Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
200903594/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BI1634, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Griekenland / interstatelijk vertrouwensbeginsel / 3 EVRM / detentieomstandigheden

Voor zover de klacht van de vreemdelingen ziet op het risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting door de Griekse autoriteiten naar hun land van herkomst dan wel naar Turkije, overweegt de Afdeling, mede onder verwijzing naar de beslissing van het EHRM van 2 december 2008 in zaak nr. 32733/08, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: de beslissing inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk; JV 2009/41) en de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2009 in zaak nr. 200805984/1 (www.raadvanstate.nl), dat de door de vreemdelingen overgelegde algemene stukken geen concrete aanknopingspunten bevatten dat Griekenland Iraakse asielzoekers die, zoals de vreemdelingen, in het kader van de Verordening zijn overgedragen, in strijd met zijn non refoulementverplichtingen verwijdert. (…)

Gelet op het voorgaande houdt de Afdeling het er vooralsnog voor dat niet is uit te sluiten dat aan Griekenland overgedragen asielzoekers een aantal dagen bij het vliegveld in Athene worden gedetineerd.(…)

Uit de door de vreemdelingen ingeroepen stukken kan weliswaar worden afgeleid dat in voorkomend geval overgedragen asielzoekers in Griekenland gedetineerd zijn geweest onder onwenselijke en in bepaalde opzichten zorgwekkende omstandigheden, doch met deze stukken hebben de vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat door Nederland aan Griekenland op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers systematisch worden blootgesteld aan een behandeling die als onmenselijk is te kwalificeren. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de door de vreemdelingen ingeroepen, door de President van het EHRM getroffen, interim measures niet van een motivering zijn voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis. De ingeroepen interim measures, noch de daarin gestelde vragen bieden derhalve grond voor de conclusie dat het EHRM thans van oordeel is dat de detentieomstandigheden in Griekenland zonder meer aan de overdracht van asielzoekers aan Griekenland in de weg staan.

Met de ingeroepen stukken hebben de vreemdelingen voorts evenmin aannemelijk gemaakt dat in hun geval de omstandigheden waaronder een mogelijke detentie kan plaatsvinden, mede gelet op de omstandigheid dat hun gezin mede uit drie minderjarige kinderen bestaat, een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. (…)

Gelet op de korte duur van de detentie en hetgeen bekend is omtrent de omstandigheden waaronder die plaatsvindt, is niet aannemelijk gemaakt dat de vreemdelingen – met inbegrip van de kwetsbare positie van hun minderjarige kinderen – een reëel risico lopen onder dusdanig slechte omstandigheden te worden gedetineerd dat zelfs een detentie van enkele dagen strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 1670
JV 2009/389 met annotatie van HBA
RV20090011 met annotatie van Spijkerboer T.P. Thomas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903594/1/V3.

Datum uitspraak: 31 augustus 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling 3],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 20 april 2009 in zaken nrs. 08/40339, 08/40559 en 08/40563 in de gedingen tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling 3],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 12 november 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling 3], (hierna: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 mei 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdelingen hebben, bij brieven van 10 en 14 juli 2009, nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft, bij brief van 14 juli 2009, een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2009, waar de vreemdelingen, bijgestaan door mr. A.A.W.A. Vissers, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen. De zaak is ter zitting tegelijkertijd behandeld met de zaken nrs. 200904216/1/V3 en 200904354/1/V3.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

2.2. De vreemdelingen klagen in hun grief onder verwijzing naar diverse stukken, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt heeft mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Griekenland zijn uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM voortvloeiende verdragsverplichtingen nakomt.

Zij betogen daartoe dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de informatie die over Griekenland bekend is en waaruit blijkt dat Griekenland asielzoekers die na binnenkomst worden gedetineerd, inhumaan behandelt en dat zij na terugkeer in Griekenland daarnaast een risico lopen te worden uitgezet naar hun land van herkomst dan wel naar Turkije, terwijl zij niet in staat zijn daartegen een effectief rechtsmiddel aan te wenden.

