Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7208

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200804242/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Horst aan de Maas (hierna: de raad) bij besluit van 4 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Californië" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804242/1/R2.

Datum uitspraak: 9 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europe Invest B.V., gevestigd te Horst, gemeente Horst aan de Maas

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Horst aan de Maas (hierna: de raad) bij besluit van 4 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Projectvestiging glastuinbouw Californië" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europe Invest B.V. (hierna te noemen: Europe Invest B.V.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2008, en [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2008, beroep ingesteld. Bij brief van 25 maart 2009 heeft [appellant sub 2] de gronden nader aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2009, waar [appellant sub 2], in persoon, Europe Invest B.V., vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en J. Dielessen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.T.J. van Zandvoort, werkzaam bij adviesbureau CSO, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Breda, en K.J.L. Thissen en L.I.E.P. Savelkoul, ambtenaren dienst van de gemeente, alsmede Californië B.V., projectontwikkelaar van de glastuinbouwlocatie Californië,vertegenwoordigd door [directeur], en mr. M.R.J. Baneke.

2. Overwegingen

Beroep [appellanten sub 1]

2.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellanten sub 1] hun woning op het perceel aan de [locatie] te [plaats], op 16 maart 2009 in eigendom hebben overgedragen en dat zij het gedeelte van de woonkavel dat niet in de koop was besloten hebben verkocht aan Californië B.V.. Verder is gebleken dat [appellanten sub 1] inmiddels verhuisd zijn en niet meer woonachtig zijn in de directe omgeving van het plangebied. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat zij nog belang hebben bij een uitspraak van de Afdeling. Gelet hierop is aan hun beroep het procesbelang komen te ontvallen.

2.2. De conclusie is dat het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk is.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Beroep [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2], die ter plaatse een boomteeltbedrijf exploiteert, betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat het realiseren van een glastuinbouwproject met een bruto oppervlakte van ongeveer 280 hectare op de locatie Californië in de gemeente Horst aan de Maas mogelijk maakt op grond van de navolgende te bespreken gronden.

Milieueffectrapportage

2.5. [appellant sub 2] betoogt dat de milieu-effectrapportage-glastuinbouw noord- en midden Limburg, die in 2000 in opdracht van de provincie door bureau Oranjewoud is opgesteld in het kader van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 (hierna: het MER-POL) om te komen tot een locatieaanduiding voor projectmatige vestiging van glastuinbouw, niet als uitgangspunt heeft kunnen dienen ten behoeve van het onderhavige plan omdat het hierin neergelegde locatieonderzoek onvolledig en onjuist is geweest. [appellant sub 2] heeft in dit verband aangevoerd dat het huidige plangebied Californië destijds in het MER-POL niet als locatie kon worden aangewezen vanwege de aanwezige zeer hoge natuurwaarden. Gelet hierop is de helft van het gebied met de grootste natuurwaarden geschrapt, door te stellen dat dit gebied reeds als glastuinbouwlocatie was ontwikkeld. In werkelijkheid was, aldus [appellant sub 2], op dat moment slechts 4 hectare autonoom ontwikkelde glastuinbouw in het gebied aanwezig. Toen ook hierna het gebied niet als locatie aangewezen kon worden vanwege nog steeds te hoge natuurwaarden, is een koppeling met het gebied Siberië te Maasbree gemaakt, welk gebied, aldus [appellant sub 2], als locatie met de laagste natuurwaarden uit de bus kwam. Door de hoogste natuurwaarden van Californië met de laagste natuurwaarden van Siberië te Maasbree te middelen kon van de 16 locaties deze combinatie nipt als locatie worden aangewezen, terwijl andere locaties meer voor de hand lagen. Beide locaties liggen, aldus [appellant sub 2], 7 km uit elkaar en hebben geen enkele binding met elkaar. Voorts heeft [appellant sub 2] gesteld dat de bewering in het MER-POL dat 170 hectare reeds ontwikkeld was als glastuinbouw, te zien is als valsheid in geschrifte.

