Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-09-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
200903146/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht / concreet aanknopingspunt voor twijfel aan juistheid conclusie / minister mocht betekenis hechten aan overige conclusies

Uit deze passage in het Memorandum volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de ondervraagde leden van de Ar-Namys partij niet van alle feiten en omstandigheden op de hoogte waren. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de vreemdeling, gelet op de door hem overgelegde krantenartikelen en het Memorandum, een concreet aanknopingspunt heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid dan wel volledigheid van het ambtsbericht, voor zover dat betrekking heeft op de door leden van de Ar Namys partij verstrekte informatie. Dit brengt echter niet met zich dat de minister aan de overige conclusies in het ambtsbericht geen betekenis mocht hechten. De rechtbank had moeten beoordelen of de vreemdeling concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van die conclusies en of de minister zich onder verwijzing naar het ambtsbericht in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en het derhalve ongeloofwaardig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903146/1/V2.

Datum uitspraak: 7 september 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 31 maart 2009 in zaak nr. 05/21186 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 maart 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de informatie in het individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 november 2004 (hierna: het ambtsbericht), zodat hij dit ambtsbericht niet dan na nader onderzoek en bevestiging van de informatie aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank ten onrechte ruimte gezien tussen het in het ambtsbericht op vraag 9 gegeven antwoord en het Memorandum van 11 oktober 2004 dat mede aan het ambtsbericht ten grondslag heeft gelegen. Het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken geeft blijk van een goed begrip van de vraag, is in overeenstemming met de inhoud van en reikt niet verder dan dit Memorandum, aldus de staatssecretaris.

2.2. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, nu het asielrelaas van de vreemdeling op verschillende essentiële punten afwijkt van de bevindingen van de minister van Buitenlandse Zaken, had moeten treden in de vraag of hij zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 oktober 2001 in zaak nr. 200103977/1; AB 2001, 359), kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding voor zover mogelijk en verantwoord van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Ten aanzien van individuele ambtsberichten heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 16 januari 2004 in zaak nr. 200305368/1; JV 2004/83) dat, indien een individueel ambtsbericht het asielrelaas waarop het betrekking heeft, op essentiële punten weerspreekt, het aan de vreemdeling is om het ambtsbericht te weerleggen.

2.3.1. Ter toelichting op zijn stelling dat het ambtsbericht niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onjuist dan wel onvolledig is, heeft de vreemdeling verwezen naar door hem overgelegde krantenartikelen, waarin is beschreven dat de kluis van de Ar Namys partij, die zich in het huis van de vreemdeling bevond, op 23 september 2001 in beslag is genomen door het Kirgizische Ministerie van Binnenlandse Zaken en dat de vreemdeling samen met een aantal familieleden op 8 oktober 2002 in hongerstaking is gegaan om de vrijlating van de politiek leider Felix Kulov te bewerkstelligen.

2.3.2. In het ambtsbericht is, als antwoord op vraag 9, vermeld dat de ondervraagde leden van de Ar-Namys partij niet bekend waren met de arrestatie van de vreemdeling op 24 september 2001 (lees: 23 september 2001), noch met een hongerstaking van hem, zijn oom en vader op 8 oktober 2002, of welke datum dan ook.

In de overige conclusies in het ambtsbericht is, voor zover thans van belang, vermeld dat uit de door de vreemdeling overgelegde oproep van 16 november 2002, een authentiek document, blijkt dat de vreemdeling is opgeroepen om een getuigenis op te stellen over een aanval waarvan hij het slachtoffer was. Deze getuigenis was, aldus het ambtsbericht, nodig om strafrechtelijke vervolging in te stellen. De door de vreemdeling overgelegde dagvaarding van de rechtbank van 11 december 2002 is vals bevonden. Tevens vermeldt het ambtsbericht dat de vreemdeling niet wordt gezocht door de Kirgizische autoriteiten.

2.3.3. In het Memorandum is, voor zover van belang, vermeld:

"Some information in the report contradicts the newspaper articles enclosed with the case (for example, an article in the case says that the asylum seeker did have a party vault, which was taken by the police and the report says the opposite) which might however, be a result of questioning people in the party who are not quite aware of all the circumstances".

