Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200805804/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2008, kenmerk 2008-000008, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Barneveld (hierna: de raad) bij besluit van 18 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Blankensgoed" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Besluit luchtkwaliteit 2005
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/2247
JM 2009/140 met annotatie van De Vries
JOM 2009/785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805804/1/R2.

Datum uitspraak: 9 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2008, kenmerk 2008-000008, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Barneveld (hierna: de raad) bij besluit van 18 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Blankensgoed" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2008, beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2009, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C], vertegenwoordigd door H.O. de Jager, werkzaam bij De Jager Makelaardij, en het college, vertegenwoordigd door P.G.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. G.C. de Kruijf, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)".

[appellant B] woont op een afstand van ongeveer 120 meter tot het bestreden plandeel. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het bestreden plandeel. Voorts moet worden aangenomen dat de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkelingen die op het bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt niet zodanig zal zijn dat hij door het bestreden plandeel rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. De conclusie is dat [appellant B] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wro, geen beroep kan instellen. Het beroep voor zover het is ingediend door [appellant B] is niet-ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het plan voorziet in de bouw van circa 230 woningen aan de noordzijde van de kern Voorthuizen. Een gedeelte van het plangebied is voorzien van de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)". De oppervlakte van het uit te werken gebied is ongeveer 6600 m².

2.5. [appellant A] en [appellant C] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)". De bestemmingsregeling biedt volgens [appellant A] en [appellant C] onvoldoende duidelijkheid over de invulling van het betrokken gebied. Zij wijzen er op dat de bestemmingsregeling onder andere een aanzienlijke oppervlakte aan bebouwing mogelijk maakt voor verschillende functies zoals supermarkten of bouwmarkten. Dit is volgens hen in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid. Daarnaast zal een dergelijke ontwikkeling volgens hen aanzienlijke gevolgen hebben voor de verkeerssituatie en luchtkwaliteit ter plaatse en zijn deze gevolgen onvoldoende onderzocht. Verder is de ontsluiting van het plandeel volgens hen ontoereikend in geval van calamiteiten.

2.6. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het plandeel niet in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid. Voorts is volgens het college nog onduidelijk hoe het gebied zal worden ingevuld, zodat de gevolgen voor de verkeerssituatie nog niet bekend zijn. Onderzoek naar de verkeerssituatie en de gevolgen van het uit te werken gebied voor de luchtkwaliteit kan volgens het college aan de orde komen bij het uitwerkingsplan. Verder heeft het college ingestemd met de keuze van de raad om de mogelijkheden voor de invulling van het plandeel bewust ruim te houden zodat ingespeeld kan worden op toekomstige ontwikkelingswensen.

2.7. Ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)" bestemd voor Wonen, Gestapelde woningen, Tuin, Detailhandel en Dienstverlening, Verkeersdoeleinden, Water en groen, en Nutsvoorzieningen, met bijbehorende bouwwerken en onbebouwde gronden uit te werken volgens artikel 11 van de WRO.

Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

a. De uitwerking beperkt zich tot het als zodanig bestemde vlak;

b. (Gestapelde) woningen dienen zoveel mogelijk met de voorgevel naar de weg of andere vorm van openbare ruimte te worden gekeerd;

c. Er wordt gestreefd naar woningbouw in verschillende woningtypen en financieringscategorieën overeenkomstig het totale woningbouwprogramma voor Blankensgoed;

d. Functies ten behoeve van detailhandel en dienstverlening dienen zodanig te worden ingepast dat geen onevenredige hinder ontstaat met omliggende bestaande en nieuwe woningen;

e. Ten behoeve van effectief grondgebruik is het stapelen van verschillende functies toegestaan;

f. Voor alle te realiseren functies dient voldoende parkeerruimte te worden gerealiseerd, waarbij voor woningen een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning wordt gehanteerd. Indien mogelijk dienen parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gesitueerd;

g. Bij de uitwerking wordt onderzoek verricht in het kader van de

Wet geluidhinder en het Besluit luchtkwaliteit;

h. Indien blijkt dat door de situering van geluidsgevoelige functies de voorkeursgrenswaarde als genoemd in de Wet geluidhinder wordt overschreden handelt het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor het verkrijgen van ontheffingen voor hogere grenswaarden;

i. De functies worden zodanig gesitueerd dat voor de omgeving geen onevenredige hinder ontstaat in de zin van de Wet geluidhinder, het Besluit externe veiligheid en het Besluit luchtkwaliteit;

j. De hoogte van gebouwen bedraagt, gemeten vanaf het maaiveld, maximaal 12 meter, behoudens trappenhuizen, technische ruimten of liftschachten die maximaal drie meter hoger mogen worden;

k. Er dient in voldoende mate ruimte te worden gereserveerd, in of buiten het uit te werken plandeel, ten behoeve van een adequate opvang en afvoer van hemelwater overeenkomstig het voor het hele plangebied Blankensgoed opgestelde waterstructuurplan.

2.8. De Afdeling overweegt dat deze voorschriften een grote variëteit aan bestemmingen van het gebied mogelijk maken. De planregeling laat zowel een combinatie van genoemde bestemmingen toe, maar staat er ook niet aan in de weg dat het gebied (nagenoeg) geheel voor één van deze functies wordt bestemd, bijvoorbeeld een supermarkt, zoals [appellant A] en [appellant C] betogen. Met de inwerkingtreding van het plan zullen deze bestemmingsmogelijkheden in beginsel als gegeven moeten worden beschouwd. Dit in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat, anders dan het college en de raad menen, reeds in het kader van de totstandkoming van dit plan onderzoek verricht had moeten worden naar de gevolgen van deze verschillende bestemmingsmogelijkheden wat betreft het verkeer, waaronder die van een volledige bestemming van het gebied voor detailhandel. Een dergelijk onderzoek is niet gedaan.

Wat betreft het aspect luchtkwaliteit wijst de Afdeling er in de eerste plaats op dat op 15 november 2007 de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking is getreden. Bij deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken. Ingevolge het in deze wet opgenomen overgangsrecht zijn op een bestemmingsplan dat na de inwerkingtreding van deze wet is vastgesteld de bepalingen over luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit is voor het onderhavige plan het geval, nu dat op 18 december 2007 is vastgesteld. Het vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot de in artikel 5.16 van deze wet genoemde bevoegdheden. De Afdeling is van oordeel dat gelet hierop eveneens in het kader van de totstandkoming van dit plan onderzocht had moeten worden of dit voldoet aan de daar genoemde regels over luchtkwaliteit en dat bij dat onderzoek de hiervoor bedoelde verschillende bestemmingsmogelijkheden betrokken hadden moeten worden. Een dergelijk onderzoek is evenmin gedaan.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant A] en [appellant C] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep voor zover dit is ingediend door [appellant A] en [appellant C] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.10. In de gegeven omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding niet meer in te gaan op de overige beroepsgronden.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellant B];

II. verklaart het beroep voor zover het is ingediend door [appellant A] en [appellant C] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 13 juni 2008, kenmerk 2008-000008, voor zover hierbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken Woondoeleinden, Dienstverlening en Detailhandel (UWDD)";

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 30,99 (zegge: dertig euro en negenennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellant A] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Rooy

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009

59-599.