Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ7155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
200902644/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2008, kenmerk 2008-41903, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan de gemeente Amsterdam een vergunning onder voorwaarden verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het realiseren van de woonwijk IJburg tweede fase in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2010/6
M en R 2010, 19 met annotatie van J.M. Verschuuren
Milieurecht Totaal 2009/3873
TBR 2009/201 met annotatie van R.H.W. Frins
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902644/2/R2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer, gevestigd te Castricum,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2008, kenmerk 2008-41903, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) aan de gemeente Amsterdam een vergunning onder voorwaarden verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het realiseren van de woonwijk IJburg tweede fase in Amsterdam.

Bij besluit van 5 maart 2009, kenmerk 2009-12509, heeft het college het door de stichting Stichting Verantwoord Beheer IJsselmeer (hierna: de Stichting) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2009. Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2009, heeft de Stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 augustus 2009, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en ing. M. Doevendans, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhout, advocaat te Amsterdam, en Projectbureau IJburg, vertegenwoordigd door mr. drs. F. Onrust.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vergunning heeft betrekking op het realiseren en het gebruik van de nieuwe woonwijk IJburg tweede fase (hierna: IJburg II). IJburg II zal bestaan uit vier eilanden in het IJmeer met een totale oppervlakte van 218 hectare. Er is een passende beoordeling gemaakt vanwege de ligging van het plangebied nabij het Natura 2000-gebied IJmeer.

2.3. De Stichting heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend ten einde een onomkeerbare situatie te voorkomen. Zij betoogt dat bij het bestreden besluit haar bezwaren ten onrechte ongegrond zijn verklaard en het besluit tot verlening van de vergunning ten onrechte is gehandhaafd. Hiertoe voert de Stichting allereerst aan dat het plangebied van IJburg II bij het aanwijzingsbesluit ten onrechte op niet-ornithologische gronden buiten de begrenzing van de speciale beschermingszone IJmeer (hierna: SBZ IJmeer) is gehouden. Omdat het plangebied niet is aangemerkt als SBZ, is de toepassing van de Vogelrichtlijn volgens haar niet verzekerd en daarom wordt een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van deze richtlijn.

2.3.1. Niet in geschil is dat het plangebied van IJburg II grenst aan de SBZ IJmeer als bedoeld in de Vogelrichtlijn en aan het beoogde Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer, zoals vastgelegd in het ontwerpbesluit van dat gebied. De begrenzing van de SBZ is vastgelegd in het aanwijzingsbesluit van 24 maart 2000. Het plangebied maakt geen deel uit van de SBZ IJmeer, zoals dat bij dit besluit is aangewezen. Dit aanwijzingsbesluit is herzien, omdat de begrenzing zoals beschreven in de nota van toelichting van het aanwijzingsbesluit en de kaart niet met elkaar in overeenstemming waren. Het plangebied maakt na de herziening evenmin deel uit van de SBZ IJmeer. Nu deze aanwijzingsbesluiten onherroepelijk zijn, heeft het college het plangebied terecht niet aangemerkt als onderdeel van de SBZ IJmeer of het beoogde Natura 2000-gebied. Het college heeft wel vanwege de externe werking terecht getoetst aan het in de Nbw 1998 neergelegde beschermingsregime waarin de Vogelrichtlijn is geïmplementeerd. Anders dan de Stichting stelt is rechtstreekse werking van deze richtlijn derhalve niet aan de orde.

2.4. De Stichting bestrijdt de conclusie uit de passende beoordeling dat geen significante effecten te verwachten zijn. Bij de passende beoordeling zijn volgens haar ten onrechte mitigerende maatregelen betrokken, waardoor ten onrechte niet aan de zogenoemde ADC-criteria is getoetst. In dit kader brengt de Stichting naar voren dat naar haar mening geen sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, omdat vanwege de bevolkingsdaling minder behoefte bestaan aan woningen.

2.4.1. Aan de hand van de artikelen 19d tot en met 19h van de Nbw 1998 dient het college te beoordelen of een vergunning als bedoeld in artikel 19d van die wet kan worden verleend. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vierde lid, van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van die wet kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.4.2. De aanwijzing tot SBZ IJmeer en tot Natura 2000-gebied heeft betrekking op de vogelsoorten, voor zover hier van belang, tafeleend, kuifeend, topper, brilduiker, nonnetje en meerkoet. In het ontwerpbesluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen van de vogelsoorten gesteld op het behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied van de soorten.

Op grond van de voortoets kon geen zekerheid worden verkregen dat IJburg II geen significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de SBZ IJmeer. Daarom is in een passende beoordeling onderzocht of voor de in het plangebied voorkomende vogelsoorten het verlies van de natuurwaarden aldaar een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het IJmeer inhouden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Passende beoordeling IJburg tweede fase' van 13 november 2007 van Ingenieursbureau Gemeente Amsterdam. Bij deze passende beoordeling is onder meer gebruik gemaakt van het door het onderzoeksinstituut Alterra/RIZA verrichtte onderzoek naar de gevolgen van de aanleg van IJburg II voor de watervogels. In hoofdstuk 8 van de passende beoordeling staat dat in het basisalternatief-plus maatregelen worden opgenomen om significant negatieve effecten van IJburg II op SBZ IJmeer te voorkomen. Het gaat om de volgende maatregelen: de realisatie van 132 hectare mosselbank binnen het plangebied, het landmaken binnen ringdijken met retourwaterlozingen via bezinkingsvelden, het treffen van inrichtingsmaatregelen aan de oevers van de eilanden, het situeren van stranden aan de westkant van het Middeneiland en deels naar de oostkant van het Middeneiland en het Strandeiland waarbij de afstand van het strand op het Strandeiland 250 meter bedraagt en het instellen van vaar- en aanlegverboden rond de eilanden van IJburg II, met uitzondering van de IJburgerbaai. In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat de aanleg van IJburg II inclusief de daaraan verbonden maatregelen niet leidt tot significante effecten op de SBZ IJmeer en dat de aanleg van IJburg II de mogelijkheid voor een herstel van de SBZ (dat wil zeggen de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken) niet in de weg staat.

