Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200904632/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2009 heeft de raad van de gemeente Hattem (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Hezenberg Park" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904632/2/R3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem, gevestigd te Hattem en [appellant], wonend te [plaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Hattem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2009 heeft de raad van de gemeente Hattem (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Hezenberg Park" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, en [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2009, hebben de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem en [appellant] en anderen (hierna in enkelvoud: de Vereniging) de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2009, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door J. Hoeksema en [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door M.V. ter Braak, ambtenaar in dienst van de gemeente zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Naar het oordeel van de voorzitter bestaat geen reden te twijfelen aan de ontvankelijkheid van de Vereniging Landschap en Milieu Hattem en van ten minste een deel van de verzoekers vertegenwoordigd door [appellant] in de hoofdzaak. Het betoog van [belanghebbende] ter zake slaagt niet.

2.3. Het plan voorziet in de bouw van zes woongebouwen met elk vijf appartementen op een perceel in het buitengebied van Hattem waar een bouwmaterialenhandel gevestigd was. Het perceel is ongeveer 14.500 m2 groot en de voormalige bebouwing van de bouwmaterialenhandel heeft een oppervlakte van ongeveer 3815 m2. Op grond van het plan zijn ter plaatse zes woongebouwen van 450 m2 toegestaan (totaal 2700 m2). Het plangebied ligt op ongeveer 500 meter van de kern Hattem en maakt onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS).

2.4. De Vereniging verzoekt schorsing van het plan ten einde onomkeerbare situaties te voorkomen. Zij voert daartoe onder meer aan dat het plan in strijd is met het functieveranderingsbeleid zoals dat is opgenomen in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) en de streekplanuitwerking Functieverandering Regio Noord-Veluwe (hierna: de streekplanuitwerking).

2.5. De raad heeft overwogen dat hij het functieveranderingsbeleid uit het streekplan en de daarop gebaseerde streekplanuitwerking onderschrijft en heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan in strijd is met het functieveranderingsbeleid uit de streekplanuitwerking omdat het plan niet voorziet in vervangende nieuwbouw in één gebouw en de bestaande gebouwen en opstallen niet met 50% worden gereduceerd. Omdat het plan niet past binnen het in de streekplanuitwerking geformuleerde beleid is, zo stelt de raad, sprake van een maatwerksituatie waaraan op grond van paragraaf 2.3.7 van het streekplan medewerking kan worden verleend. De raad heeft overwogen dat het plan past in de doelen van het functieveranderingsbeleid aangezien een reductie van 34% van de bestaande bebouwing wordt bereikt en de verharding van het perceel met ongeveer 56% afneemt. Daarnaast zal een vereveningsbijdrage worden betaald, waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van de robuuste ecologische verbindingszone "Hattemerpoort", aldus de raad.

2.6. In het streekplan is in paragraaf 2.3 het zogenoemde functieveranderingsbeleid verwoord. Dit beleid bevat voorwaarden waaronder medewerking kan worden verleend aan een wijziging van de bestemming van vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied. In paragraaf 2.3.4 zijn onder meer de voorwaarden voor functieverandering naar wonen opgenomen.

In paragraaf 2.3.6 van het streekplan is vermeld dat van het gestelde in paragraaf 2.3.4 kan worden afgeweken bij een regionale beleidsinvulling. Als een regionale beleidsinvulling is vastgesteld komt het daarin verwoorde beleid in de plaats van het generieke beleid zoals verwoord in het streekplan. In dit geval geldt de streekplanuitwerking als regionale beleidsinvulling.

2.7. In de streekplanuitwerking is, voor zover relevant, vermeld dat bij functieverandering van (agrarische) bedrijvigheid naar wonen binnen de EHS geldt dat maximaal 50% van de bebouwing mag worden gebruikt voor wonen in één woongebouw waarbinnen meerdere wooneenheden gerealiseerd kunnen worden. Bij een functieverandering naar wonen kan zowel hergebruik van bestaande bedrijfsgebouwen plaatsvinden als sloop en vervangende nieuwbouw. Als aanvullende regeling geldt dat in afwijking van het uitgangspunt dat één woongebouw wordt opgericht, het mogelijk is het bouwvolume onder te brengen in twee woongebouwen.

2.8. In paragraaf 2.3.7 'maatwerk voor bijzondere situaties' van het streekplan is functieveranderingsbeleid opgenomen voor bijzondere situaties. Functieverandering van omvangrijke gebouwen(complexen), waaronder vrijgekomen gebouwen op militaire en zorgterreinen, is zo stelt het streekplan mogelijk. In deze situaties moet maatwerk worden geleverd waarbij reductie van het bebouwd oppervlak uitgangspunt is en de overige condities van het functieveranderingsbeleid van toepassing zijn. Ook landgoederen als geheel (hoofdgebouw en meerdere boerderijen) kunnen worden beschouwd als grotere gebouwencomplexen. Als de functieverandering het hele landgoed betreft is maatwerk mogelijk, als evenwel voor individuele landbouwbedrijven op een landgoed functieverandering wordt aangevraagd, gelden de algemene regels voor functieverandering van vrijgekomen (agrarische) gebouwen.