2.3.4. Uit deze passage in het Memorandum volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de ondervraagde leden van de Ar-Namys partij niet van alle feiten en omstandigheden op de hoogte waren. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de vreemdeling, gelet op de door hem overgelegde krantenartikelen en het Memorandum, een concreet aanknopingspunt heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid dan wel volledigheid van het ambtsbericht, voor zover dat betrekking heeft op de door leden van de Ar Namys partij verstrekte informatie. Dit brengt echter niet met zich dat de minister aan de overige conclusies in het ambtsbericht geen betekenis mocht hechten. De rechtbank had moeten beoordelen of de vreemdeling concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van die conclusies en of de minister zich onder verwijzing naar het ambtsbericht in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van de vreemdeling geen positieve overtuigingskracht uitgaat en het derhalve ongeloofwaardig is.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 18 april 2005 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangedragen beroepsgronden, voor zover daarop nog moet worden beslist.

2.5. Aan de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen niet in hoger beroep is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop de grond betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans buiten het geding.

2.6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij persisteert bij hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht over de oproep van 16 november 2002.

Hiermee heeft hij niet gemotiveerd het standpunt van de minister in het besluit van 18 april 2005 betwist dat hij door middel van de zienswijze nog steeds niet geloofwaardig heeft gemaakt dat hij dreigde te worden gearresteerd als hij gehoor zou geven aan de oproep. Uit het onderzoek van de minister van Buitenlandse Zaken is gebleken dat de vreemdeling was opgeroepen om een getuigenis op te stellen.

2.7. De vreemdeling heeft in beroep voorts betoogd dat hij een originele dagvaarding heeft overgelegd en daarmee heeft aangetoond dat hij door het Ministerie van Binnenlandse Zaken zou worden gearresteerd.

In het besluit heeft de minister zich onder verwijzing naar het voornemen van 4 januari 2005 tot afwijzing van de aanvraag, op het standpunt gesteld dat de verklaring van de vreemdeling dat jegens hem een arrestatiebevel is uitgevaardigd niet geloofwaardig is. De door de vreemdeling overgelegde dagvaarding is blijkens het onderzoek van de minister van Buitenlandse Zaken vals en zijn stelling dat hij zal worden gearresteerd heeft hij verder niet gestaafd of nader geconcretiseerd. De enkele stelling dat hij een originele dagvaarding heeft overgelegd en daarmee heeft aangetoond dat hij zal worden gearresteerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.8. De in beroep bij brieven van 13 januari 2006 en 14 februari 2006 overgelegde krantenartikelen gaan niet over de vreemdeling, maar over gebeurtenissen in Kirgizië in oktober en november 2005. Hiermee heeft de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht aangevoerd.

De in beroep bij brief van 19 mei 2006 in kopie overgelegde verklaring van de Ar-Namys partij, waarvan bij brief van 2 juni 2006 een vertaling is overgelegd, kan evenmin als zodanig worden aangemerkt. Daargelaten dat sprake is van een kopie, is niet gebleken dat de vreemdeling deze verklaring, die kennelijk op zijn verzoek is opgesteld, niet in de besluitvormingsfase had kunnen overleggen.

De bij brief van 18 april 2008 overgelegde stukken kunnen evenmin als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht worden aangemerkt, reeds omdat die stukken niet zien op de vreemdeling, maar op een overtreding van de Kirgizische belastingwetgeving door zijn zuster.

2.9. Aangezien de vreemdeling, behoudens het in 2.3.4. vermelde, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de overige conclusies in het ambtsbericht heeft aangevoerd, heeft de minister bij de besluitvorming van de juistheid van het ambtsbericht mogen uitgaan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister het asielrelaas van de vreemdeling, onder verwijzing naar het ambtsbericht, niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

2.10. Het inleidend beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 31 maart 2009 in zaak nr. 05/21186;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Pieters

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2009

473.

Verzonden: 7 september 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak