Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200903775/1/R2 en 200903775/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2009, kenmerk 2009/0053824, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) een vergunning onder voorschriften verleend aan [vergunninghoudster] voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie […], nummers […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903775/1/R2 en 200903775/2/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2009, kenmerk 2009/0053824, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) een vergunning onder voorschriften verleend aan [vergunninghoudster] voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie […], nummers […].

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2009, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie en ing. W.A. Vliek, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. Dolstra, vergezeld van D.H.J. Kohrman en ir. G. van den Ham, projectleider van Deltares.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De vergunning voorziet in het voortzetten en uitbreiden van de bestaande zandwinning aan de Hooidijk te Staphorst. Voor de bestaande zandwinning zijn eerder ontgrondingsvergunningen verleend. De zandwinlocatie ligt ten noorden van de Conradsweg en ten oosten van de Hooidijk en de uitbreiding vindt plaats aan de oostelijke zijde van de bestaande zandwinplas. De maximale windiepte is 40,5 meter -NAP. Het oppervlak van de bestaande zandwinning kan met de vergunning uitgebreid worden tot ongeveer 45 hectare en de oppervlakte van de zandwinplas zal na uitbreiding ongeveer 30 hectare beslaan. Er kan in totaal ongeveer 5,85 miljoen m³ ophoogzand worden gewonnen.

2.3. [appellant] vreest dat de uitbreiding van de zandwinning tot verdere verzakking van zijn ten westen van de zandwinplas gelegen percelen zal leiden. Daartoe voert hij aan dat de gevolgen van de zandwinning door een toename van kwel reeds zichtbaar zijn, nu de hoekpalen op de percelen inmiddels in het water staan. [appellant] stelt verder dat het verplaatsen van de bestaande watergang van invloed is op de waterhuishouding in het omliggende gebied. Voorts vreest [appellant] voor oeverinscharing, waaronder het onbeheerst onder water verdwijnen van een deel van de oever wordt verstaan, als gevolg van de zandwinning. Daarbij wijst hij op de in 2008 opgetreden oeverinscharing. Volgens hem is onvoldoende gegarandeerd dat niet opnieuw oeverinscharing optreedt. Vanwege de hydrologische effecten van de ontgronding wil [appellant] inzicht hebben in de monitoringsgegevens.

2.3.1. Bij de beoordeling van de geohydrologische aspecten van de gevraagde ontgronding heeft het college zich gebaseerd op het advies 'Uitbreiding zandwinning De Hooidijk', Grondmechanisch en geohydrologisch advies van juli 2006, opgesteld door GeoDelft (thans Deltares) in opdracht van Schagen Zwolle B.V. (hierna: het advies). Het college stelt, onder verwijzing naar dit advies, dat de geohydrologische invloed van de uitbreiding van de plas op de directe omgeving gering is. Een eventuele verzakking kan volgens het college niet het gevolg zijn van de zandwinning, aangezien de invloed van de zandwinning op de grondwaterstanden aanwezig is tot een afstand van maximaal 500 meter uit het hart van de zandwinning en de grondwaterstanden na de daadwerkelijke zandwinning na maximaal 15 dagen weer op het oorspronkelijke niveau zijn teruggekeerd.

Het voormelde advies is aangepast na een oeverinscharing op 27 februari 2008. Het college stemt in met de resultaten van het aanvullende onderzoek. Hoewel een volledige garantie dat een dergelijke calamiteit nooit meer zal voorkomen niet mogelijk is, stelt het college dat de verplichting in de voorschriften om de CUR Aanbeveling 113 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten' toe te passen voldoende waarborgen biedt.

Tot slot wijst het college op de in de voorschriften opgenomen monitoringsverplichting en de verplichting tot het treffen van maatregelen ter compensatie van een eventueel nadelig hydrologisch effect op de omgeving.

2.3.2. Uit het advies blijkt dat geohydrologisch onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij met behulp van de gemiddelde grondwaterstanden een indicatieve beschouwing is gemaakt over de invloed van de uitbreiding op de grondwaterstanden in de omgeving, waarbij de peilbuizen van de zandwinput als referentiebuizen zijn aangehouden. Geconcludeerd wordt dat de geohydrologische invloed van de uitbreiding van de plas op de directe omgeving klein is en dat de invloed op de verdere omgeving verwaarloosbaar is. De invloed op landbouwgebieden beperkt zich tot enige honderden meters buiten de concessiegrens en zal daar gering zijn.

Naar aanleiding van een oeverinscharing bij de zandwinning in de bestaande zandwinput is door Deltares op 13 juni 2008 een aanpassing van het advies opgesteld. Hierin wordt geadviseerd om de randstroken te verbreden tot 20 meter, de dieptelijnen op de hoeken af te ronden en het dwarsprofiel aan te passen. Voorts wordt aanbevolen om te winnen met verhoogde waakzaamheid zodra gebaggerd wordt in de buurt van de beoogde uiteindelijke taluds.

