Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200805509/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008, kenmerk 2008-35538, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Blaricum (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Dorp" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805509/1/R1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellante sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],

6. de stichting Stichting tot Behoud van Karakteristiek Blaricum, gevestigd te Blaricum,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008, kenmerk 2008-35538, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Blaricum (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Dorp" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2008, [appellante sub 4] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 20 augustus 2008, [appellanten sub 5] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 5]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2008, de stichting Stichting tot Behoud van Karakteristiek Blaricum (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, en [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 21 augustus 2008, beroep ingesteld. De stichting heeft haar beroep aangevuld bij brief van 10 augustus 2008.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum (hierna: burgemeester en wethouders) heeft namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.A. Fokker, advocaat te Hilversum, [appellant sub 3], bijgestaan door [gemachtigde], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door [bestuursleden] van de stichting, en [appellant sub 7], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Reede, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door drs. K.I. de Graaf, ambtenaar in dienst van de gemeente, en I. de Feijter, werkzaam bij RBOI adviesbureau, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur] van de vennootschap, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellanten sub 1] hebben geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht.

2.1.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten sub 1] geen zienswijze bij de raad naar voren hebben gebracht en acht de daarvoor naar voren gebrachte argumenten voor verschoning niet gegrond. Het college heeft daarom de bedenkingen van [appellanten sub 1] niet in de beschouwingen betrokken.

2.1.2. Geen rechtvaardiging is gelegen in het betoog van [appellanten sub 1] dat de Laarder Courant de BEL op hun adres [locatie 1] gebrekkig wordt bezorgd. Niet is vast komen te staan dat de bezorging van het huis-aan-huisblad Laarder Courant de BEL in het algemeen dusdanige gebreken vertoonde dat de gemeente dit blad niet had mogen gebruiken als middel ter bekendmaking van haar officiële mededelingen. De omstandigheid dat de bezorging van dit huis-aan-huisblad op het adres van [appellanten sub 1] kennelijk te wensen overliet doet aan de geschiktheid van dit blad ter bekendmaking als voornoemd niet af. Uit de zinsnede "of op andere geschikte wijze" in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb volgt niet dat op het bestuursorgaan de plicht rust om te onderzoeken of in concreto alle individuele belanghebbenden daadwerkelijk worden bereikt. In verband hiermee kan niet worden staande gehouden dat [appellanten sub 1] zich niet behoefden in te spannen om van de inhoud van de niet ontvangen edities toch kennis te krijgen ofwel zich langs andere weg op de hoogte te stellen van de voor hen van belang zijnde ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening. In dit verband acht de Afdeling van belang dat Veerman een inspraakreactie naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan naar voren heeft gebracht, zodat niet kan worden volgehouden dat Veerman niet op de hoogte was van het voornemen van de raad om een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Voorts acht de Afdeling van belang dat, alhoewel [appellanten sub 1] een drietal verklaringen van bewoners van de Windvang hebben overgelegd waarin staat dat de Laarder Courant de BEL ter plaatse gebrekkig is bezorgd, andere bewoners van de Windvang wel tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht. Het betoog dat de naastgelegen gemeente Laren een ander huis-aan-huis-blad gebruikt voor haar publicaties doet aan het voorgaande niet af.

2.1.3. Het niet indienen van een zienswijze door [appellanten sub 1] wordt evenmin gerechtvaardigd door de door hen naar voren gebrachte omstandigheid dat zij niet persoonlijk op de hoogte zijn gebracht van de terinzagelegging van het ontwerpplan. De Afdeling oordeelt dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan. Overigens stelt de raad in zijn schriftelijke uiteenzetting dat bewoners van het plangebied per brief op de hoogte zijn gebracht van de start van de bestemmingsplanprocedure en daarbij zijn uitgenodigd voor de inspraakavonden.

