Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200900293/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2007 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) op grond van het Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 aan de gemeente Nijmegen (hierna: de gemeente) een bijdrage toegekend van € 1.150.711,44.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 43 met annotatie van R. Ortlep
BA 2009/256
ABkort 2009/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900293/1/H2.

Datum uitspraak: 9 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de gemeente Nijmegen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 december 2008 in zaak nr. 08/2673 in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (lees: de gemeente Nijmegen)

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2007 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) op grond van het Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 aan de gemeente Nijmegen (hierna: de gemeente) een bijdrage toegekend van € 1.150.711,44.

Bij besluit van 25 april 2008 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, het besluit van 4 december 2007 gedeeltelijk herroepen en een totale bijdrage van € 1.173.927,62 toegekend.

Bij uitspraak van 2 december 2008, verzonden op 8 december 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) namens de gemeente daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2008 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeente bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 13 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar de gemeente, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, advocaat in dienst van de gemeente, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Wellenberg, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. De rechtbank heeft ambtshalve overwogen dat uit de artikelen 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet en 6:7 van de Awb volgt dat aan het college - handelend namens de gemeente - de bevoegdheid toekomt om bezwaar te maken, tenzij die bevoegdheid is overgedragen aan één of meer anderen, en dat een besluit tot het maken van bezwaar binnen de termijn van zes weken moet worden genomen. Een bevoegdheidsgebrek kan na het verstrijken van deze termijn niet meer worden geheeld.

In dit geval heeft de directeur van de Directie Wijk & Stad van de gemeente (hierna: de directeur) tegen het besluit van 4 december 2007 bezwaar gemaakt. Aangezien, zoals de gemeente desgevraagd aan de rechtbank heeft medegedeeld, de directeur daartoe niet was gemandateerd en het college ook niet zelf namens de gemeente gedurende de bezwaartermijn een besluit heeft genomen tot het maken van bezwaar, heeft de rechtbank overwogen dat de minister het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Omdat er volgens haar nog maar één uitkomst op het bezwaar mogelijk was, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Het betoog van de gemeente in hoger beroep komt er, samengevat, op neer dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien en daarbij het bezwaar gericht tegen het besluit van 4 december 2007 niet- ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Artikel 6:6 van de Awb bevat een bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar. Hieronder kan ook worden begrepen het desgevraagd overleggen van een machtiging of ander stuk waaruit de bevoegdheid tot het maken van bezwaar blijkt. Aangezien de minister niet heeft verlangd dat de bevoegdheid tot het maken van bezwaar zou worden aangetoond, maar het bezwaar inhoudelijk heeft behandeld, kan aan de door de minister aangenomen bevoegdheid in beroep niet worden afgedaan. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte onderzocht of de directeur bevoegd was bezwaar te maken en eveneens ten onrechte in de door haar aangenomen onbevoegdheid van de directeur aanleiding gezien het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

2.5. Gelet op het voorgaande, behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Nu het hoger beroep is gericht op het ongedaan maken van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en het op deze wijze zelf voorzien in de zaak door de rechtbank onlosmakelijk verbonden is met de door haar uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit op bezwaar van 25 april 2008, dient de aangevallen uitspraak geheel te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank om door haar verder te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 december 2008 in zaak nr. 08/2673;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. gelast dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de gemeente Nijmegen het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderdrieëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009

18-615.