De voorzitter ziet voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de passende beoordeling niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel onjuistheden bevat en dat deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de Stichting stelt, mitigerende maatregelen betrokken mogen worden bij de passende beoordeling. Ook met de aanleg van de mosselbank mag rekening worden gehouden indien deze al niet als onderdeel van het project moet worden beschouwd. Mitigerende maatregelen dienen slechts buiten beschouwing te blijven bij de beantwoording van de vraag in de voortoets of significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Voorts betrekt de voorzitter bij zijn oordeel dat de passende beoordeling is voorgelegd aan Imares en dat Imares bij brief van 19 december 2007 heeft aangegeven dat de passende beoordeling een correcte en zinvolle vertaling bevat van de aanbevelingen uit het Alterra/RIZA rapport.

In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen grond om aan de juistheid van de conclusie van de passende beoordeling te twijfelen. Nu de ADC-criteria eerst aan de orde komen nadat de uitkomst van de passende beoordeling is dat geen zekerheid kan worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zullen worden aangetast, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat aan deze criteria niet getoetst hoeft te worden. Hetgeen de Stichting heeft betoogd ten aanzien van de dwingende redenen van groot openbaar belang behoeft dan ook geen bespreking.

2.5. De Stichting voert voorts aan dat de locatie van de nieuwe mosselbanken niet geschikt is vanwege de nabijheid van bebouwing.

2.5.1. In paragraaf 6.3.5 van de passende beoordeling staat dat driehoeksmosselen een belangrijke voedselbron vormen voor kuifeenden, tafeleenden, brilduikers, toppers en meerkoeten. Bij een afname van het aantal driehoeksmosselen op elke willekeurige locatie binnen het IJsselmeergebied valt een evenredige afname van de genoemde vogelsoorten te verwachten. Door het bedekken van de bodem met zand ten behoeve van de realisatie van de eilanden van IJburg II zullen de ter plaatse aanwezige driehoeksmosselen blijvend verdwijnen, aldus de passende beoordeling. Om het verlies aan driehoeksmosselen goed te maken en ervoor te zorgen dat er voldoende voedsel aanwezig blijft voor de watervogels wordt een mosselbank aangelegd met een oppervlakte van 132 hectare. Ten aanzien van de locatie vermeldt de passende beoordeling dat de mosselbanken zijn gepland op een afstand van minimaal 20 meter vanaf de oevers. Waar de mosselbank tot vlak voor de kust komt, worden langs de oevers maatregelen getroffen zodat de invloed van de menselijke activiteiten zoals verkeer en lichtbronnen op het water beperkt blijft tot maximaal enkele tientallen meters.

2.5.2. Voor zover de Stichting vreest voor verstoring van de foerageermogelijkheden van vogelsoorten vanwege de locatie van de mosselbanken, overweegt de voorzitter als volgt. Uit de stukken (waaronder voorschrift 5 van de vergunning) en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat de mosselbanken naar rato worden aangelegd en dat het landmaken niet eerder zal plaatsvinden dan nadat de nieuwe mosselbanken functioneren. Het college van burgemeester en wethouders heeft ter zitting uiteengezet dat de eerste resultaten van de monitoringsgegevens positief zijn en dat de mosselbanken goed aanslaan. De kortste afstand tussen de mosselbanken en de voorziene eilanden bedraagt ongeveer 25 meter. In de reactie op de zienswijzen zoals neergelegd in het primaire besluit staat dat de nieuwe waterkering door het gebruik van stortstenen taluds ongeschikt wordt gemaakt voor recreatie langs het water en aanmeren. Daarnaast foerageren watervogels vooral 's nachts en in de wintermaanden. De invloed van recreatie vanaf het land en waterrecreatie moet beperkt worden geacht. De Stichting heeft dit niet gemotiveerd betwist. Ten aanzien van eventuele verstoring door bebouwing of lichthinder heeft het college in het primaire besluit gesteld dat mobiele verlichting van auto's weliswaar een verstorende werking kan hebben, maar dat vanwege de verlaagde ligging van de wegen achter de dijken op het Haveneiland verreikende lichtbundels van auto's worden tegengegaan. Tevens is in vergunningvoorschrift 6 bepaald dat afschermingen worden gerealiseerd ten einde verstoring door over het water scherende koplampen van auto's tegen te gaan.

De voorzitter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie van de mosselbanken niet tot verstoring van de foeragerende vogelsoorten zal leiden.

2.6. Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen de betrokken belangen, acht de voorzitter geen reden aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009

177-586.