Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
16-09-2009
Zaaknummer
200809264/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand ter zake van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809264/1/H2.

Datum uitspraak: 16 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2008 in zaak nr. 07/9598 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een toevoeging voor rechtsbijstand ter zake van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2008, verzonden op 12 november 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 januari 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2009.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de afhandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

2.2. Niet in geschil is dat [appellant] een toevoeging voor rechtsbijstand ter zake van een ontslag op staande voet is verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag om afgifte van een toevoeging ter zake van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst enerzijds en de verleende toevoeging ter zake van een ontslag op staande voet anderzijds hetzelfde rechtsbelang tot voorwerp hebben. [appellant] heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2008 in zaak nrs. 200804210/1 en 200804210/4.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 1999 in zaken nrs. H01.99.0159 tot en met H01.99.0163 (AB 2000, 2) volgt uit de artikelen 28, eerste lid, aanhef en onder b, en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat, indien sprake is van verschillende rechtsbelangen ter zake waarvan rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meerdere toevoegingen moeten worden verstrekt, terwijl als er sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging kan worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel in geval van één procedure sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het verzoek om een toevoeging hetzelfde rechtsbelang tot voorwerp heeft als waarvoor [appellant] eerder een toevoeging is verleend. In beide gevallen gaat het om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en betreft het rechtsbelang het behoud van de dienstbetrekking van [appellant]. Hoewel de behartiging van de belangen in beide zaken de advocaat wellicht nopen tot het verrichten van te onderscheiden werkzaamheden is niettemin sprake van zodanige verwevenheid dat zij hetzelfde rechtsbelang betreffen. De uitspraak van 10 oktober 2008, waar [appellant] een beroep op doet, doet hier niet aan af. In die zaak was geen sprake van een nauwe verwevenheid maar ging het om twee verschillende procedures van verschillende aard, te weten het behoud van de arbeidsovereenkomst en het doorbetalen van loon na ziekmelding. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.4. Nu er sprake is van één rechtsbelang, kan met één toevoeging worden volstaan. Dit is anders wanneer sprake is van verschillende procedures dan wel in geval van één procedure sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uitsluitend ter zake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een procedure is gevoerd.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar had [appellant] een loonvorderingsprocedure aanhangig gemaakt ter zake van het ontslag op staande voet. De raad is er bij het nemen van dit besluit evenwel van uitgegaan dat de daarvoor verstrekte toevoeging ten tijde van de aanvraag om toevoeging in de ontbindingsprocedure, die in deze zaak in geschil is, nog niet was aangewend voor een procedure en zich op het standpunt gesteld dat [appellant] alsnog een aanvraag om een toevoeging kan indienen, ten behoeve van een tweede procedure zodra die zal worden gevoerd. Daarmee miskent de raad dat ten tijde van het besluit van 28 november 2007 reeds sprake was van twee procedures en mist het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit miskend. Dit gebrek wordt niet weggenomen met het betoog van de raad in het verweerschrift in hoger beroep, dat erop neer komt dat de toevoeging wordt verleend per datum van de aanvraag en dat daarom op dat moment twee procedures aanhangig moesten zijn, aangezien de raad voor dit standpunt geen onderbouwing heeft gegeven. Dat artikel 13 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, zoals de raad in het verweerschrift heeft aangevoerd, ertoe zou nopen dat de onderhavige aanvraag slechts kan worden ingewilligd, indien ten tijde van die aanvraag al een tweede procedure aanhangig was, en dat het aanvangen van de tweede procedure na de aanvraag in de heroverweging in bezwaar geen rol kan spelen, valt in de tekst ervan niet te lezen.

2.5. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 november 2007 van de raad voor rechtsbijstand alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.6. De raad voor rechtsbijstand dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2008 in zaak nr. 07/9598;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage van 28 november 2007, kenmerk 71681;

V. veroordeelt de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 146,00 (zegge: honderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009

47-616.