er volgens het verkeersrapport toe dat in de toekomst minder vrachtwagens naar dit deel van het centrum rijden. Gelet hierop bestaan volgens het verkeersrapport derhalve geen beperkingen voor het vrachtverkeer. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is.

Evenmin heeft [appellant sub 2] aannemelijk gemaakt dat het door de raad met betrekking tot de bereikbaarheid van de hulpdiensten uiteengezette standpunt niet juist is.

Met betrekking tot het gemeentelijk parkeerbeleid wijst de Afdeling op het beleid zoals opgenomen in 'Koers voor Sneek, ontwikkelingsvisie 2002'. Hierin staat dat het streefdoel is om doorgaande routes door de stadskern zoveel mogelijk te laten verdwijnen en alle relaties via de rondwegen te laten verlopen. Bezoekers van het centrum rijden langs één van de invalswegen naar een parkeerterrein net buiten de stadskern, op loopafstand van de stadskern. Verwacht wordt volgens het verkeersonderzoek dat dit ook zal gebeuren voor de bezoekers van het theater. Alhoewel het mogelijk blijft om in de stadskern te parkeren, wordt dit op verschillende wijzen ontmoedigd, aldus het verkeersonderzoek. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de verkeersaantrekkende werking van het theater niet zal leiden tot strijdigheid met het gemeentelijk beleid om autoverkeer zo veel mogelijk uit het centrum te weren.

Uitvoerbaarheid

2.13. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, omdat geen duidelijkheid bestaat over de totale kosten en de wijze van financiering.

2.13.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan financieel uitvoerbaar is. Het budget voor de realisatie van het Cultureel Kwartier bedraagt 27 miljoen euro, waarvan 24,5 miljoen euro is zeker gesteld. Het resterende bedrag van 2,5 miljoen euro zal bijeen worden gebracht door een fundraisingcommissie.

Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij per jaar 1 miljoen euro zal bijdragen in de exploitatielasten. Dit bedrag is in de gemeentebegroting verwerkt.

2.13.2. In de raadsnotitie 4 staat dat voor het theater wordt uitgegaan van een investering van ongeveer 13.598.230 euro. Gelet hierop is voldoende duidelijk wat de kosten zijn voor de realisering van het theater. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zowel wat betreft de bouw van het theater als de exploitatie daarvan niet financieel uitvoerbaar is. Hierbij acht de Afdeling van belang dat uit het raadsbesluit van 30 juni 2009 blijkt dat de raad een krediet van ruim 10 miljoen euro voor de bouw van het theater zal verstrekken, dat reeds financiële reserveringen zijn gemaakt voor het realiseren van het theater en dat zowel de provincie als een omliggende gemeente een financiële bijdrage voor het theater zullen verstrekken. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat het voorziene bedrag in het kader van de fundraising nagenoeg is behaald. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad een structurele bijdrage zal leveren in de exploitatie van het theater en dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bijdrage niet hoog genoeg is.

2.13.3. Voorts vreest [appellant sub 2] voor schade aan gebouwen door heiwerkzaamheden, omdat de bodem uit een zachte ondergrond bestaat. De Afdeling overweegt dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.13.4. In hetgeen [appellant sub 2] overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op enig punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.

Conclusie

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1]en en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009

533.