2.3. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat de in rechtsoverweging 2.4.1. van de aangevallen uitspraak genoemde algemene stukken geen concrete aanknopingspunten bevatten, die erop wijzen dat de daarin gesignaleerde tekortkomingen ertoe leiden dat Griekenland ten aanzien van asielzoekers die, zoals de vreemdelingen, op grond van de Verordening aan Griekenland worden overgedragen, zijn uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen niet nakomt. Voor zover de vreemdelingen klagen dat de omstandigheden waaronder asielzoekers in Griekenland (in detentie) verblijven op zichzelf reeds in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM, heeft de rechtbank overwogen dat zij hieromtrent bij de Griekse autoriteiten behoren te klagen.

2.4. Naast de in de aangevallen uitspraak genoemde stukken, hebben de vreemdelingen in hun brief van 10 juli 2009, ter nadere onderbouwing van hun grief, de volgende stukken ingeroepen:

- een rapport van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, Th. Hammarberg, van 4 februari 2009;

- een verklaring van Amnesty International van 15 mei 2009;

- een rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 30 juni 2009.

Daarnaast hebben zij een beroep gedaan op door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in andere zaken getroffen interim measures. Zij wijzen in dit verband met name op een interim measure van 5 juni 2009, waarin de President van het EHRM onder meer aan Griekenland heeft gevraagd of een op grond van de Verordening overgedragen asielzoeker het risico loopt te worden gedetineerd. Verder wijzen zij op een uitspraak van het Tribunal Administratif de Paris van 20 april 2009, waarin is bepaald dat de betreffende vreemdeling niet naar Griekenland mag worden uitgezet.

In hun brief van 14 juli 2009 wijzen de vreemdelingen op een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 juli 2009 in zaak nr. 09/5557 (LJN BJ2413).

Ter zitting van de Afdeling hebben de vreemdelingen onder meer gewezen op de omstandigheid dat de President van het EHRM nog steeds verzoeken om interim measures toewijst en merken zij op dat dit moet worden gezien in het licht van het arrest van het EHRM van 11 juni 2009 in zaak nr. 53541/07, S.D. tegen Griekenland (hierna: het arrest inzake S.D. tegen Griekenland; www.echr.coe.int/echr), waarin het EHRM onder meer heeft overwogen dat Griekenland jegens S.D. artikel 3 van het EVRM heeft geschonden vanwege de slechte detentieomstandigheden.

2.5. Voor zover de klacht van de vreemdelingen ziet op het risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij uitzetting door de Griekse autoriteiten naar hun land van herkomst dan wel naar Turkije, overweegt de Afdeling, mede onder verwijzing naar de beslissing van het EHRM van 2 december 2008 in zaak nr. 32733/08, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: de beslissing inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk; JV 2009/41) en de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2009 in zaak nr. 200805984/1 (www.raadvanstate.nl), dat de door de vreemdelingen overgelegde algemene stukken geen concrete aanknopingspunten bevatten dat Griekenland Iraakse asielzoekers die, zoals de vreemdelingen, in het kader van de Verordening zijn overgedragen, in strijd met zijn non refoulementverplichtingen verwijdert. Reeds gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt heeft mogen stellen, dat ervan mag worden uitgegaan dat Griekenland in zoverre zijn verdragsverplichtingen zal nakomen.

Dit onderdeel van de grief faalt.

2.6. Voor zover de klacht van de vreemdelingen ziet op het risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij een mogelijke detentie in Griekenland vanwege de omstandigheden waaronder die detentie plaatsvindt, overweegt de Afdeling, mede onder verwijzing naar voormelde beslissing inzake K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, dat de vreemdelingen deze klacht in beginsel bij de Griekse autoriteiten naar voren dienen te brengen en zonodig daarna bij het EHRM. Voor zover de vreemdelingen betogen dat zij het risico lopen direct na aankomst in Griekenland te worden gedetineerd en niet in staat zullen zijn om daartegen een effectief rechtsmiddel aan te wenden, overweegt de Afdeling het volgende.