2.3.3. In vergunningvoorschrift 5, eerste lid, voor zover hier van belang, is bepaald dat ter controle van de stijghoogte van het grondwater in de naaste omgeving van het terrein van vergunning een meetnet van grondwaterstandsbuizen dient te worden geplaatst. Dit meetnet moet in stand worden gehouden, teneinde de betrouwbaarheid en continuïteit in de waarnemingen te waarborgen. Periodiek, doch ten minste twee keer per maand moet de stijghoogte in de buizen van het meetnet, evenals het waterpeil van de zandwinplas, ten opzichte van NAP worden gemeten. Deze opnames moeten zorgvuldig worden geregistreerd op in gebruik zijnde TNO-formulieren en per kwartaal worden toegezonden aan de eenheid Water en Bodem van de provincie Overijssel.

Ingevolge het derde lid, dient de vergunninghouder, indien blijkt dat - als gevolg van de uitvoering van de ontgrondingswerkzaamheden - een nadelig hydrologisch effect op de omgeving ontstaat, op eerste aanwijzing en tot genoegen van of namens gedeputeerde staten afdoende maatregelen te treffen ter compensatie van dit nadelige effect.

Vergunningvoorschrift 8, derde lid, bepaalt dat ter voorkoming van grondmechanisch onveilige situaties binnen het terrein van vergunning de zuigwerkzaamheden zo zorgvuldig en gecontroleerd mogelijk moeten worden uitgevoerd. De vergunninghouder dient daarom de werkwijze, zoals beschreven in CUR Aanbeveling 113 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten' toe te passen.

2.3.4. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter niet aannemelijk dat de zandwinning verzakking tot gevolg zal hebben. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, blijkens pagina 24 van het advies, de uitbreiding in oostelijke richting van de zandwinplas met 300 meter resulteert in een verlaging van de grondwaterstand bovenstrooms van maximaal 0,03 meter, hetgeen volgens het advies verwaarloosbaar klein is. De grondwaterstand ten westen van de zandwinplas - waar de percelen van [appellant] zijn gelegen - verandert naar verwachting niet ten opzichte van de huidige situatie. Het zandwinproces is zuiver oppervlakkig waardoor uitsluitend zand kan afstromen langs het oppervlak van het talud naar de zuigbuis toe. Anders dan [appellant] veronderstelt, is bij de zandwinning geen sprake van horizontaal zandtransport vanonder de omliggende percelen. In de omstandigheid dat de gronden van [appellant] de afgelopen jaren reeds zijn verzakt, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vergunning niet of niet onder de daaraan verbonden voorschriften had mogen verlenen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de deskundige ter zitting aan de hand van een overzichtskaart bodemdaling 1962-2006 heeft toegelicht dat zich in de gehele polder bodemdaling voordoet door oxidatie van veengrond. Ter zitting is door [vergunninghoudster] te kennen gegeven dat zij in verband met de bodemdaling van de percelen van [appellant] desondanks bereid is grond die vrijkomt door de afgraving van de percelen voor de uitbreiding van de zandwinput aan te bieden aan [appellant] om deze daling te compenseren.

In het advies staat dat de ten oosten van de huidige zandwinplas gelegen vaart een belangrijke functie heeft voor het ontwateren van het poldergebied. Ook tijdens en na de uitbreiding van de zandwinput zal deze functie moeten blijven bestaan, aldus het advies. [appellant] heeft zijn stelling dat de verplaatsing van de vaart van invloed is op de waterhuishouding van het gebied rond de zandwinning niet nader onderbouwd.

Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het onderzoek onvoldoende is geweest en dat bij de besluitvorming niet van de bevindingen in het advies mocht worden uitgegaan. De voorzitter is van oordeel dat het college zich op basis van het advies in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor verzakking door de uitbreiding van de zandwinning niet behoeft te worden gevreesd.

2.3.5. Voor zover [appellant] stelt dat de gegevens over de grondwaterstanden kenbaar dienen te zijn, overweegt de voorzitter dat in het eerste lid van vergunningvoorschrift 5 een monitoringsverplichting is opgenomen inhoudende dat de grondwaterstanden en stijghoogten twee keer per maand dienen te worden gemeten tijdens de zandwinning en dat deze gegevens toegezonden dienen te worden aan de provincie. Ter zitting heeft het college verklaard dat deze gegevens openbaar zijn en derhalve door [appellant] kunnen worden ingezien.

2.3.6. Ten aanzien van de stabiliteit van de oevers staat in het aangepast advies dat de zandwinning zonder nieuwe incidenten kan plaatsvinden, indien de aanvullende maatregelen worden opgevolgd. Uit het bestreden besluit komt naar voren dat de maatregelen met betrekking tot de aan te houden taluds, onderwaterbermen en randstroken zijn vastgelegd in de vergunningvoorschriften en de bij het besluit behorende situatietekening. Gelet hierop, alsmede op de verplichting voor de vergunninghoudster om de CUR Aanbeveling 113 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten' toe te passen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kans op een oeverinscharing aanvaardbaar klein is. De voorzitter acht hierbij van belang dat [appellant] geen gegevens naar voren heeft gebracht die aanleiding gegeven om genoemd advies in twijfel te trekken.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij afweging van alle belangen niet in redelijkheid de ontgrondingsvergunning heeft kunnen verlenen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

177-586.