2.6. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat in de voor het project opgestelde milieueffectrapportage, gedateerd 22 juni 2005, terecht voor de locatiekeuze aansluiting is gezocht bij het MER-POL. In dit MER zijn 16 potentiële projectvestigingslocaties onderzocht, waaronder de locatie Californië. Bij een integrale beoordeling van de gecumuleerde effecten van combinaties van telkens twee locaties kwam de locatiecombinatie Californië en Siberië in lichte mate als meest gunstig voor het milieu naar voren. Het MER-POL is voor de locatiekeuze getoetst door de commissie-m.e.r. die oordeelde dat het MER-POL de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over de nieuwe locaties voor glastuinbouw. Verder wijst de raad erop dat de Afdeling bij uitspraak van 15 februari 2003 de in het POL 2001 opgenomen concrete beleidsbeslissing (hierna: cbb) heeft vernietigd, maar dat gelet op de gronden die tot die vernietiging hebben geleid deze vernietiging niet betekent dat het uitgevoerde locatieonderzoek niet toereikend is geweest.

Het college heeft er bovendien op gewezen dat gelijke beroepsgronden, als thans naar voren zijn gebracht door [appellant sub 2], aan de orde komen zijn in de uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 februari 2008, waarin het beroep van [appellant sub 2], gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college van burgemeester en wethouders) van 10 januari 2007, waarbij ten behoeve van de ontwikkeling van Californië een vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO is verleend, ongegrond is verklaard.

2.7. Het college heeft in het verweerschrift nog betoogd dat het POL-MER wel volledig is en juiste conclusies trekt. In dit MER zijn, aldus het college, die gebieden meegenomen waar vestiging van glastuinbouw op basis van de bestaande planologische regeling destijds niet mogelijk was. In een gedeelte van het gebied Californië was via een wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Grubbenvorst realisatie van glastuinbouw ook toen al mogelijk. Dit deel van het gebied is voor de effectenbeoordeling niet meegenomen in de locatie-m.e.r.

2.8. Bij Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG L 197) (milieu-effectenrapportage plannen) (Stb. 2006,336) is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer gewijzigd. Deze wijziging is in werking getreden op 28 september 2006. Voor bestemmingsplannen die zijn aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals het plan, is in de Wet van 5 juli geen overgangsrecht opgenomen. Hieruit volgt, zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van 28 mei 2008, in de zaaknr. 200608226/1, dat ten aanzien van dergelijke plannen, indien het besluit omtrent goedkeuring is genomen na 28 september 2006, toepassing moet worden gegeven aan hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer zoals dat luidt met ingang van 28 september 2006.

2.9. Ingevolge artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, vierde lid, van het Besluit milieueffectenrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moet een m.e.r. voor besluiten worden uitgevoerd voor de categorieën van besluiten die zijn omschreven in kolom 4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit.

2.10. Ingevolge onderdeel C, categorie 11.3 van de bijlage bij het Besluit moet een m.e.r. worden uitgevoerd voor de aanleg van een glastuinbouwgebied, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een glastuinbouwgebied met een oppervlakte van 100 hectare of meer. In kolom 4 is als aangewezen besluit genoemd de vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WRO dan wel bij het ontbreken daarvan het plan, bedoeld in artikel 10 van de WRO dat de plaats bepaalt.

2.11. Ingevolge onderdeel A, eerste lid, van de bijlage behorende bij het Besluit, voor zover thans van belang, wordt onder plan, voor zover dit wordt genoemd in kolom 4 van onderdeel C alsmede verstaan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste, tweede of derde lid, van de WRO.

2.12. Bij het onder 2.6. vermelde besluit van 10 januari 2007 is ten behoeve van de ontwikkeling van Californië een vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO verleend, die voorziet in het realiseren van een gedeelte van voormelde m.e.r.-plichtige activiteit. Gelet op Onderdeel A, eerste lid, van de bijlage behorende bij het Besluit en op hetgeen de Afdeling in de uitspraken van de Afdeling van 28 mei 2008, no. 200608226/1 en van 30 juli 2008, no. 200706132/1, heeft overwogen, dient in dit geval niet het op 4 september 2007 vastgestelde plan, maar de in rechte onaantastbare vrijstelling van 10 januari 2007 te worden aangemerkt als het eerste besluit waaraan de in het kader van de ontwikkeling van het project Californie op te stellen MER is gekoppeld.

2.13. Nu het aan de orde zijnde plan in dit geval niet kan worden aangemerkt als het eerste besluit, dat voorziet in (een deel van) de m.e.r.-plichtige activiteit kan het MER-POL als zodanig en hetgeen hieromtrent in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is bepaald niet aan de orde komen in de onderhavige procedure en treft deze beroepsgrond in zoverre geen doel.

