Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200804662/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) geweigerd de vereniging Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars (hierna: de VIA) en de vereniging Landelijke Bedrijfsorganisatie Verkeer (hierna: de LBV) dispensatie te verlenen van de voor algemeen verbindendverklaring voorgedragen cao voor Uitzendkrachten 2005-2009, voor ondernemingen die als lid bij de VIA zijn aangesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804662/1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars, gevestigd te Tilburg,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2008 in zaak nr. 06/797 in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars en de vereniging Landelijke Bedrijfsorganisatie Verkeer

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) geweigerd de vereniging Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars (hierna: de VIA) en de vereniging Landelijke Bedrijfsorganisatie Verkeer (hierna: de LBV) dispensatie te verlenen van de voor algemeen verbindendverklaring voorgedragen cao voor Uitzendkrachten 2005-2009, voor ondernemingen die als lid bij de VIA zijn aangesloten.

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft de minister het door de VIA en de LBV daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de VIA en LBV daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de VIA bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond, De Unie en de Algemene Bond van Uitzendondernemingen (hierna: de ABU) hebben een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2009, waar de VIA, vertegenwoordigd door mr. C. Staudt-Bos, advocaat te Eindhoven, en bijgestaan door D.J. Maes en G.L. Roubos, de minister, vertegenwoordigd door mr. G.E. Sneller-Jonkers, ambtenaar bij het ministerie, en bijgestaan door mr. D.M. Hoefer, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts zijn als partijen gehoord FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en De Unie, vertegenwoordigd door mr. N. Ruiter, advocaat te Amsterdam en bijgestaan door M. Nyten, en de ABU, vertegenwoordigd door mr. G.A. Tsiris, advocaat te Amsterdam.

De Afdeling heeft aanleiding gezien onder toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) over te gaan tot heropening van het onderzoek. Daarvan heeft zij bij brief van 6 april 2009 aan partijen kennis gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 2 juni 2009, waar de VIA, vertegenwoordigd door mr. C. Staudt-Bos, advocaat te Eindhoven, en bijgestaan door G.L. Roubos, de minister, vertegenwoordigd door mr. G.E. Sneller-Jonkers, ambtenaar bij het ministerie, en bijgestaan door mr. D.M. Hoefer, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts zijn als partijen gehoord FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en De Unie, vertegenwoordigd door mr. N. Ruiter, advocaat te Amsterdam en bijgestaan door mr. P. Kruijff, en de ABU, vertegenwoordigd door mr. G.A. Tsiris, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: de Wet AVV) kan de minister bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst die in het gehele land of in een gedeelte van het land voor een - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het gehele land of in dat gedeelte van het land algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door de minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten die naar de aard van de arbeid waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip waarop de werking van de verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden.

Ingevolge het derde lid heeft verbindendverklaring geen terugwerkende kracht.

Ingevolge artikel 6, derde lid, heeft intrekking van de verbindendverklaring geen terugwerkende kracht.

2.2. Bij de beoordeling van verzoeken om dispensatie van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen hanteert de minister het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring CAO-bepalingen (AVV) (Stcrt. 1998, nr. 240, p. 14, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2004, nr. 251, p. 24; hierna: Toetsingskader). Daarin is onder punt 6.2, nummer 1, vermeld dat op schriftelijke mededeling van bedenkingen tegen algemeen verbindendverklaring in principe dispensatie van het avv-besluit wordt verleend aan werkgevers die gebonden zijn aan een andere rechtsgeldige cao.

2.3. De VIA en de LBV hebben de cao Arbeidsbemiddeling Buitenlandse Werknemers in Nederland 2005-2006 (hierna: de cao Arbeidsbemiddeling) gesloten en hebben om dispensatie verzocht van de voor algemeenverbindendverklaring voorgedragen cao voor Uitzendkrachten 2005-2009 (hierna: de cao voor Uitzendkrachten), die is gesloten door de ABU en FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en De Unie. In het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister de dispensatie geweigerd omdat de werkingssfeer van de cao Arbeidsbemiddeling in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling omdat in die cao direct onderscheid wordt gemaakt op grond van nationaliteit.