2.6.1. Uit de jurisprudentie van het EHRM valt af te leiden dat een detentie een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM oplevert, wanneer de detentie een minimum niveau van hardheid ("minimum level of severity") bereikt. De beoordeling van dit niveau van hardheid is relatief en moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kunnen meerdere omstandigheden een rol spelen, waaronder de duur van de detentie, de omstandigheden waaronder de detentie plaatsvindt (fysieke en mentale effecten) en de persoonlijke omstandigheden van de gedetineerde, zoals bijvoorbeeld de sexe, leeftijd en gezondheidstoestand (zie bijvoorbeeld arresten van het EHRM van 15 november 2001 in zaak nr. 25196/94, Iwanczuk tegen Polen, EHRC, 2001, 91 en 2 juli 2009 in zaak nr. 41653/05, Kochetkov tegen Estland, www.echr.coe.int/echr).

2.6.2. In een gezamenlijk rapport van de Norwegian Organisation for Asylum Seekers, Norwegian Helsinki Committee en Greek Helsinki Monitor van 9 april 2008 (hierna: het NOAS-rapport) staat dat overgedragen asielzoekers na aankomst in Athene worden overgedragen aan de Griekse politie en dat zij daarna een aantal dagen worden vastgehouden (pagina 48 en 51). Voorts staat in het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van 15 april 2008 dat Dublinclaimanten bij aankomst in Griekenland worden gedetineerd (pagina 2).

2.6.3. De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling gewezen op praktische afspraken die hij met de Griekse autoriteiten heeft gemaakt. Hierbij is onder meer afgesproken dat Griekenland minimaal tien dagen voor de voorgenomen overdrachtsdatum hiervan in kennis wordt gesteld, er niet meer dan veertig personen per week worden overgedragen en een Nederlandse ambtenaar bij de overdracht aanwezig is om het proces zo soepel mogelijk te laten verlopen. Deze ambtenaar observeert of alles goed verloopt. Ook is afgesproken dat overgedragen asielzoekers een asielverzoek op de luchthaven kunnen indienen. De staatssecretaris heeft ter zitting betoogd dat hij niet over gegevens beschikt waaruit blijkt dat asielzoekers die door Nederland op grond van de Verordening worden overgedragen, in Griekenland worden gedetineerd. Zo van detentie al sprake zou zijn, vindt deze, aldus de staatssecretaris, niet plaats onder omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM. Verder heeft hij erop gewezen dat op dit moment een Nederlands multidisciplinair team in Griekenland inventariseert in hoeverre Nederland Griekenland op operationeel niveau kan bijstaan.

2.6.4. Hoewel de hiervoor beschreven afspraken duidelijk maken dat de Griekse en de Nederlandse autoriteiten in bilateraal overleg samenwerken aan een zorgvuldige overdracht van Dublinclaimanten, valt hieruit niet af te leiden dat de Griekse autoriteiten hebben toegezegd dat door Nederland overgedragen asielzoekers niet (meer) zullen worden gedetineerd. Uit de door de staatssecretaris overgelegde brief van 22 juni 2009 van de Griekse regering aan het EHRM valt dit evenmin af te leiden.

Gelet op het voorgaande houdt de Afdeling het er vooralsnog voor dat niet is uit te sluiten dat aan Griekenland overgedragen asielzoekers een aantal dagen bij het vliegveld in Athene worden gedetineerd.

2.6.5. Over de feitelijke omstandigheden waaronder een mogelijke detentie na overdracht als hiervoor bedoeld plaatsvindt, staat weinig in de door de vreemdelingen ingeroepen stukken. De meeste informatie ziet op de detentieomstandigheden van asielzoekers nadat zij Griekenland voor het eerst zijn binnengekomen. Het door de vreemdelingen ingeroepen arrest inzake S.D. tegen Griekenland betreft een dergelijke asielzoeker, te weten een Turkse man die vanuit zijn land van herkomst naar Griekenland is gereisd, die daar direct is gearresteerd vanwege illegale inreis en die op een later moment in Griekenland asiel heeft aangevraagd. Voorts is de betrokken persoon niet gedetineerd bij het vliegveld in Athene maar eerst bij het bureau van de grensbewaking in Soufli in Noord-Griekenland gedurende ruim acht weken en later in het detentiecentrum Petrou Rali gedurende één week. Er bestaat geen grond om aan de hand van de negatieve berichtgeving over andere detentiefaciliteiten in Griekenland zonder meer een vergelijkbare conclusie te trekken ten aanzien van de omstandigheden bij het vliegveld in Athene.