2.1.4. Voor zover [appellanten sub 1] trachten te betogen dat de in de WRO neergelegde rechtsbeschermingsmogelijkheden in strijd zijn met de artikelen 6 en 13 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), overweegt de Afdeling als volgt.

2.1.5. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.

Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 23 juni 1981, Publ. ECHR Series A vol. 43, en het arrest van 28 mei 1985, Publ. ECHR Series A vol. 93) blijkt dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is; de nationale wetgever mag bepaalde beperkingen stellen, mits die niet zo ver gaan dat het recht van toegang tot de rechter niet meer effectief kan worden uitgeoefend.

Op grond van de WRO staat, voor zover het besluit van het college strekt tot goedkeuring van het bestemmingsplan, beroep op de Afdeling open voor degene die zich tijdig met een zienswijze tot de raad en met bedenkingen tot het college heeft gewend, alsmede voor een belanghebbende die aantoont dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat is geweest. De in deze wet voor het instellen van beroep op de Afdeling opgenomen regeling houdt, gelet op voornoemde jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, geen zodanige belemmering van het beroepsrecht in dat er sprake is van een met artikel 6, eerste lid, van het EVRM strijdige aantasting van het recht op toegang tot de rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellanten sub 1] door het niet-ontvankelijk verklaren van hun beroep rechten worden ontnomen die zijn gewaarborgd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Nu geen sprake is van een schending van artikel 6 van het EVRM is een schending van artikel 13 van het EVRM daarmee evenmin aan de orde.

2.1.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 1] dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan heeft betrekking op het dorpsgebied van Blaricum en voorziet in een actualisatie van een aantal verouderde bestemmingsplannen. Het plan is hoofdzakelijk consoliderend van aard.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.4. [appellant sub 5] betoogt in beroep dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om op het perceel [locatie 2] een dienstwoning op te richten. In dit verband voert hij aan dat geen noodzaak bestaat voor een dienstwoning bij een tuincentrum en dat handhaving van het gebruik van de dienstwoning na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten moeilijkheden zal opleveren. Voorts voert hij aan dat het oprichten van de dienstwoning zal leiden tot aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van privacy en uitzicht en in de vorm van schaduwhinder. Voorts wordt volgens [appellant sub 5] door het oprichten van de dienstwoning het open en groene karakter van Blaricum aangetast en is het toekennen van een dienstwoning niet in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

2.4.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 2] ten opzichte van het voorheen geldende plan niet toenemen en dat het slechts gedeeltelijk een ander gebruik van het perceel betreft. Of een dienstwoning daadwerkelijk noodzakelijk is voor de uitvoerbaarheid van de bestemming "Detailhandel" zal volgens het college, in navolging van de raad, moeten blijken indien de eigenaar een dienstwoning verlangd. Dan zal hij de noodzaak daartoe moeten aantonen.

2.4.2. [appellant sub 5] woont op het perceel [locatie 3]. Ten zuiden van zijn perceel is het tuincentrum [belanghebbende] gevestigd op het perceel [locatie 2]. Aan laatstgenoemd perceel is de bestemming "Detailhandel (DH)" en, voor zover thans van belang, de aanduiding "tuincentrum (tc)" toegekend.

2.4.3. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Detailhandel (DH)" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "tuincentrum (tc)" bestemd voor een tuincentrum, met maximaal één dienstwoning.

2.4.4. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften maakt bij recht het bouwen van een dienstwoning mogelijk. Dit brengt met zich dat bij de vaststelling van het plan reeds moet zijn beoordeeld wat de ruimtelijke gevolgen hiervan zijn en of een dienstwoning bij de gelegde bestemming uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening gelet op alle betrokken belangen nodig is. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat in dit geval deze afweging bij de vaststelling van het plan is gemaakt.

2.4.5. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 5] geen bespreking.