In het besluit van 10 januari 2006 heeft de minister daaraan toegevoegd dat hij volgens het door hem toegepaste beleid, zoals neergelegd in het Toetsingskader, bij gebondenheid aan een eigen rechtsgeldige ondernemings- of subsector cao in principe dispensatie pleegt te verlenen. De minister meent echter dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet die afwijking van het Toetsingskader rechtvaardigt, omdat het toepassen van beleid niet in strijd met het recht mag zijn. Het onverkort toepassen van het Toetsingskader door dispensatie te verlenen zou ertoe leiden dat de VIA en de LBV slechts aan de cao Arbeidsbemiddeling zijn gebonden, terwijl de werkingssfeerbepaling van die cao in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, aldus de minister.

2.4. De VIA betoogt allereerst dat de rechtbank FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond, De Unie en de ABU ten onrechte als partijen heeft aangemerkt, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij het besluit waarbij dispensatie is geweigerd. Zij worden daardoor niet rechtstreeks in hun belangen getroffen, aldus de VIA.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak nr. 200507730/1), komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. De cao-partijen - werkgevers- en werknemersverenigingen - behartigen de collectieve belangen van hun leden in de uitzendbranche. Zij zijn partij bij de cao voor Uitzendkrachten en hebben verzocht om algemeen verbindendverklaring van deze cao. Met dispensatieverlening zou de reikwijdte van het besluit tot algemeenverbindendverklaring worden beperkt, waardoor evenwichtige arbeidsverhoudingen en arbeidsrust in deze branche zouden kunnen worden verstoord. Gelet hierop zijn de belangen van de cao-partijen rechtstreeks betrokken bij de weigering dispensatie te verlenen. De rechtbank heeft hen dan ook terecht aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Awb. Het betoog faalt.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat de VIA en de LBV geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep, omdat de looptijd van de cao Arbeidsbemiddeling, op basis waarvan zij dispensatie hebben gevraagd, per 31 maart 2006 is verstreken, het verlenen van dispensatie met terugwerkende kracht niet mogelijk is en derhalve met het beroep het beoogde doel niet meer kan worden bereikt. Voor zover dat belang zou zijn gelegen in het gestelde dat een aantal van de bij de VIA aangesloten ondernemingen boetes opgelegd heeft gekregen in verband met het niet-naleven van de cao voor Uitzendkrachten, heeft de rechtbank overwogen dat deze schade geen rechtstreeks gevolg is van de weigering dispensatie te verlenen.

2.6. De VIA betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen belang meer bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep omdat dispensatie niet met terugwerkende kracht kan worden verleend. In dat verband betoogt de VIA dat dispensatie wel met terugwerkende kracht kan worden verleend, omdat uit de Wet AVV en het door de minister gehanteerde Toetsingskader niet volgt dat dat ontoelaatbaar is en de minister zich blijkens het bij de rechtbank ingediende verweerschrift eveneens op het standpunt heeft gesteld dat dispensatie met terugwerkende kracht kan worden verleend. Verder betoogt de VIA dat de bij haar aangesloten leden schade hebben geleden doordat zij de cao voor Uitzendkrachten hebben moeten toepassen, waardoor zij geen gebruik hebben kunnen maken van de fiscale voordelen van de cao Arbeidsbemiddeling. Ten slotte betoogt de VIA dat indien dispensatie met terugwerkende kracht wordt verleend, de grondslag voor het opleggen van boetes vanwege het niet naleven van de cao voor Uitzendkrachten vervalt, waardoor deze onbevoegd zijn opgelegd. Deze schade is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk een rechtstreeks gevolg van de weigering dispensatie te verlenen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de VIA en de LBV geen belang meer hebben bij de beoordeling van hun beroep, aldus de VIA.

