Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200901005/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het hoogheemraadschap) aan de gemeente Westland vergunning verleend voor het graven en dempen van water en het maken en hebben van kunstwerken binnen fase 3 en 4 van het woningbouwproject Woerdblok te Naaldwijk, waaraan het voorschrift is verbonden dat de kosten voor krozen en baggeren worden afgekocht voor een bedrag van € 14.887,25.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901005/1/H2.

Datum uitspraak: 9 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 december 2008 in de zaken met de nrs. 08/2750 en 08/2766 in het geding tussen:

1. [wederpartij], gevestigd te [plaats]

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het hoogheemraadschap) aan de gemeente Westland vergunning verleend voor het graven en dempen van water en het maken en hebben van kunstwerken binnen fase 3 en 4 van het woningbouwproject Woerdblok te Naaldwijk, waaraan het voorschrift is verbonden dat de kosten voor krozen en baggeren worden afgekocht voor een bedrag van € 14.887,25.

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het hoogheemraadschap het door [wederpartij], mede namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: het college), daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2008, verzonden op 30 december 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door het college daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 februari 2008 vernietigd in zoverre daarbij het bezwaar van het college niet-ontvankelijk is verklaard, het door het college ingediende bezwaarschrift alsnog ontvankelijk verklaard en het hoogheemraadschap opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het door het college ingediende bezwaarschrift met inachtneming van het in de uitspraak overwogene. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het hoogheemraadschap bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 6 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2009.

Het college en [wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar het hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door mr. T. Dreessen, werkzaam als juridisch adviseur bij het hoogheemraadschap, en mr. B. Hamburger, secretaris van de bezwaarschriftencommissie Awb Delfland, het college, vertegenwoordigd door mr. R. Jansen en mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht, en [wederpartij], eveneens vertegenwoordigd door mr. F.M.G.M. Leyendeckers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid onder d, voor zover thans van belang, bevat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar.

Ingevolge artikel 6:6, voor zover thans van belang, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 11 van de Verordening behandeling bezwaren Delfland (hierna: de Verordening), met als kopje "overdracht bevoegdheden", worden, voor zover thans van belang, de bevoegdheden van het bestuursorgaan op grond van artikel 2:1, tweede lid, en artikel 6:6 van de Awb voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

2.2. [wederpartij] heeft, mede namens het college, bij brief van 14 maart 2007 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 januari 2007.

Bij het besluit op bezwaar heeft het hoogheemraadschap, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie), de namens het college ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat [wederpartij] ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift niet bevoegd was om namens het college in bezwaar te gaan. Dat om een machtiging is verzocht en deze uiteindelijk alsnog bij brief van 7 december 2007 is ingediend, doet daar volgens het hoogheemraadschap niet aan af. Bij dezelfde brief heeft [wederpartij] voor de gronden van het bezwaarschrift verwezen naar de gronden in een vergelijkbare beroepsprocedure. Het hoogheemraadschap heeft deze gronden niet in de heroverweging betrokken, omdat deze eerst op 18 december 2007, twee dagen voor het horen door de commissie, bekend zijn geworden en dat te laat is.

De rechtbank heeft het door het college ingediende bezwaarschrift alsnog ontvankelijk verklaard, omdat de commissie na een eerste verzoek daartoe waaraan niet is voldaan, bij brief van 29 november 2007 een tweede termijn heeft gegund voor het indienen van de gronden en het overleggen van de machtiging en het college erop mocht vertrouwen dat het bezwaar, na het binnen die termijn voldoen aan het indienen van de gevraagde stukken, in behandeling zou worden genomen. De verwijzing door het college naar de in andere procedures ingediende gronden heeft de rechtbank voldoende geacht. Hoewel de procedures formeel los van elkaar staan, betreffen het alle procedures met betrekking tot het woningbouwproject Woerdblok en is het hoogheemraadschap als partij bij alle procedures betrokken en derhalve ambtshalve op de hoogte van de destijds ingebrachte gronden. Ten aanzien van de machtiging is de rechtbank voorts van oordeel dat de hierop vermelde datum niet bepalend is, maar dat doorslaggevend is of de machtiging is verleend.

2.3. Het hoogheemraadschap keert zich in hoger beroep allereerst tegen het oordeel van de rechtbank over het namens het college gemaakte bezwaar. Het hoogheemraadschap heeft aangevoerd dat de rechtbank het door het college ingediende bezwaarschrift ten onrechte alsnog ontvankelijk heeft verklaard, nu de commissie geen tweede hersteltermijn had mogen bieden en hij zich daardoor dan ook niet gebonden acht. Volgens het hoogheemraadschap leidt de rechtbank ten onrechte uit het briefpapier van de brief van 29 november 2007 en de locatie van de hoorzitting van de commissie af dat zij namens het hoogheemraadschap het vertrouwen kon wekken dat het college het verzuim binnen de tweede gestelde termijn kon herstellen. Met betrekking tot de latere indiening van de machtiging merkt het hoogheemraadschap verder op dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan e-mailcorrespondentie tussen de secretaris van de commissie en een vertegenwoordiger van het college. Daaruit blijkt volgens het hoogheemraadschap dat het college tot ruim na de geboden eerste hersteltermijn, namelijk tot en met 9 oktober 2007, niet wist dat namens hem een bezwaarschrift was ingediend.