Vleermuizenonderzoek

2.14. [appellant sub 2] betoogt dat het college heeft miskend dat het met het plan mogelijk gemaakte glastuinbouwproject in strijd is met de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw). Hij voert daartoe aan dat het college heeft miskend dat de onderzoeken die zijn verricht door Natuurbalans-Limes B.V. (hierna: Natuurbalans) welke de raad aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, ondeugdelijk zijn. Voorts stelt hij dat het college heeft miskend dat het vleermuizenonderzoek ondeugdelijk is. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant sub 2] naar de door hem eerder overgelegde contra-expertises en naar de verschillende resultaten in de twee recente vleermuizenonderzoeken die hebben plaatsgevonden in het Tradeport-gebied, welke zijn uitgevoerd door twee verschillende bureau's. Tevens heeft [appellant sub 2] - ter onderbouwing van zijn standpunt - nog twee kaartjes overgelegd uit het vleermuizenonderzoek van bureau Taken Landschapsarchitectuur en Ecologie (hierna: bureau Taken) ten behoeve van de Greenportlane, een nieuwe ontsluitingsweg voor het Greenport Venlo gebied. Uit het bijgevoegde kaartje 1 blijkt in de visie van [appellant sub 2] dat de Watervleermuis in het natuurgebied de Brommèr voorkomt. [appellant sub 2] heeft op het door hem bijgevoegde kaartje 2 een gebied omcirkeld en gearceerd dat deel uitmaakt van het plangebied waarop een vliegroute van vleermuizen langs de Sint Jorisweg is aangegeven, die ten onrechte niet is meegenomen in het natuuronderzoek. Ten slotte heeft [appellant sub 2] nog gewezen op de onrechtmatige kap van bomen die werden gebruikt ten behoeve van de vliegroutes.

2.15. Het college heeft zich aangesloten bij het standpunt van de raad, inhoudende dat het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in het kader van de Ffw niet ondeugdelijk is en dat daaruit is gebleken dat er voor vleermuizen geen ontheffing nodig is op grond van de Ffw, omdat er in zoverre geen sprake is van strijd met de verbodsbepalingen uit de Ffw.

2.16. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.17. De raad heeft in december 2005 (voor)onderzoek laten verrichten naar eventueel in het plangebied aanwezige flora en fauna, waaronder vleermuizen. De resultaten van dit onderzoek, dat is verricht door Natuurbalans, zijn neergelegd in het rapport "Vooronderzoek vleermuizen in glastuinbouwgebied Californië" van december 2005. In 2006 is vervolgens nader onderzoek verricht door Natuurbalans naar de eventuele aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. De conclusies van dit onderzoek zijn verwoord in het rapport "Vleermuizenonderzoek in glastuinbouwgebied Californie" uit 2006. In beide rapporten is geconcludeerd dat het plangebied niet van bijzondere betekenis voor vleermuizen is en dat er met betrekking tot deze diersoort geen ontheffing op grond van de Ffw nodig is. Wel is in de rapporten aangegeven dat er in het plangebied één vliegroute van gewone dwergvleermuizen aanwezig is, maar verstoring door licht speelt volgens het onderzoeksrapport geen rol van betekenis omdat de route langs een bestaand kassencomplex loopt. Er is wel geadviseerd om de bomen waarlangs de vliegroute loopt te behouden.

[appellant sub 2] heeft als contra-expertises een rapport van Expertise Bureau Nagel van 25 oktober 2006 en een brief van Faunaconsult van 23 januari 2007 overgelegd. In deze rapporten zijn kanttekeningen geplaatst bij de kwaliteit van het door Natuurbalans verrichte onderzoek. In het rapport van Nagel wordt gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat veel meer bomen in het plangebied staan dan waarvan in het onderzoek van Natuurbalans is uitgegaan. In de brief van Faunaconsult wordt gesteld dat tijdens inspectie is gebleken dat een aantal bomen langs de Gekkengraaf ten noorden van de Venrayseweg holtes bevat die groot genoeg zijn om een vleermuizenkolonie te kunnen bevatten. Volgens Faunaconsult is er een redelijke kans dat enkele bomen langs de Gekkengraaf als kolonieverblijf worden gebruikt. De ligging van deze bomenrij aan het water en de geïsoleerde ligging verhogen bovendien de kans dat deze bomenrij als vliegroute wordt gebruikt.

