Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200904605/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerde (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bitufa Waterproofing B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting aan de Vlijtweg 4 te Wapenveld, gemeente Heerde. Dit besluit is op 13 mei 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904605/2/M2.

Datum uitspraak: 3 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerde (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bitufa Waterproofing B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting aan de Vlijtweg 4 te Wapenveld, gemeente Heerde. Dit besluit is op 13 mei 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juli 2009.

Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brief van 8 juli 2009.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 augustus 2009, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. H. Martens, zijn verschenen.

Voorts is Bitufa Waterproofing B.V., vertegenwoordigd door [directeur], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekers] vrezen geuroverlast als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen dat met betrekking tot het geuraspect onvoldoende onderzoek is verricht, nu bij het geuronderzoek dat het college ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit slechts is uitgegaan van metingen die op één dag zijn verricht. Volgens [verzoekers] hadden er ook op andere momenten metingen moeten worden verricht.

2.2.1. Aan de verlening van de milieuvergunning bij het bestreden besluit ligt onder meer het geuronderzoek ten grondslag zoals dat is uitgewerkt in het onderzoeksrapport van Witteveen & Bos van 29 augustus 2008 (hierna: het onderzoeksrapport). Het onderzoeksrapport maakt deel uit van de verleende vergunning. Blijkens het onderzoeksrapport zijn op 19 augustus 2008 diverse metingen verricht en is daarnaast berekend wat de hoogste uit de inrichting afkomstige geurconcentraties zouden kunnen zijn. Ook op de aldus verrichte berekeningen, waaromtrent [verzoekers] niets hebben aangevoerd, zijn de conclusies die zijn neergelegd in het onderzoeksrapport gebaseerd. Reeds daarom is er in het niet nader onderbouwde betoog van [verzoekers] geen grond gelegen voor het oordeel dat het onderzoeksrapport onvolledig is dan wel onzorgvuldig tot stand is gekomen en het college daarom niet van de in het onderzoeksrapport neergelegde conclusies heeft mogen uitgaan.

2.3. Voorts vrezen [verzoekers] geluidoverlast als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen dat in het akoestisch rapport van ing. A.J.M. van Wieren van 22 december 2008 (hierna: het akoestisch rapport) ten onrechte is uitgegaan van het in 1998 bepaalde referentieniveau voor het omgevingsgeluid. Zij voeren aan dat dit referentieniveau ten tijde van het bestreden besluit niet meer representatief geacht kon worden.

2.3.1. Aan de aanvraag van Bitufa Waterproofing B.V., die deel uitmaakt van het bestreden besluit, is onder meer het akoestisch rapport ten grondslag gelegd.

2.3.2. Het college heeft in het bestreden besluit ten aanzien van het onder 2.3 weergegeven betoog - dat [verzoekers] ook reeds in hun zienswijze naar voren hebben gebracht - het standpunt ingenomen dat het referentieniveau voor het omgevingsgeluid waarvan in het akoestisch rapport is uitgegaan nog representatief is omdat het om een gebied gaat waar sinds de vaststelling van dit referentieniveau geen dynamische ontwikkelingen hebben plaatsgehad. Nu [verzoekers] daartegen niets hebben ingebracht ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Het onder 2.3 weergegeven betoog kan daarom niet slagen.

2.4. Voorts voeren [verzoekers] aan dat het college ten onrechte eraan is voorbij gegaan dat regelmatig 's nachts een bitumenwasser in de inrichting in werking is.

2.5. Volgens de op 15 februari 2005 voor de oprichting van de inrichting verleende milieuvergunning mocht daarin uitsluitend gedurende de dagperiode worden geproduceerd. Bij de bij het bestreden besluit verleende vergunning is daarop de verandering aangebracht dat ook gedurende de avondperiode tot 23.00 mag worden geproduceerd en dat gedurende de nachtperiode werkzaamheden mogen worden uitgevoerd zoals snijden, verpakken, schoonmaken en het treffen van voorbereidingen voor de productie. Daarbij is echter niet vergund dat de bitumenwasser gedurende de nachtperiode in werking mag zijn. Voorgaande beroepsgrond heeft daarom geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.

2.6. Verder betogen [verzoekers] dat de aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning verbonden voorschriften 1.4 en 1.5 meebrengen dat gedurende een periode van acht maanden niet aan de geluidvoorschriften hoeft te worden voldaan die in voorschrift 2.1 van de op 15 februari 2005 verleende oprichtingsvergunning met betrekking tot de inrichting zijn gesteld.

2.6.1. In vergunningvoorschrift 1.4, voor zover hier van belang, is bepaald dat binnen vier maanden na het van kracht worden van de beschikking door middel van een akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat aan het bepaalde als bedoeld in vergunningvoorschrift 2.1 van de vigerende milieuvergunning wordt voldaan.

In vergunningvoorschrift 1.5, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien uit het in het vorige voorschrift bedoelde akoestisch onderzoek blijkt dat niet aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan, binnen acht maanden na het van kracht worden van deze beschikking zodanige voorzieningen moeten zijn getroffen dat alsnog aan de geluidvoorschriften wordt voldaan.

2.6.2. De voorzitter ziet in het bepaalde in vergunningvoorschriften 1.4 en 1.5 geen aanleiding om [verzoekers] te volgen in hun betoog dat deze voorschriften meebrengen dat de voor de inrichting bepaalde geluidvoorschriften gedurende een periode van acht maanden niet zullen gelden. De vergunningvoorschriften 1.4 en 1.5 doen naar het oordeel van de voorzitter geen afbreuk aan vergunningvoorschrift 2.1 van de op 15 februari 2005 verleende oprichtingsvergunning, doch zijn met betrekking daartoe juist van aanvullende betekenis.

2.7. Gezien het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hulst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009

402.