2.9. De voorzitter overweegt dat uit de stukken, waaronder paragraaf 2.3 van de plantoelichting, blijkt dat de raad het provinciale functieveranderingsbeleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Anders dan [belanghebbende] ter zitting heeft betoogd is derhalve niet alleen de vraag aan de orde of de raad voldoende rekening heeft gehouden met het provinciale beleid, maar is ook de vraag aan de orde of de raad zijn eigen beleid juist heeft toegepast.

2.10. De voorzitter begrijpt de uitleg van de raad van het functieveranderingsbeleid aldus dat in het geval de functieverandering niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid uit de streekplanuitwerking, medewerking kan worden verleend aan de functieverandering op grond van het maatwerkbeleid voor bijzondere situaties. De voorzitter betwijfelt of de raad daarmee een juiste uitleg aan het beleid geeft. Het beleid voor de maatwerksituaties heeft volgens het streekplan betrekking op omvangrijke gebouwen(complexen) en het beleid in de streekplanuitwerking heeft betrekking op vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen. Voor het antwoord op de vraag of het beleid in de streekplanuitwerking dan wel het maatwerkbeleid van toepassing is, is derhalve niet bepalend of de functie na verandering al dan niet voldoet aan de voorwaarden van het beleid in de streekplanuitwerking, maar of de functie voor de functieverandering is aan te merken als een (agrarisch) bedrijf dan wel een omvangrijk gebouwencomplex (zoals bebouwing op militaire terreinen of zorgcomplexen).

2.10.1. In dit geval wordt aan een voormalig bedrijfsperceel een woonfunctie toegekend. Het bedrijfsperceel is ongeveer 14.500 m2 groot en de voormalige bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van ongeveer 3815 m2. Deze functieverandering valt onder het beleid van de streekplanuitwerking (functieverandering van (agrarische) bedrijfsgebouwen naar wonen) tenzij het terrein en de bebouwing van zodanige omvang zijn dat sprake is van een functieverandering van omvangrijke gebouwen(complexen). Dit laatste is echter naar het oordeel van de voorzitter niet aan de orde. De omvang van het perceel en de bebouwing zijn vergelijkbaar met de omvang van een groter agrarisch bedrijf, dat onder het functieveranderingsbeleid van de streekplanuitwerking valt. Hij verwijst daarbij naar het gestelde op bladzijde 7 van de streekplanuitwerking waar wordt aangegeven dat steeds meer grotere agrarische bedrijven met bedrijfsgebouwen met een omvang van 4.000 tot 5.000 m2 vrijkomen.

Het betoog van de Vereniging dat de raad ten onrechte het maatwerkbeleid voor bijzondere situaties ten grondslag heeft gelegd aan de vaststelling van het plan slaagt.

2.11. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in strijd is met het functieveranderingsbeleid uit de streekplanuitwerking omdat het plan niet voorziet in vervangende nieuwbouw in één of twee woongebouwen en omdat het niet voorziet in een reductie van 50% van de bestaande gebouwen en opstallen.

Het betoog van de Vereniging dat de raad reeds daarom het plan niet kon vaststellen slaagt niet. De raad kan, mits goed gemotiveerd, afwijken van het door hem toegepaste beleid.

2.12. In de plantoelichting is vermeld dat met de bouw van meerdere woongebouwen een betere spreiding van de bouwmassa over het perceel mogelijk wordt. De voorzitter is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat afwijking van het beleid op dit punt gerechtvaardigd is omdat met de bouw van meerdere woongebouwen een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt.

2.12.1. De voorzitter overweegt voorts dat in de stukken geen motivering is gegeven waarom in dit geval niet is vastgehouden aan het uitgangspunt dat de bestaande bebouwing met 50% wordt gereduceerd. Voor zover de raad ter zitting heeft beoogd terug te komen op het standpunt dat het plan op dit punt niet voldoet aan het beleid omdat met het voorliggende plan een reductie van 77% van de bouwmogelijkheden die het geldende plan biedt wordt bereikt, overweegt de voorzitter dat uit het streekplanbeleid duidelijk blijkt dat de reductie van 50% gerelateerd is aan bestaande bebouwing en niet aan (niet benutte) bouwmogelijkheden die een bestemmingsplan biedt.

Het motiveringsgebrek klemt te meer nu in de stukken evenmin inzichtelijk is gemaakt in hoeverre met het plan het oorspronkelijk aanwezige bouwvolume wordt teruggebracht. De voorzitter betrekt daarbij dat in het plan is voorzien in een bouwhoogte van 13 meter voor de woongebouwen en dat de aanwezige bebouwing bestond uit één (hoge) bouwlaag met een zadeldak.

2.13. Gezien het voorgaande is de voorzitter er niet van overtuigd dat de raad bij de vaststelling van het plan de afwijking van het functieveranderingsbeleid voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden van het verzoek behoeven gelet hierop geen bespreking.

2.14. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van een deskundigenrapport komen in deze procedure niet in aanmerking voor vergoeding omdat het rapport is opgesteld ten behoeve van de behandeling van de hoofdzaak. De reiskosten van de meegebrachte deskundige komen wel voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Hattem van 20 april 2009, waarbij het bestemmingsplan "Hezenberg Park" is vastgesteld;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Hattem tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem en [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 123,97 (zegge: honderddrieëntwintig euro en zevenennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de raad van de gemeente Hattem aan de vereniging Vereniging Landschap en Milieu Hattem en [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009

388.