2.6.1. Het betoog dat de VIA en de LBV belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep omdat een aantal bij de VIA aangesloten leden schade heeft geleden door opgelegde boetes, faalt. De grond voor het opleggen van deze boetes is gelegen in het niet naleven van de algemeen verbindend verklaarde cao voor Uitzendkrachten en niet in het besluit waarbij dispensatie is geweigerd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de gestelde schade geen rechtstreeks gevolg van dat besluit is. De omstandigheid dat tegen de geweigerde dispensatie rechtsmiddelen zijn aangewend maakt dat niet anders, omdat de ondernemingen zolang geen dispensatie is verleend onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde cao vallen en het niet naleven daarvan voor eigen rekening en risico komt.

2.6.2. Door te oordelen dat de VIA en de LBV geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep omdat dispensatie niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, is de rechtbank voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de VIA en de LBV een belang hebben bij de beantwoording van de rechtsvraag of dispensatie met terugwerkende kracht kan worden verleend indien ze ten onrechte zou zijn geweigerd.

Dit neemt niet weg dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat dispensatie niet met terugwerkende kracht kan worden verleend.

De minister is ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet AVV bevoegd uitzonderingen te maken op een algemeen verbindend verklaarde cao. De algemeenverbindendverklaring van een cao en de bevoegdheid dispensatie daarvan te verlenen zijn dan ook nauw met elkaar verweven.

De minister heeft uiteengezet dat hij bij de uitoefening van deze bevoegdheid zoveel mogelijk de systematiek van de Wet AVV volgt en dat dispensatie slechts wordt verleend op het tijdstip van algemeenverbindendverklaring van een cao of een wijziging daarvan. Indien zich gedurende de looptijd van de algemeen verbindend verklaarde cao nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, wordt niet alsnog dispensatie verleend. In het dictum van een besluit waarbij een cao algemeen verbindend wordt verklaard, wordt tevens vermeld welke ondernemingen dispensatie hebben verkregen.

Ter zitting van de Afdeling heeft de minister verder uiteengezet, met verwijzing naar de toelichting bij een wijziging van het Besluit aanmelding van collectieve arbeidsovereenkomsten en het aanvragen van algemeen verbindendverklaring (Stcrt. 28 november 2006, nr. 232, p. 27), dat een verleende dispensatie onderscheidenlijk een te verlenen dispensatie slechts met terugwerkende kracht wordt ingetrokken onderscheidenlijk verleend als de verlening onderscheidenlijk weigering daarvan op onjuiste of onvolledige informatie is gebaseerd en de aanvrager onderscheidenlijk andere belanghebbenden daarvan een verwijt te maken valt.

De Afdeling acht de door de minister gegeven uitleg van het stelsel van de wet juist. Dit betekent dat in dit geval geen dispensatie met terugwerkende kracht mogelijk is.

2.6.3. Een belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep diende door de rechtbank ook te worden aangenomen indien tot op zekere hoogte aannemelijk was gemaakt dat als gevolg van de geweigerde dispensatie daadwerkelijk schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. De VIA en de LBV hebben, door te betogen dat de bij de VIA aangesloten leden als gevolg van de geweigerde dispensatie geen gebruik hebben kunnen maken van de fiscale voordelen van de cao Arbeidsbemiddeling en dat daardoor duurdere arbeidsvoorwaarden gelden, tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de geweigerde dispensatie daadwerkelijk schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Ook daarom heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de VIA en de LBV geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het inleidende beroep behandelen.