In het NOAS-rapport (pagina 48) staat dat de detentie van Dublinclaimanten plaatsvindt onder bijzonder onbevredigende omstandigheden. Verder zijn in dit rapport (pagina 63 en volgende) verklaringen opgenomen van asielzoekers die na overdracht bij het vliegveld in Athene zijn gedetineerd. In twee van deze verklaringen wordt gewag gemaakt van slechte hygiënische omstandigheden, zoals vieze matrassen, te weinig frisse lucht en vies of geen beddengoed. In de overige verklaringen staat hierover niets. Human Rights Watch heeft in een rapport van november 2008 (pagina 5) haar zorgen uitgesproken over de omstandigheden waaronder Dublinclaimanten bij terugkeer in Griekenland bij het vliegveld in Athene worden gedetineerd. In dit rapport is een aantal verklaringen opgenomen van overgedragen asielzoekers die klagen over, onder meer, overbevolking en slechte hygiënische omstandigheden (pagina 79-80 en 115 e.v.).

2.6.6. Uit de door de vreemdelingen ingeroepen stukken kan weliswaar worden afgeleid dat in voorkomend geval overgedragen asielzoekers in Griekenland gedetineerd zijn geweest onder onwenselijke en in bepaalde opzichten zorgwekkende omstandigheden, doch met deze stukken hebben de vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat door Nederland aan Griekenland op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers systematisch worden blootgesteld aan een behandeling die als onmenselijk is te kwalificeren. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat de door de vreemdelingen ingeroepen, door de President van het EHRM getroffen, interim measures niet van een motivering zijn voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis. De ingeroepen interim measures, noch de daarin gestelde vragen bieden derhalve grond voor de conclusie dat het EHRM thans van oordeel is dat de detentieomstandigheden in Griekenland zonder meer aan de overdracht van asielzoekers aan Griekenland in de weg staan.

Met de ingeroepen stukken hebben de vreemdelingen voorts evenmin aannemelijk gemaakt dat in hun geval de omstandigheden waaronder een mogelijke detentie kan plaatsvinden, mede gelet op de omstandigheid dat hun gezin mede uit drie minderjarige kinderen bestaat, een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. Hoewel een mogelijke detentie zou kunnen plaatsvinden onder omstandigheden die niet voldoen aan de Nederlandse maatstaven, leidt dit, gezien de onder 2.6.1. genoemde jurisprudentie van het EHRM, niet zonder meer tot de conclusie dat die detentie een onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. Gelet op de korte duur van de detentie en hetgeen bekend is omtrent de omstandigheden waaronder die plaatsvindt, is niet aannemelijk gemaakt dat de vreemdelingen – met inbegrip van de kwetsbare positie van hun minderjarige kinderen – een reëel risico lopen onder dusdanig slechte omstandigheden te worden gedetineerd dat zelfs een detentie van enkele dagen strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM.

Daargelaten of de vreemdelingen hun klacht over de detentieomstandigheden in Griekenland in beginsel bij de Griekse autoriteiten naar voren moeten brengen, heeft de rechtbank, in het licht van het vorenstaande, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat Griekenland zijn internationale verplichtingen niet nakomt en er dientengevolge geen aanleiding is gebruik te maken van de hem in artikel 3, tweede lid, van de Verordening gegeven bevoegdheid, de toetsing in rechte niet kan doorstaan. Dit onderdeel van de grief slaagt evenmin.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Dokkum

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009

480.

Verzonden: 31 augustus 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak