Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200905434/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom gelast zes tunnelkassen, de stekkas en het gemetselde pomphuis, gelegen op het perceel achter de woningen [locaties] in [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905434/2/H1.

Datum uitspraak: 3 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 juli 2009 in zaak nr. 07/1273 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom gelast zes tunnelkassen, de stekkas en het gemetselde pomphuis, gelegen op het perceel achter de woningen [locaties] in [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college voormelde besluiten ingetrokken voor zover de daarin vervatte last betrekking heeft op de stekkas en het pomphuis.

Bij uitspraak van 16 juli 2009, verzonden op 17 juli 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] tegen het besluit van 27 maart 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 29 januari 2008, ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 2009.

Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 augustus 2009, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Meijer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In onderhavige zaak is een aantal rechtsvragen aan de orde dat door de Afdeling in de bodemprocedure dient te worden beantwoord. De hoofdzaak zal, naar het zich laat aanzien, in het voorjaar van 2010 op een zitting worden behandeld.

2.3. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan een voorlopige voorziening getroffen dient te worden, wordt overwogen dat zich sinds medio 1998 tunnelkassen op het perceel bevinden en het college eerst in oktober 2006 daartegen handhavend heeft opgetreden. Hangende de bezwaarprocedure bij het college en de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het college de begunstigingstermijn van de last voorts meerdere keren verlengd. De voorzitter leidt daaruit af dat de belangen om de last op korte termijn te effectueren niet zodanig zwaarwegend zijn, dat niet gewacht kan worden totdat de Afdeling op het hoger beroep van [verzoeker] heeft beslist. Daartegenover staat dat [verzoeker] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de tunnelkassen noodzakelijk zijn om in de herfst en winter vorstschade aan het plantenbestand te voorkomen. Ofschoon [verzoeker] rekening dient te houden met de gerede kans dat de Afdeling de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure zal bevestigen, ziet de voorzitter in het vorenstaande niettemin aanleiding de navolgende voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 29 januari 2008, kenmerk 2008/, het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 27 maart 2007, kenmerk 2006/19829, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 31 oktober 2006, kenmerk 2006/17654;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 66,38 (zegge: zesenzestig euro en achtendertig cent);

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009

392.