2.4.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Detailhandel (DH)" en, voor zover thans van belang, de aanduiding "tuincentrum (tc)" ter plaatse van het perceel [locatie 2], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet tevens aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan voornoemd plandeel te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 7]

2.5. [appellant sub 7] betoogt in beroep dat het bouwvlak op het perceel [locatie 4] niet juist op de plankaart is weergegeven. In dit verband voert zij aan dat door de verschuiving van het bouwvlak de toekomstige woning en de rest van het perceel ongunstig komen te liggen ten opzichte van de zon. Ten onrechte is volgens haar de vrijstelling waarmee de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens tot twee meter kan worden verminderd niet opnieuw in dit plan opgenomen. Voorts resteert op deze wijze een strook grond van 1,25 meter tussen de bebouwing op de percelen [locatie 4] en [locatie 5] die voor haar geen doel dient.

2.5.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat de situering van het bouwvlak een evenwichtige stedenbouwkundige situatie oplevert die niet tot nadelige gevolgen voor [appellant sub 7] zal leiden. [appellant sub 7] beschikt over de mogelijkheid een grotere woning te bouwen dan onder het voorheen geldende plan en van verslechtering van bezonning zal geen sprake zijn, omdat achter het bouwvlak het perceel een diepte van 15 meter heeft.

2.5.2. [appellant sub 7] is van plan om op het perceel [locatie 4] een woning te bouwen. Aan dit perceel is, voor zover thans van belang, de bestemming "Wonen-1 (W-1)" toegekend.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Wonen-1 (W-1)" aangewezen gronden bestemd voor wonen met bijbehorende erven.

Ingevolge artikel 16, derde lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" ten behoeve van deze bestemming uitsluitend hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, van voornoemd planvoorschrift, voor zover thans van belang, mogen hoofdgebouwen uitsluitend worden gebouwd in het op de plankaart aangegeven bouwvlak.

2.5.3. In het voorheen geldende plan "Dorp, 1e partiële herziening", vastgesteld door de raad bij besluit van 29 maart 1984 en goedgekeurd door het college bij besluit van 27 november 1984, was aan de gronden van [appellant sub 7] de bestemming "Bebouwing met eengezinshuizen B" toegekend.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de voorschriften van het voorheen geldende plan "Dorp, 1e partiële herziening" waren de op de kaart voor bebouwing volgens categorie B aangewezen gronden bestemd voor woningen, met dien verstande dat als hoofdgebouwen alleen vrijstaande eengezinshuizen en blokken van ten hoogste vier aaneengebouwde eengezinshuizen mochten worden gebouwd en dat de afstand van gebouw tot de zijdelingse perceelgrens nergens minder dan 3 meter zal bedragen.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd planvoorschrift, waren, voor zover thans van belang, burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder b, voor vermindering van bedoelde afstand tot 2 meter aan een zijde van een gebouw, mits de betreffende afstand aan de tegenoverliggende zijde evenveel groter wordt.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden, ook inhoudende een verschuiving van een bouwvlak, vaststellen. In onderhavig geval heeft de raad het bouwvlak op het perceel [locatie 4] ten opzichte van het voorheen geldende plan "Dorp, 1e partiële herziening" twee meter in zuidwestelijke richting verschoven zodat de afstand tussen het bouwvlak van het perceel [locatie 4] en het bouwvlak van het perceel [locatie 5], 8 meter en de afstand tussen het bouwvlak van het perceel [locatie 4] en het bouwvlak op het perceel [locatie 6] eveneens 8 meter bedraagt. Op het perceel [locatie 4] is het bouwvlak op een afstand van 3 meter gelegen van de perceelgrens van [locatie 6] en op een afstand van 5 meter van de perceelgrens van [locatie 5]. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de relatief geringe verschuiving van het bouwvlak op het perceel, naar zeggen van [appellant sub 7] ongeveer 40 centimeter, ten opzichte van het voorheen geldende plan sprake zal zijn van zodanige schaduwhinder op de toekomstige woning en tuin dat het college niet in redelijkheid met het plandeel heeft kunnen instemmen. Het college heeft, in navolging van de raad, in dit geval van belang kunnen achten dat door het verschuiven van het bouwvlak op het perceel [locatie 4] zowel tussen dit bouwvlak als de bouwvlakken op de naastgelegen percelen [locatie 6] en [locatie 5] een afstand van 8 meter is gelegen, waardoor sprake is van een evenwichtige bouwkundige situatie. Voorts heeft het college, in navolging van de raad, van belang kunnen achten dat het perceel [locatie 4] achter het bouwvlak aan de zuidkant een diepte van 15 meter heeft, zodat voldoende zon de woning en tuin zullen bereiken. Het betoog van [appellant sub 7] faalt derhalve in zoverre.