2.8. Het betoog van FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond en De Unie, dat de VIA ten tijde van het aangaan van de cao Arbeidsbemiddeling daartoe niet bevoegd was omdat de bevoegdheid daartoe in strijd met het bepaalde in artikel 2 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst in haar statuten ontbrak, deze cao daardoor niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en het gelet op het Toetsingskader reeds daarom niet mogelijk is dispensatie te verlenen, kan, daargelaten de juistheid daarvan, niet leiden tot vernietiging van het besluit van 10 januari 2006 omdat dit de bevoegdheid van de minister als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet AVV onverlet laat, en slechts ziet op de vraag of de minister in het kader van de uitoefening van die bevoegdheid gelet op het door hem toegepaste Toetsingskader het verzoek om dispensatie om die reden had moeten afwijzen, hetgeen geen ambtshalve door de Afdeling te beoordelen aspect betreft.

2.9. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: de Awgb), voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder direct onderscheid verstaan: onderscheid tussen personen op grond van nationaliteit.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Awgb geldt het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid op grond van nationaliteit niet:

a. indien het onderscheid is gebaseerd op algemeen verbindende voorschriften of geschreven of ongeschreven regels van internationaal recht en

b. in gevallen waarin nationaliteit bepalend is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awgb is onderscheid verboden bij arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling is deze cao uitsluitend van toepassing op buitenlandse werknemers welke tijdelijk in Nederland verblijven in huisvesting door werkgevers ter beschikking gesteld en krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid voor derden verrichten in dienst van een onderneming zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

2.10. In het besluit van 10 januari 2006 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de term 'buitenlandse werknemers' in de in artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling neergelegde werkingssfeerbepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd als werknemers die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten. Deze cao maakt derhalve direct onderscheid naar nationaliteit, hetgeen in strijd is met de Awgb, aldus de minister.

De minister heeft het verzoek om dispensatie afgewezen omdat anders een situatie ontstaat die evident in strijd is met het recht.

2.11. De VIA en de LBV betogen dat volgens het door de minister gehanteerde Toetsingskader de dispensatie automatisch had moeten worden verleend, omdat de bij de VIA aangesloten werkgevers aan een andere rechtsgeldige cao zijn gebonden namelijk de cao Arbeidsbemiddeling. De minister heeft de cao Arbeidsbemiddeling dan ook in strijd met het Toetsingskader inhoudelijk beoordeeld. Verder betogen de VIA en de LBV dat de in artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling neergelegde werkingssfeerbepaling niet in strijd is met de Awgb en dat de minister derhalve ten onrechte dispensatie heeft geweigerd. In dat verband betogen zij dat een objectief tekstuele uitleg van de term 'buitenlands' in de uitdrukking 'buitenlandse werknemers' in artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling betekent "uit het buitenland" en dat daarmee evident niet is bedoeld de nationaliteit. Het gaat om de feitelijke (fysieke) herkomst uit het buitenland, aldus de VIA en de LBV. Buitenlandse werknemers zijn zowel uit het buitenland afkomstige werknemers die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten als in het buitenland woonachtige werknemers met de Nederlandse nationaliteit die niet over woonruimte in Nederland beschikken. Ten slotte betogen de VIA en de LBV dat de minister zich in het besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de toelichting op de cao Arbeidsbemiddeling geen rol kan spelen bij uitleg van artikel 1, tweede lid, daarvan. De omstandigheid dat deze toelichting pas na het sluiten van de cao Arbeidsbemiddeling is opgesteld maakt niet dat daaraan geen betekenis toekomt. Met deze toelichting wordt verduidelijkt wat de partijen die deze cao hebben gesloten daarmee hebben beoogd. Voorts had de toelichting in het kader van de bezwaarschriftenprocedure in de beoordeling moeten worden betrokken omdat de heroverweging moet plaatsvinden op basis van alle feiten en omstandigheden op het moment dat het besluit op bezwaar wordt genomen.

2.11.1. In deze zaak staat de uitleg van artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling en meer in het bijzonder van de term "buitenlandse werknemers" daaruit centraal.

Zoals de Hoge Raad in onder andere zijn arrest van 11 november 2005 (Rechtspraak arbeidsrecht 2006, 1) heeft geoordeeld, zijn bij de uitleg van een cao-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op een grammaticale uitleg van de tekst van de betrokken bepaling, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao, waarbij naast de taalkundige betekenis, ook acht dient te worden geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden. De Afdeling sluit zich daarbij aan.

