Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200808724/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Blaricum (hierna: het college) aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het veranderen van de woning op het perceel [locatie] te Blaricum (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Woningwet
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/384
JOM 2010/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808724/1/H1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2008 in zaak nr. 06/5725 in het geding tussen:

[appellante sub 1],

en

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Blaricum (hierna: het college) aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het veranderen van de woning op het perceel [locatie] te Blaricum (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 november 2006 heeft het college het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college het besluit van 7 november 2006 herroepen, het door [appellante sub 1] tegen het besluit van 22 maart 2006 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 oktober 2008, verzonden op 24 oktober 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2008, en [appellant sub 2] bij brief, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college het door [appellante sub 1] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 22 maart 2006 gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellante sub 1] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 200808577/1/H1, ter zitting behandeld op 27 juli 2009, waar [appellante sub 1], in persoon, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren NH, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het vernieuwen van de dakconstructie van het pand op het perceel en in het veranderen van de eerste verdieping. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Zand en Veen" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden (W)".

2.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften wordt, voor zover thans van belang, bij de toepassing van deze voorschriften als volgt gemeten: afstanden tussen (de verticale projectie van) bouwwerken onderling alsmede afstanden van (de verticale projectie van) bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn, op een hoogte van 1.50 m boven het maaiveld.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, mogen, indien afstanden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk II is toegestaan, deze bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

Ingevolge het in hoofdstuk II opgenomen artikel 12, derde lid, gelden, voor zover thans van belang, voor het bouwen op de op de kaart voor "Woondoeleinden (W)" aangewezen gronden de aanduidingen op de kaart, het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen en de volgende bepalingen:

(…);

g. de afstand van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en niet-vrijstaande overkappingen tot perceelsgrenzen mag, voor zover het percelen betreft met meer dan één van de weg afgekeerde perceelsgrens (zoals aangegeven op figuur VS1), niet minder bedragen dan 7.00 m, indien de oppervlakte van het perceel, voor zover bestemd tot "Woondoeleinden" en "Tuinen", kleiner of gelijk is aan 1.000 m²;

(…).

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestond of nadien legaal is of kan worden gebouwd en dat van het plan afwijkt, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot.

2.3. Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellante sub 1] geen belang heeft bij het besluit van 22 maart 2006, faalt. Dit besluit betreft een bouwplan, dat ziet op de woning op het perceel naast het hare en waarop zij zicht heeft. Reeds daarom heeft zij een rechtstreeks belang bij dat besluit. Het betoog van [appellant sub 2] dat bij realisering van het bouwplan voor [appellante sub 1] niets verandert, is feitelijk onjuist, reeds omdat de woning 2,5 m hoger wordt.

2.4. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar beroep tegen het besluit van 7 november 2006 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Weliswaar is dat besluit herroepen, maar zij heeft belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit, omdat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, schade heeft geleden, bestaande uit de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. De door [appellante sub 1] gestelde schade ziet op gemaakte kosten voor rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen, door haar zelf en op eigen naam, van processtukken ten behoeve van haar beroep tegen het besluit op bezwaar van 7 november 2006, alsmede gemaakte reiskosten. Deze kosten dienen als proceskosten te worden aangemerkt. De vergoeding van zodanige kosten dient te worden bepaald met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de bepalingen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2005 in zaak no. 200406181/1, geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Nu, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het besluit op bezwaar van 7 november 2006, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk is.

Geen van de door [appellante sub 1] opgegeven kosten valt onder de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde kosten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 juli 2008 in zaak nr. 200704095/4 komen alleen de door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking, indien kenbaar is dat deze proceshandelingen, zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, heeft verricht. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet is gebleken.

2.5. [appellant sub 2] bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. Onder verwijzing naar artikel 2, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften en de bouwtekening behorende bij de vergunning tot oprichting van de woning van 7 februari 1955 voert hij in dit verband aan dat bij realisering van het bouwplan de afstand van de woning tot de perceelsgrens niet kleiner wordt dan op het tijdstip van de terinzagelegging van het bestemmingsplan het geval was.

[appellante sub 1] wenst een verdergaande vernietiging van het besluit van 9 januari 2007. Zij betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2005 in zaak nr. 200407588/1, dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5 van de planvoorschriften buiten toepassing moet blijven vanwege strijd met de rechtszekerheid, omdat in een geval als het onderhavige onduidelijk is of een afwijking onder artikel 5 van de planvoorschriften valt en dus positief is bestemd of onder het overgangsrecht als neergelegd in artikel 32 van de planvoorschriften. Mocht worden geoordeeld dat artikel 5 van de planvoorschriften niet buiten toepassing blijft, dan, zo betoogt zij, heeft de rechtbank miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, omdat de afstand tot de perceelsgrens thans is verkleind tot 1,25 m.

2.5.1. In het besluit van 9 januari 2007 heeft het college vermeld dat de woning is gesitueerd op 4,5 m van de zijdelingse perceelsgrens en dat op grond van artikel 5 van de planvoorschriften deze bestaande toestand is toegestaan. De rechtbank heeft dit besluit vanwege het ontbreken van een draagkrachtige motivering vernietigd, omdat niet duidelijk is geworden op welk moment in de jaren tussen 1954 (lees: 1955) en 2006 de noordgevel is gewijzigd, zodat niet kan worden vastgesteld wat de situatie was ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

2.5.2. Het betoog van [appellante sub 1], dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5 van de planvoorschriften buiten toepassing moet blijven, faalt. Zoals ter zitting is bevestigd, staat vast dat de bestaande noordgevel van de woning ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 4,5 m afstand van de perceelsgrens was gesitueerd. Artikel 5 van de planvoorschriften kan niet anders worden begrepen dan dat die bepaling er toe strekt dat deze ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande afstand tot de perceelsgrens, in afwijking van artikel 12, derde lid, onder g, van de planvoorschriften, dat een minimaal in acht te nemen afstand van de perceelsgrens van 7 m voorschrijft, als zodanig is bestemd. Aan het in artikel 32 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht komt in het onderhavige geval geen betekenis toe. Anders dan [appellante sub 1] stelt doet strijd met de rechtszekerheid zich hier niet voor.