Bij schrijven van 7 februari 2007 heeft Natuurbalans gemotiveerd gereageerd op de door [appellant sub 2] geplaatste kanttekeningen bij de door Natuurbalans uitgevoerde onderzoeken. In die reactie is toegelicht dat het onderzoek niet beperkt is gebleven, zoals door Bureau Nagel gesteld, tot bomenlanen van meer dan 50 jaar oud, maar dat alle potentiële verblijfplaatsen in het onderzoek zijn betrokken. Verder is aangegeven dat niet alleen onderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat ook archiefgegevens, de terreingesteldheid en ervaring met het voorkomen van vleermuizen in vergelijkbare gebieden aan de onderzoeksresultaten ten grondslag zijn gelegd.

2.18. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken die zijn uitgevoerd door Natuurbalans zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid heeft mogen baseren.

Uit de door [appellant sub 2] overgelegde stukken blijkt niet dat vleermuizen zijn aangetroffen, maar slechts dat de onderzochte locaties mogelijk geschikt zijn voor vleermuizen. De door [appellant sub 2] overgelegde twee recente vleermuizenonderzoeken hebben geen betrekking op het onderhavige plangebied. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] overgelegde kaartjes merkt de Afdeling op dat het natuurgebied de Brommèr buiten het plangebied ligt. [appellant sub 2] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het college de onderzoeken van Natuurbalans omtrent de aanwezigheid van vliegroutes in het plangebied niet heeft kunnen volgen. Het antwoord op de vraag of in het plangebied al dan niet terecht bomen zijn gekapt, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat bij besluit van 4 december 2006 namens de minster van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) ontheffing is verleend van een aantal verbodsbepalingen van de Ffw. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] bezwaar gemaakt, stellende dat door het onderhavige project ook ten aanzien van andere soorten dan de in de ontheffing genoemde soorten verbodsbepalingen van de Ffw zullen worden overtreden. Bij besluit van 31 augustus 2007 is dit bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor de ontheffing van 4 december 2006 in rechte onaantastbaar is geworden. Op dezelfde datum als waarop [appellant sub 2] voornoemd bezwaar heeft gemaakt, heeft hij tevens verzocht om handhaving van de Ffw, onder meer vanwege de gevolgen van het onderhavige plan voor beweerdelijk in het plangebied aanwezige vleermuizen. Bij besluit van 15 januari 2008 is dit verzoek door de minister van LNV afgewezen, omdat er ten aanzien van de soorten waarvoor niet reeds ontheffing was verleend geen sprake was van een overtreding van de Ffw.

2.19. De conclusie is dat de door [appellant sub 2] aangedragen gegevens het college er dan ook niet toe hadden hoeven te brengen te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot de Ffw. Deze beroepsgrond faalt.

Waterhuishouding/Infiltratie/Wateroverlast

2.20. [appellant sub 2] betoogt dat niet is gebleken dat binnen het plangebied voldoende infiltratiecapaciteit aanwezig is. Voorts betoogt hij dat hij en andere omwonenden ernstige wateroverlast ondervinden van het plan en heeft hij in dat verband gewezen op de retentiebekkens.

2.21. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Het college stelt zich in navolging van de raad ten aanzien van de waterhuishouding in het gebied op het standpunt dat op basis van het wateradvies van het Waterschap Peel en Maasvallei (hierna: het Waterschap) en de als bijlage bij het plan opgenomen waterparagraaf de waterhuishoudkundige situatie in het gebied goed in beeld is gebracht en dat de te treffen maatregelen adequaat zijn om te zorgen voor een goede waterhuishouding in het gebied.

2.22. Ten aanzien van het bezwaar omtrent de infiltratiecapaciteit is van belang dat in een ten behoeve van het plan opgestelde notitie van Arcadis van 9 januari 2007 is aangegeven dat op basis van Modelberekeningen wordt bepaald hoeveel hemelwater op jaarbasis in het toekomstige glastuinbouwgebied Californië infiltreert. Op basis van die modelberekeningen wordt de infiltratiecapaciteit bepaald. Indien de infiltratiecapaciteit ontoereikend is, dan zal deze blijkens de genoemde notitie worden gecompenseerd op de golfbaan Zaarderheiken.

2.23. [appellant sub 2] heeft in het kader van de gestelde wateroverlast gewezen op de aanleg van gietwaterbassins en waterbergingen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat er een verband bestaat tussen de gietwaterbassins en waterbergingen en de gestelde wateroverlast. In dit verband is ter zitting door Californië B.V. aangegeven dat bij de uitvoering van werkzaamheden in 2008 door een aannemer een fout is gemaakt bij de aanleg van een duiker en dat destijds een gedeelte van een niet-officiële sloot in de directe omgeving van de huiskavel van [appellant sub 2] is gedempt. Californië B.V. erkent dat hierdoor kortstondig wateroverlast bij [appellant sub 2] is ontstaan, maar stelt dat de oorzaak van de overlast inmiddels is weggenomen. Voorts heeft het college in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen - naar niet onderbouwd is weersproken - dat de aanleg van de waterbergingen van belang is voor een goede waterhuishouding in het plangebied, omdat grootschalige verharding van het bodemoppervlak zal plaatsvinden door middel van de plaatsing van kassen. De waterhuishouding in het gebied is voorts afgestemd met het Waterschap, dat in 2007 goedkeuring heeft gegeven aan het beoogde afwateringstracé. Deze beroepsgrond faalt.

Afwijking Provinciaal Omgevingsplan Limburg

2.24. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het plan niet in overeenstemming is met het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: het POL). Hij heeft gesteld dat de landschappelijke inpassing ernstig afbreuk doet aan de in het POL beschermde karakteristiek van het open landschap en dat het POL ter plaatse van het Brommèr een robuuste, ten minste 100 meter brede groenafscherming voorschrijft. [appellant sub 2] betoogt dat de motivering die is aangedragen om te komen tot de groenafscherming waar het plan in voorziet, namelijk de huidige waterhuishoudkundige situatie in het gebied en slagschaduw op de kassen, ondeugdelijk is en dat het plan daarom ten onrechte voorziet in het aanleggen van gietwaterbassins en waterbergingen in plaats van groenafscherming. De planologische basisbescherming waarin het POL voorziet voor het natuurgebied de Brommèr wordt in het plan geheel teniet gedaan. [appellant sub 2] betoogt verder dat de glastuinbouw met 25 hectare wordt uitgebreid ten opzichte van de in het POL voorziene glastuinbouw en dat het natuurgebied de Brommèr als het ware met kassen wordt omsingeld. [appellant sub 2] verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2007, zaaknr. 200607283/2.

2.25. Het college heeft de bedenkingen van [appellant sub 2] ongegrond verklaard en voor zijn standpunt aangesloten bij het door de raad ingenomen standpunt ter zake van de inhoudelijk gelijke zienswijzen, zoals die zijn weergegeven in bijlage 1B van het raadsbesluit van 4 september 2007. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de landschappelijke invulling van de groenzone niet in strijd komt met de in het POL geformuleerde uitgangspunten.

Voor de landschappelijke inpassing geldt aanvullend dat het om de huidige waterhuishoudkundige situatie in het gebied te handhaven niet wenselijk is een brede dichte groenstrook aan te leggen. Daarnaast past het volledig met een groenstrook omgeven van de projectlocatie niet in het bestaande landschap en zijn daarvan nadelige effecten te verwachten in de vorm van slagschaduw op de kassen. In overleg met deskundigen is om die reden, aldus de raad, besloten delen van het projectgebied in te passen door middel van het aanleggen en versterken van lintstructuren.

Voorts heeft het college naar voren gebracht dat is voorzien in verspreide opgaande beplanting (qua soort passend in het landschap) in de vorm van buffers en onderbegroeiing. Voorts wordt her en der in de buffers opgaand groen geplaatst om de solitaire begroeiing die in het gebied voorkomt, terug te laten komen. De randen van de gietwaterbassins zullen aan de buitenzijde ook een groene inpassing krijgen. Voorts heeft het college in navolging van de raad aangegeven dat de retentie- en infiltratiezones een groene, natuurlijke uitstraling met begroeiing hebben en dat de groeninpassing in een groenplan tot uitdrukking wordt gebracht. De gewijzigde groeninpassing leidt niet tot een grotere omvang van de uitgeefbare meters tuinbouwkavel.

2.26. In het POL is als beleidslijn aangegeven dat er gebieden zijn aangewezen voor realisering van ecologische verbindingszones en groenafscherming met een omvang van minimaal 25 meter, groenafscherming langs rijkswegen met een breedte van 100 meter en groenafscherming van verschillende omvang in de nabijheid van ecologische waardevolle elementen.

2.27. De Afdeling stelt vast dat met de vernietiging in haar uitspraak van 15 februari 2003 van de betreffende concrete beleidsbeslissing in het POL 2001 de hardheid van de daarin opgenomen grenzen en uitgangspunten is komen te vervallen waardoor de genoemde grenzen en afstanden slechts indicatief zijn, hetgeen ook zijn doorwerking heeft in het POL. In het POL is voorts niet opgenomen welke afstand tussen ecologisch waardevolle elementen en glastuinbouw in acht moet worden genomen. De door [appellant sub 2] genoemde afstand van 100 meter geldt alleen langs rijkswegen. Op bestemmingsplanniveau dient op basis van onderzoek naar de effecten die het plan met zich meebrengt een afweging te worden gemaakt van de begrenzing van de glastuinbouw en de aan te leggen groenafscherming in de nabijheid van ecologisch waardevolle elementen. De vergelijking die

[appellant sub 2] maakt met de situatie in de uitspraak van 1 februari 2007 treft geen doel. Het betrof in dit geval een verschuiving van de grens stedelijke dynamiek. Het college heeft onweersproken gesteld dat het daarbij om een harde grens ging.

2.28. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de in acht te nemen afstand tussen de plangrens en de kassen op de smalste strook ongeveer 45 meter bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college toereikend gemotiveerd waarom voor de groenafscherming waarin het plan voorziet is gekozen. De door het college aangedragen argumenten waarom het niet wenselijk is om een brede dichte groenstrook aan te leggen rond de kassen, acht de Afdeling onjuist noch onredelijk. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de aanleg van de waterbergingen van belang is voor een goede waterhuishouding in het plangebied. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat het plan ten onrechte voorziet in het aanleggen van gietwaterbassins en waterbergingen in plaats van groenafscherming niet deugdelijk onderbouwd. Gelet op het voorgaande en gelet op de door Californië B.V. ter zitting gegeven toelichting, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke inpassing van de kassen en de invulling van de groenzone niet in strijd komen met de in het POL geformuleerde uitgangspunten. Deze beroepsgrond faalt.

Verkeersveiligheid

2.29. [appellant sub 2] stelt dat met het plan de verkeersveiligheid niet voldoende is gewaarborgd. In dit kader voert hij aan dat de verkeersintensiteit op de Sevenumseweg ten gevolge van het plan zal toenemen naar 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat de Sint Jorisweg wordt afgesloten voor motorvoertuigen en dat dit betekent dat hij bepaalde delen van zijn boomkwekerij niet meer kan bereiken. Ten slotte stelt [appellant sub 2] in dit verband dat het geplande fietspad langs de Sevenumseweg te smal is en daarmee onveilig is.

2.30. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd.

2.31. Anders dan [appellant sub 2] heeft betoogd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersintensiteit op de Sevenumseweg ten gevolge van het plan aanmerkelijk zal toenemen. Ter zitting is door de raad toegelicht dat de toekomstige verkeerssituatie op de Sevenumsweg wordt meegenomen in de m.e.r. Greenportlane, waarin de verkeersaantrekkende werking van alle initiatieven in het K4-gebied, waar het plangebied deel van uitmaakt, inzichtelijk wordt gemaakt. In het kader van deze m.e.r wordt op deze weg een toekomstige verkeersintensiteit (in 2020) van 2.300 tot 2.800 verwacht.

2.32. Voor zover [appellant sub 2] in zijn beroepschrift bezwaar maakt tegen de afsluiting van de Sint Jorisweg, stelt de Afdeling vast dat er ingevolge het plan op deze weg een verkeersbestemming rust. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de weg inmiddels is afgesloten naar aanleiding van inspraakreacties waarin bewoners uit het gebied hebben aangegeven te vrezen voor een verdere toename van verkeer en de wens hebben verwoord dat een gedeelte van de Sint Jorisweg wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Gelet hierop is er inmiddels voor gekozen om het aantal aansluitingen op de Sevenumseweg te beperken tot één, namelijk de aansluiting Aartserfweg. De gestelde afsluiting is evenwel niet het gevolg van het plan maar van een verkeersbesluit, dat thans niet ter beoordeling staat.

2.33. Met betrekking tot het fietspad heeft de raad ter zitting toegelicht dat in de richtlijn van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek uit februari 2002 (hierna: de CROW-richtlijn) wordt aangegeven dat het wenselijk is om de verharding van fietspaden langs een erftoegangsweg - zoals de Sevenumseweg - 2,50 meter breed te laten zijn en dat bij de aanleg van het fietspad in kwestie zal worden uitgegaan van deze in de CROW-richtlijn aanbevolen breedte. Naar het oordeel van de Afdeling kan in redelijkheid van deze richtlijn worden uitgegaan. Nu voorts de in het plan gelegde verkeersbestemming de aanleg van een fietspad met de aanbevolen breedte mogelijk maakt, slaagt de beroepsgrond omtrent de verkeersveiligheid niet.

Aantasting bedrijfsbelang

2.34. [appellant sub 2] betoogt dat het college onvoldoende heeft meegewogen dat zijn bedrijfsbelang als gevolg van het plan wordt geschaad en dat daaraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang dat is gediend met het realiseren van het glastuinbouwproject. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het plangebied waar het glastuinbouwproject is voorzien gronden zijn gelegen die voor zijn boomkwekerij worden gebruikt en dat daar gronden zijn gelegen die mogelijk in de toekomst ten behoeve van zijn bedrijf zullen worden gepacht.

2.35. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het in zoverre goedgekeurd.

2.36. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.37. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijfsbelang van [appellant sub 2] minder zwaar hoeft te wegen dan het belang dat is gediend met de ontwikkeling van een grootschalig, modern en duurzaam glastuinbouwproject op deze locatie. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant sub 2] een boomkwekerij exploiteert op verschillende percelen die verspreid, deels in en deels buiten het plangebied, zijn gelegen. Uit een opgave van [appellant sub 2] uit 2007 blijkt dat hij op dat moment ruim 86 hectare grond voor zijn bedrijf in gebruik had, waarvan hij ongeveer 13,7 hectare in eigendom had en dat de resterende gronden in 2007 werden gepacht. Uit de opgave blijkt verder dat op dat moment één perceel van ongeveer 1,6 hectare, dat in eigendom is van [appellant sub 2], in het plangebied was gelegen. Er waren op dat moment geen pachtgronden in het plangebied gelegen. Nu slechts een ondergeschikt deel van het totale areaal dat in gebruik was ten behoeve van de boomkwekerij van [appellant sub 2] in het plangebied is gelegen, stelt de Afdeling vast dat het feitelijke verlies van bij [appellant sub 2] in gebruik zijnde gronden als gevolg van het plan beperkt is. Ter zitting is aangegeven dat in de situatie na 2007 niet veel is veranderd, maar dat [appellant sub 2] vreest dat het in de toekomst steeds moeilijker wordt om gronden in de omgeving te pachten. Naar hij stelt, heeft hij in het verleden ook wel gronden in het plangebied gepacht, welke mogelijkheid met dit plan komt te vervallen. De omstandigheid dat hij, naar hij stelt, in het verleden in het plangebied gronden heeft gepacht, brengt niet zonder meer mee dat hij in de toekomst wederom aanspraak op deze gronden kan maken. Aan eventuele toekomstige plannen aangaande de pacht in het plangebied komt derhalve geen doorslaggevend gewicht toe. Gelet hierop treft deze beroepsgrond geen doel.

2.38. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd met betrekking tot het plan voor zover dat het realiseren van een glastuinbouwproject met een bruto oppervlakte van ongeveer 280 hectare op de locatie Californië in de gemeente Horst aan de Maas mogelijk maakt geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel anderszins in strijd is met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is dan ook ongegrond.

Beroep Europe Invest B.V.

2.39. Europe Invest B.V. heeft aangevoerd dat het ontwerp-plan ten onrechte is gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp met als gevolg dat op haar perceel aan de Horsterweg te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas, ten onrechte geen dienstwoningen meer kunnen worden opgericht. Europe Invest B.V. bestrijdt op dit punt in het bijzonder de door het college gevolgde redenering over de Wet geluidhinder in relatie tot het verdwijnen van de mogelijkheid dienstwoningen op te richten op haar perceel. Europa Invest stelt zich op het standpunt dat sprake is van vooringenomenheid bij het college en van belangenverstrengeling.

