Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200905223/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BIS Industrial Services Nederland B.V. (hierna: BIS) een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 7.1.2 van de milieuvergunning van 23 augustus 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905223/2/M1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BIS Industrial Services Nederland B.V., gevestigd te Zwartewaal, gemeente Brielle,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Brielle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BIS Industrial Services Nederland B.V. (hierna: BIS) een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 7.1.2 van de milieuvergunning van 23 augustus 2005.

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft het college het door BIS hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de begunstigingstermijn betreft en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft BIS bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2009, heeft BIS de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 augustus 2009, waar BIS, vertegenwoordigd door mr. J . van Groningen, advocaat te Middelharnis, en J.M. Verhoeven, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.C. Geense, K. Luijten en R. Wigbels, allen werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft het college een revisievergunning verleend voor een inrichting voor de assemblage van buis- en staalconstructies aan het Werfplein 5 te Zwartewaal, gemeente Brielle.

Ingevolge voorschrift 7.1.2 van deze vergunning mag in de avondperiode, voor zover hier van belang, het maximale geluidniveau veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor de vergunning is aangevraagd, ter plaatse van immissiepunt Noordeinde 2 niet meer bedragen dan 45 dB(A).

2.2.1. Op 1 januari 2008 zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden. Als uitvloeisel hiervan is voor de bij het besluit van 23 augustus 2005 vergunde inrichting geen vergunning meer vereist, zodat de bij dat besluit verleende vergunning is komen te vervallen.

2.2.2. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, worden voorschriften die zijn verbonden aan een vóór 1 januari 2008 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, die vóór die datum in werking en onherroepelijk was, gedurende drie jaar na die datum als maatwerkvoorschriften aangemerkt, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, meldt degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor de inwerkingtreding van artikel 1.10 en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel geen vergunning in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

Ingevolge artikel 6.4, tweede lid, van het Activiteitenbesluit doet degene die de inrichting drijft de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip waarop artikel 1.10 in werking is getreden. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.

2.2.3. De bij besluit van 23 augustus 2005 verleende milieuvergunning was vóór 1 januari 2008 onherroepelijk. Aangezien ook aan de andere voorwaarden in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is voldaan, dient voorschrift 7.1.2 van de milieuvergunning sindsdien te worden aangemerkt als een maatwerkvoorschrift. Dat de vergunning van 23 augustus 2005 niet aan BIS maar aan haar rechtsvoorganger is verleend en de thans binnen de inrichting verrichte activiteiten volgens BIS in belangrijke mate zijn gewijzigd ten opzichte van de destijds vergunde situatie, in die zin dat de activiteiten ook in de avonduren worden verricht, maakt dit niet anders. De tekst van de artikelen 6.1 en 6.4 van het Activiteitenbesluit noch de nota van toelichting hierop bevat enig aanknopingspunt voor het standpunt van BIS dat, indien de activiteiten binnen de inrichting in belangrijke mate zijn en/of de drijver van de inrichting na vergunningverlening is gewijzigd, aan het bepaalde in dit artikel geen betekenis toekomt en de inrichting daarmee moet worden gelijkgesteld met een inrichting als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.

2.3. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat het college op 14 augustus 2008 en 9 oktober 2008 in de avondperiode geluidmetingen heeft verricht. Op basis van deze metingen is geconcludeerd dat de in het als maatwerkvoorschrift geldende vergunningvoorschrift 7.1.2 gestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau ter hoogte van immissiepunt Noordeinde 2 ten tijde van de metingen werd overschreden, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Het college was ten tijde van het besluit van 2 december 2008 dan ook bevoegd om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen.

2.4. BIS betoogt, kort weergegeven, dat het gegeven de gewijzigde bedrijfssituatie en het akoestisch karakter van de omgeving waarin de inrichting is gelegen, onevenredig bezwarend is om tot handhaving over te gaan. Voorts heeft het college ten tijde van het bestreden besluit niet onderkend dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, aldus BIS.

2.4.1. Gezien het algemeen belang dat is gediend met de handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien een concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.2. In de omstandigheid dat in de nabije omgeving van de inrichting diverse activiteiten worden ontplooid die ieder voor zich een aanzienlijke bijdrage aan de geluidbelasting leveren, artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit ruimere geluidgrenswaarden voorschrijft dan die thans zijn vergund en het college erkent dat de bij besluit van 23 augustus 2005 vergunde grenswaarden voor het maximale geluidniveau laag zijn, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen, op grond waarvan van handhaving behoorde te worden afgezien. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het op de weg van BIS had gelegen om in een eerder stadium dan thans is gebeurd te verzoeken om intrekking dan wel wijziging van het maatwerkvoorschrift. Hoewel in het door BIS overgelegde akoestisch rapport maatregelen worden opgesomd waarmee de geluidbelasting vanwege de inrichting kan worden gereduceerd, is niet gebleken dat BIS een aanvang heeft gemaakt (een van) deze maatregelen ten uitvoer te brengen, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een concreet zicht op legalisatie geen sprake is. Voorts zijn geen termen aanwezig voor het oordeel, in aanmerking genomen de aard, de ernst en de omvang van de overtredingen, dat handhavend optreden zodanig evenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan had behoren af te zien.

2.5. BIS betoogt dat de begunstigingstermijn van zes weken na bekendmaking van het besluit van 18 juni 2009, waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, te kort is.

2.5.1. Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf de door het bestuursorgaan te omschrijven maatregelen te treffen.

2.5.2. De door het bestuursorgaan te stellen begunstigingstermijn dient gezien de omstandigheden van het geval toereikend te zijn.

In hetgeen BIS heeft aangevoerd ziet de voorzitter voorshands geen grond voor het oordeel dat de last redelijkerwijs niet binnen de gegeven begunstigingstermijn kon worden uitgevoerd dan wel dat het college deze termijn anderszins niet in redelijkheid heeft kunnen stellen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat, ondanks de omstandigheid dat BIS onderkent dat het treffen van maatregelen noodzakelijk is teneinde aan de geluidgrenswaarden te kunnen voldoen, door haar nog in het geheel geen aanvang is gemaakt met de realisatie daarvan.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Sparreboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009

195-489.