In verband met de verwijzing naar de in overweging 2.5. genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2005, wijst de Afdeling bovendien op de uitspraak van heden in zaak nr. 200805509/1/R1, waarin, voor zover van belang, wordt overwogen dat de Afdeling, anders dan in de uitspraak van 3 augustus 2005, waarin een oordeel is gegeven over planvoorschriften van gelijke strekking, thans van oordeel is dat de betrokken planvoorschriften niet tot rechtsonzekerheid leiden.

2.5.3. Het door [appellante sub 1] aangevoerde betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de afstand van het bouwplan tot de perceelsgrens is verkleind tot 1,25 m, kan niet leiden tot het door haar gewenste resultaat. Dit betoog heeft geen betrekking op het voorliggende bouwplan, maar op de op het perceel opgerichte aanbouw en overkapping, die onderwerp zijn van geschil in de ter zitting gevoegd behandelde zaak met nr. 200808577/1/H1.

2.5.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften dient de afstand van de woning op het perceel tot de noordelijke perceelsgrens te worden gemeten daar waar deze afstand het kleinst is. Vast staat dat deze afstand volgens de tekening behorende bij de bouwvergunning van 7 februari 1955 4,5 m is. Dat op die tekening bij de deur in de noordelijke gevel een inham is afgebeeld waar de afstand van die gevel tot de perceelsgrens groter is, neemt niet weg dat ingevolge genoemd artikel de afstand tot de perceelsgrens op 4,5 m wordt bepaald. Gesteld noch gebleken is dat die afstand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan kleiner was. Nu het bouwplan niet van invloed is op de afstand van 4,5 m van de woning tot de noordelijke perceelsgrens, is het in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. [appellante sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan, dat voorziet in een rieten dak, in strijd is met artikel 2.85 van het Bouwbesluit. Ook is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan haar betogen dat in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd en dat bij realisering van het bouwplan haar privacy wordt geschonden, aldus [appellante sub 1].

2.6.1. Ingevolge artikel 2.85, eerste lid, van het Bouwbesluit is een dak van een bouwwerk waarin de gebruiksfunctie ligt, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk.

Ingevolge het tweede lid geldt het eerste lid niet, indien het bouwwerk waarin een gebruiksfunctie ligt:

a. geen vloer van een verblijfsgebied heeft, die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en

b. geen brandgevaarlijk dak heeft op een horizontale afstand van de perceelgrens van minder dan 15 m; indien het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

2.6.2. Het college heeft vermeld dat het rieten dak voldoet aan NEN 6063, hetgeen door [appellante sub 1] niet wordt bestreden. Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat het bouwplan niet voldoet aan het tweede lid van artikel 2.85 van het Bouwbesluit, leidt dit betoog niet tot het door haar gewenste resultaat, nu deze bepaling ziet op gebouwen waarvoor de in het eerste lid vermelde eis van het hebben van een niet-brandgevaarlijk dak, niet geldt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de beroepsgrond van [appellante sub 1] dat het dak brandgevaarlijk is, niet slaagt.

2.6.3. Het betoog van [appellante sub 1] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar beroepsgrond dat in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd, slaagt evenmin. De vraag of al dan niet in afwijking van een verleende bouwvergunning is gebouwd is immers niet van belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de verlening van die vergunning, slechts dit laatste is in deze procedure aan de orde.

2.6.4. Het betoog van [appellante sub 1] dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar betoog dat bij realisering van het bouwplan haar privacy wordt geschonden leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak om die reden niet in stand kan blijven. Hetgeen onder 2.5.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Evenmin is gebleken van andere redenen om bouwvergunning te weigeren, als vermeld in artikel 44 van de Woningwet. Gelet op het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet bestaat bij de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning waarvoor geen vrijstelling nodig is, geen ruimte voor een belangenafweging.

2.7. Voorts wijst [appellante sub 1] in haar hoger beroepschrift weliswaar terecht op enkele onjuistheden in de weergave van de planvoorschriften in de aangevallen uitspraak, maar ook dit kan niet leiden tot gegrondverklaring van haar hoger beroep. Het betreft kennelijke verschrijvingen van de rechtbank.

Ook betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte de vraag heeft beoordeeld of het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan toegestane goothoogte en hellingsgraad van het dak, nu zij dit niet als beroepsgronden heeft aangevoerd. Dit betoog leidt evenmin tot het door [appellante sub 1] beoogde doel, reeds omdat de rechtbank de gronden niet heeft doen slagen en het door haar aangevoerde niet kan leiden tot een ander oordeel.

2.8. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 9 januari 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Bij besluit van 15 april 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellante sub 1] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan haar bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellante sub 1], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.4 en 2.8 is overwogen, kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan het besluit van 15 april 2009, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling ook dat besluit vernietigen.

2.10. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2008 in zaak nr. 06/5725;

III. verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit op bezwaar van 9 januari 2007 (kenmerk: m/ile/1305) ingestelde beroep van [appellante sub 1] ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Blaricum van 15 april 2009, kenmerk 2009-006448/BA;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Blaricum tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Blaricum aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

357-604.