2.40. Het college heeft de bedenkingen van Europe Invest B.V. ongegrond verklaard en voor zijn standpunt aangesloten bij het door de raad ingenomen standpunt ter zake van de zienswijze, zoals weergegeven in bijlage 1B van het raadsbesluit van 4 september 2007. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat aan de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt in het bestemmen van gronden in het plan. Daarnaast is de raad daarbij ook gebonden aan de wettelijke regels die een beperking kunnen vormen voor bestemmingen. Pas nadat wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten wordt toegekomen aan een belangenafweging. De Wet geluidhinder verplicht, aldus het college, de inachtneming van de daarin opgenomen grenswaarden voor een weg bij het opstellen van een bestemmingsplan. Het college heeft in dat verband opgemerkt dat door de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen bij de beoordeling van het voorontwerpbestemmingsplan is geconstateerd dat een gedeelte van het perceel - waarvoor een vrijstelling gold voor de realisatie van dienstwoningen een geluidsniveau kent van meer dan 55 dB(A). Deze commissie heeft in haar advies van 2 september 2005 aangegeven dat dit perceelsgedeelte uitsluitend benut kan worden ten behoeve van niet geluidgevoelige gebouwen en bouwwerken die behoren bij een dienstwoning en niet voor het oprichten van dienstwoningen zelf. Het college acht de stelling van Europe Invest B.V. dat met eenvoudige maatregelen de geluidscontouren van de weg kunnen worden verlegd, niet aannemelijk en komt tot de slotsom dat niet is gebleken dat de afweging die de raad in deze heeft gemaakt, door gelet op het advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen in afwijking van het voorontwerpplan in het ontwerpplan te kiezen voor een agrarische bestemming in plaats van een woonbestemming, onjuist is. Het college verwijst voorts naar een uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008, zaaknr. 200800092/1.

2.41. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel van Europe Invest B.V. grotendeels in het gebied is gelegen dat een geluidsniveau kent van meer dan 55 dB(A).

2.42. In voormelde uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008 is het hoger beroep van Europe Invest B.V. gericht tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond van 1 februari 2008 ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank strekt tot ongegrondverklaring van het beroep van Europe Invest B.V. tegen het besluit van 15 mei 2007, strekkende tot handhaving van het besluit van 23 januari 2007 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college van burgemeester en wethouders) heeft geweigerd om vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het realiseren van dienstwoningen op het perceel van Europe Invest B.V.. De beroepsgronden in hoger beroep stemmen in grote lijnen overeen met hetgeen in de voorliggende beroepsprocedure door Europe Invest B.V. naar voren is gebracht.

2.43. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 september 2008 overwogen dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college van burgemeester en wethouders voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het niet wenst mee te werken aan de bouw van dienstwoningen op het perceel en dat dit college in het kader van de beslissing op het verzoek om vrijstelling doorslaggevende betekenis kon hechten aan het advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen en aan het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan. Dat op andere percelen in de omgeving wel woningen zijn toegestaan, leidde de Afdeling niet tot een ander oordeel, omdat was gebleken dat op die andere percelen al woningen aanwezig waren of dat het percelen betrof die zijn gelegen binnen de 50 en 55 dB(A)-contour.

Voorts heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak overwogen dat de omstandigheid dat het ontwerpbestemmingsplan ten opzichte van het voorontwerp is gewijzigd, niet tot een ander oordeel leidt, omdat een voorontwerp van een bestemmingsplan op zichzelf geen aanspraak geeft op een vrijstelling.

Ten aanzien van de door Europe Invest B.V. gestelde vooringenomenheid en belangenverstrengeling heeft de Afdeling in voornoemde uitspraak overwogen dat geen sprake is van een handelwijze die zich niet verdraagt met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de besluitvorming is gebaseerd op objectieve gronden met betrekking tot de geluidscontour van 55 dB(A).

2.44. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de vrijwel identieke beroepsgronden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college het in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten dat de raad, in navolging van de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen, het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet toelaatbaar heeft geacht om gelet op het heersende geluidsniveau ter plaatse van het perceel nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toe te staan en dat ter zitting door de raad onweersproken is gesteld dat anders dan in de onderhavige situatie op het nabijgelegen perceel aan de Horsterweg 47c wel een woning mag worden opgericht, omdat het vorige bestemmingsplan reeds in de bouw voorzag.

2.45. De conclusie is dat hetgeen Europe Invest B.V. heeft aangevoerd met betrekking tot de bouwmogelijkheden op haar perceel aan de Horsterweg te Grubbenvorst geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel anderszins in strijd is met het recht. Het beroep van Europe Invest B.V. is dan ook ongegrond.

2.46. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europe Invest B.V. ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009

224.