2.3.1. Artikel 6:6 van de Awb moet aldus worden begrepen, dat op een bestuursorgaan dat voornemens is een bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren omdat het niet voldoet aan de wettelijke eisen, de verplichting rust de indiener van het bezwaarschrift uitdrukkelijk een termijn te stellen om dat gebrek te herstellen.

Voor het indienen van de gronden van het bezwaar is [wederpartij] bij brief van 21 maart 2007 door de commissie een dergelijke termijn gesteld waarbij zij er op is gewezen dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard bij overschrijding van die termijn. Zij is daarbij tevens verzocht een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat zij bevoegd is het college in de procedure te vertegenwoordigen. Daarop is door [wederpartij] niet gereageerd. Bij brief van 29 november 2007 heeft de commissie [wederpartij] vervolgens een tweede termijn gesteld voor het indienen van de gronden en haar weer verzocht de machtiging over te leggen. Binnen deze tweede termijn heeft [wederpartij] de gronden van het bezwaar en een machtiging ingediend.

Het hoogheemraadschap betoogt tevergeefs dat hij zich tijdens de hoorzitting van de commissie reeds op het standpunt heeft gesteld dat geen tweede termijn had mogen worden verleend en dat deze handelwijze van de commissie hem dan ook niet kan worden tegengeworpen. Ingevolge artikel 11 van de Verordening is de commissie bevoegd de aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid uit te oefenen om de indiener van een bezwaarschrift de gelegenheid te bieden een verzuim te herstellen. Reeds gelet daarop kan de ontvankelijkheid niet afstuiten op de omstandigheid dat het hoogheemraadschap niet kan instemmen met de door de commissie aan [wederpartij], na het verstrijken van de eerste termijn, zonder enig voorbehoud verleende tweede hersteltermijn. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat aldus de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat het college het geconstateerde verzuim binnen de tweede gestelde termijn kon herstellen en het bezwaar in behandeling zou worden genomen.

In hetgeen het hoogheemraadschap heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat [wederpartij] niet mede namens het college - handelend namens de gemeente - bezwaar had gemaakt en mocht maken.

2.4. Het hoogheemraadschap stelt zich verder op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gronden van het bezwaar afdoende heeft toegelicht door in de brief van 7 december 2007 te verwijzen naar de gronden in een andere procedure. Hij voert daartoe aan dat de procedures los van elkaar staan, het college geen partij is in de procedure waarnaar wordt verwezen en er mogelijkerwijs een verschil kan zitten tussen de relevante beroepsgronden van elk van deze procedures. Bovendien heeft niet het college maar [wederpartij] in de brief van 7 december 2007 verwezen naar de gronden in die andere procedure, zodat de uitspraak van de rechtbank is gebaseerd op een onjuist feit, aldus het hoogheemraadschap.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat [wederpartij] bij de brief van 7 december 2007 niet alleen heeft verwezen naar de gedingstukken van een andere procedure tegen het hoogheemraadschap, maar tevens heeft gesteld dat het voor de gemeente onduidelijk is op welke gronden het hoogheemraadschap een afkoopsom verlangt voor de uit te voeren werkzaamheden. Daarnaast heeft hij in de brief gesteld dat de opbouw van de afkoopsom niet inzichtelijk is, zodat hiermee niet kan worden ingestemd, en is het hoogheemraadschap verzocht om een motivering en een eventuele specificatie van de afkoopsom. Deze gronden zijn niet te summier om het bezwaar ontvankelijk te achten. Er bestond in dit geval vanaf 7 december 2007 voldoende duidelijkheid over de reden waarom bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 31 januari 2007. De verwijzing naar de gedingstukken van een andere procedure moet worden aangemerkt als een aanvullende motivering. Dat die nadere motivering eerst op 18 december 2007 aan het hoogheemraadschap bekend is geworden kan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.

Aangezien uit de brief van 7 december 2007 genoegzaam blijkt dat [wederpartij] namens het college handelde, is de uitspraak van de rechtbank op dit punt niet op een onjuist feit gebaseerd.

De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het college de gronden van het bezwaar afdoende heeft toegelicht in de brief van 7 december 2007. Het betoog van het hoogheemraadschap faalt derhalve.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover deze betrekking heeft op het beroep van het college (zaak nr. 08/2766), te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009

18-615.