Dat op deze wijze na het realiseren van het door [appellant sub 7] voorgestane bouwplan een strook grond van 1,25 meter tussen de bebouwing van de percelen [locatie 4] en [locatie 5] resteert, is niet onredelijk. Hierbij is van belang dat [appellant sub 7] de voorgestane bebouwing op haar perceel ook op een andere wijze kan realiseren. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat zij deze strook grond bij haar tuin wenst te betrekken, overweegt de Afdeling het gebruik van de strook grond als tuin op grond van de planvoorschriften niet is uitgesloten. Dit betoog mist feitelijke grondslag.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwvlak op het plandeel met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" ter plaatse van het perceel [locatie 4] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

2.6. [appellante sub 4] betoogt in beroep dat ten onrechte de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 7] niet juist op de plankaart is ingetekend. Voorts betoogt zij dat het perceel [locatie 7] ten onrechte niet in zijn geheel in het plan is opgenomen en dat ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen om een tweede woning op het perceel te realiseren. In dit verband betoogt zij dat een bouwvergunning is verleend voor een bedrijfswoning en een burgerwoning op het perceel. Voorts betoogt [appellante sub 4] dat artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften onduidelijk is geredigeerd, omdat hieruit niet duidelijk blijkt of paardenbakken binnen een bouwvlak dienen te worden gerealiseerd. Nu volgens haar een paardrijbak niet binnen haar bouwvlak kan worden aangelegd, is in de planvoorschriften ten onrechte niet opgenomen dat paardrijbakken buiten het bouwvlak mogen worden aangelegd.

2.6.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat bebouwing die conform een bouwvergunning is verleend op de plankaart is ingetekend en dat in het algemeen aan de ondergrond van een bestemmingsplan geen bindende betekenis kan worden toegekend. Voorts stelt het college, in navolging van de raad, dat het ruimtelijk verantwoord is om de agrarische gronden zonder bebouwingsmogelijkheden en de dorpsrand in twee verschillende bestemmingsplannen op te nemen, omdat de dorpsrand is gelegen binnen de rode contour als weergegeven op de contourenkaart, deelblad 5, van het Streekplan Noord-Holland Zuid van 17 december 2003 (hierna: het streekplan) en de agrarische gronden daarbuiten. Eventuele bouwmogelijkheden zijn volgens het college, in navolging van de raad, slechts mogelijk binnen dit plan, zodat geen sprake is van tegenstrijdige regelgeving. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 4] over een tweede woning op het perceel verwijst het college, in navolging van de raad, naar het oordeel van de Afdeling in een eerdere procedure. Met betrekking tot artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften stelt het college, in navolging van de raad, dat deze niet misleidend is.

2.6.2. Een deel van het perceel [locatie 7] is binnen het plangebied gelegen. Aan dit plandeel is de bestemming "Agrarisch (A)" met, voor zover thans van belang, de aanduidingen "woningstip", "mechanisatiebedrijf (me)" en "paardrijbakken (pa)" toegekend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Agrarisch (A)" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "mechanisatiebedrijf (me)" bestemd voor een landbouwmechanisatiebedrijf en zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paardrijbakken (pa)" paardrijbakken toegestaan.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van gronden voor paardrijbakken, anders dan ter plaatse van bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "paardrijbakken (pa)".

