Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200904786/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009, nummer 1471002, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904786/2/R1.

Datum uitspraak: 4 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009, nummer 1471002, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nuenen (hierna: de raad) bij besluit van 2 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] en de raad hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2009, waar [verzoekers], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door C.C.M.G. van Laarhoven-van den Broek en ing. M.J.A. Ras, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbenden], bijgestaan door mr. dr. L. Bier, advocaat te Vught, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet, voor zover van belang voor de behandeling van het verzoek, in de mogelijkheid tot het oprichten van een minicamping met vijf standplaatsen en een bebouwing van 338 m² op het perceel [locatie].

2.3. [verzoekers] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

2.4. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.5. In het ontwerpplan is aan het perceel [locatie] onder meer de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" toegekend. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad, naar aanleiding van de door [belanghebbenden] naar voren gebrachte zienswijze het plandeel in zoverre gewijzigd vastgesteld dat de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" wordt uitgebreid tot een deel van de woning en de achterliggende agrarische gronden. Met deze uitbreiding van de bestemmingsregeling is het mogelijk de aanbouw van de woning op het perceel te gebruiken als receptie voor de minicamping en op het perceel een koetshuis te bouwen. De voorzitter heeft de verwachting dat het beroep in de bodemprocedure slechts voor zover het ziet op deze gewijzigde vaststelling ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek van [verzoekers] zal derhalve voor zover het ziet op het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor zover dat reeds was toegekend in het ontwerpplan worden afgewezen.

2.6. [verzoekers] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bij de vaststelling gewijzigde plandelen met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" ter plaatse van het perceel [locatie] (hierna: de plandelen). Hiertoe voeren zij aan dat het college ten onrechte geen inhoudelijke beantwoording van hun bedenkingen heeft gegeven. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van de plandelen te voorkomen.

2.7. Uit de stukken komt naar voren dat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 2 april 2009 aan [een der belanghebbende] op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan heeft verleend voor het overeenkomstig de ingediende aanvraag, oprichten van een minicamping en het (ver)bouwen van een paardenstal, koetshuis en een deel van het bijgebouw behorend bij de woning als receptie, uitsluitend ten dienste van de minicamping. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning nog niet in rechte onaantastbaar zijn. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig en zal worden bezien of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Bij de weerlegging van de bedenkingen van [verzoekers] heeft het college nagenoeg volstaan met een verwijzing naar de voor voornoemd bouwplan verleende vrijstelling en de daartoe verleende verklaring van geen bezwaar. Dit terwijl partijen in de vrijstellingsprocedure aanzienlijk van standpunt verschillen over onder meer de vraag in hoeverre de minicamping zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Teneinde te vermijden dat in de procedure omtrent de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO betekenis wordt toegekend aan de plandelen en dat uit de inwerkingtreding van de plandelen zou worden afgeleid dat de bestemming ter plaatse als een gegeven zou moeten worden beschouwd, schorst de voorzitter de plandelen om in elk opzicht te vermijden dat het zelfstandige toetsingskader voor het thans bij het college van burgemeester en wethouders voorliggende besluit in de vrijstellingsprocedure door de inwerkingtreding van de plandelen wordt beïnvloed.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 mei 2009, nummer 1471002, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009

533.

<HR>

kaart 1