Ten tijde van het sluiten van de cao Arbeidsbemiddeling was nog geen document beschikbaar dat een toelichting op die cao bevatte en was deze voor derden derhalve niet kenbaar. Niet in geschil is dat de toelichting pas is opgesteld na 13 september 2005, de datum waarop de dispensatie is geweigerd. Deze toelichting is in het kader van de bezwaarschriftenprocedure overgelegd. De omstandigheid dat de toelichting pas na het besluit van 13 september 2005 is opgesteld en de inhoud daarvan mogelijk is beïnvloed door de inhoud van dat besluit, maakt niet dat aan die toelichting in het onderhavige geval in het geheel geen betekenis meer kan toekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat die toelichting in het kader van de bezwaarschriftenprocedure is ingediend en argumenten bevat op welke wijze de term ‘buitenlandse werknemers’ moet worden geïnterpreteerd en daarmee bestaat uit een nadere aanvulling van de in bezwaar aangedragen gronden.

In de omstandigheid dat de minister de toelichting als zodanig niet in de beoordeling heeft betrokken, is geen grond gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit, aangezien het in de toelichting opgenomen betoog overeenkomt met hetgeen in het aanvullend bezwaarschrift van 7 oktober 2005 is aangevoerd met betrekking tot de uitleg van de term 'buitenlandse werknemers', waarmee de minister wel rekening heeft gehouden. De VIA en de LBV zijn derhalve in zoverre niet benadeeld.

2.11.2. De term "buitenlandse" duidt in het normale taalgebruik op een persoon die afkomstig is uit het buitenland. Een synoniem daarvoor is het woord vreemdeling. Uit artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling volgt dat deze cao slechts van toepassing is op een bepaald deel van de buitenlandse werknemers, namelijk werknemers die slechts tijdelijk in Nederland verblijven en die niet over huisvesting in Nederland beschikken en die derhalve hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben. Uit diverse bepalingen van de cao kan worden afgeleid dat het veelal gaat om werknemers die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Zo is de werkgever verplicht de werknemer een overzicht van de cao te verstrekken in een voor hem begrijpelijke taal (artikel, 7, derde lid) en mogen de kosten van een tolk met het loon van de werknemer worden verrekend (artikel 16, derde lid). Ook is het voor de werknemer mogelijk om in overleg en met instemming van de werkgever algemeen erkende feestdagen om te ruilen met niet-Nederlandse feest- en gedenkdagen (art. 20, tweede lid). Gelet hierop moet het er naar objectieve maatstaven voor worden gehouden dat onder 'buitenlandse werknemers' in artikel 1, tweede lid, van de cao Arbeidsbemiddeling moet worden verstaan uit het buitenland afkomstige werknemers die een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezitten. Dit betekent dat de cao Arbeidsbemiddeling slechts van toepassing is op werknemers met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, hetgeen zich niet verdraagt met het in de Awgb neergelegde verbod op onderscheid op grond van nationaliteit.

2.11.3. Volgens het Toetsingskader wordt dispensatie in principe automatisch verleend bij gebondenheid aan een andere rechtsgeldige cao. De in het Toetsingskader gebezigde terminologie laat zelf reeds enige ruimte om dispensatie te weigeren. Reeds daarom faalt het betoog van de VIA en de LBV dat dispensatie automatisch moet worden verleend. In de omstandigheid dat door het automatisch verlenen van dispensatie een situatie zou ontstaan die in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling, heeft de minister aanleiding mogen zien gebruik te maken van de ruimte die het Toetsingkader hem biedt en de dispensatie te weigeren. Het beroep tegen het besluit van 10 januari 2006 is ongegrond.

2.12. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan de VIA wordt terugbetaald.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2008 in zaak nr. 06/797;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de vereniging Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Graat

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

307.