2.6.3. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 4] dat artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften onduidelijk is, overweegt de Afdeling dat dit planvoorschrift een bijzonder gebruiksvoorschrift bevat dat aansluit bij het in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschrift, waarin staat dat paardrijbakken uitsluitend mogen worden gebouwd in het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Uit de planvoorschriften volgt derhalve onmiskenbaar dat paardrijbakken binnen het bouwvlak dienen te worden gerealiseerd. Voor zover [appellante sub 4] betoogt dat de aanduiding ten onrechte aan haar perceel is toegekend, omdat binnen haar bouwvlak feitelijk geen ruimte is voor een paardenbak, overweegt de Afdeling dat het opnemen van de aanduiding in overeenstemming is met het beleid van de raad om paardrijbakken in verband met het agrarisch karakter van de omgeving, niet overal uit te sluiten. Dit beleid is op zich niet onredelijk en biedt de grondgebruiker in beginsel de mogelijkheid een paardrijbak op het perceel aan te leggen. Nu voorts ter zitting is gebleken dat [appellante sub 4] geen paardrijbak op het perceel wenst aan te leggen, heeft het college in het standpunt van [appellante sub 4] dat zij daarvoor in de bestaande situatie geen ruimte heeft binnen het bouwvlak, geen aanleiding hoeven te zien om aan enig deel van het plan goedkeuring te onthouden.

2.6.4. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 wordt op plankaarten onder meer de bestaande bebouwing aangegeven. Het college en de raad hebben niet weersproken dat op de ondergrond van de plankaart een klein deel van de bebouwing op het perceel [locatie 7] niet is ingetekend. Nu het echter een kleine afwijking van de feitelijke situatie ter plaatse betreft en de bebouwing niet is wegbestemd, is geen sprake van een rechtsonzekere situatie, zodat geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plankaart ter plaatse van het perceel [locatie 7] wegens strijd met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 niet in stand kan blijven.

2.6.5. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mag het aantal dienstwoningen per bouwvlak niet meer bedragen dan het aantal ingetekende stippen op de plankaart. Op het perceel [locatie 7] is één woningstip ingetekend. Derhalve is de bestaande woning op het perceel als zodanig bestemd en is het bouwen van een tweede woning op het perceel niet mogelijk. In de enkele stelling dat de reeds bestaande woning blijkens een bouwtekening geschikt is voor bewoning door twee huishoudens, behoefde het college geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plandeel te onthouden. Voorts heeft het college van belang kunnen achten dat niet is gebleken dat de bedrijfsvoering een tweede dienstwoning op het perceel noodzakelijk maakt. De Afdeling wijst ten overvloede op de omstandigheid dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat [appellante sub 4] kan verzoeken om toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften ten behoeve van dubbele bewoning van de woning op het perceel.

2.6.6. De Afdeling vat het betoog van [appellante sub 4] omtrent de ligging van het perceel in twee bestemmingsplannen op als gericht tegen de plangrens. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing ter plaatse van het perceel [locatie 7] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat [appellante sub 4] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de omstandigheid dat haar gronden in verschillende bestemmingsplannen zijn opgenomen, in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. De enkele stelling dat verschillende procedures voor de gronden van toepassing zijn, is daartoe niet voldoende.

2.6.7. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" en, voor zover thans van belang, de aanduidingen "woningstip" en "paardrijbakken (pa)" ter plaatse van het perceel [locatie 7] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] betoogt in beroep dat zijn perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], ten onrechte niet in het plan is opgenomen en dat daaraan ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. In dit verband voert hij aan dat hem door burgemeester en wethouders is toegezegd dat een woonbestemming aan het perceel zou worden toegekend onder de voorwaarde van het slopen van bestaande opstallen. Voorts voert hij aan dat ten onrechte de plangrens is aangepast aan de rode contour en dat aan vergelijkbare percelen wel een woonbestemming is toegekend. Ten slotte betoogt hij dat de raad in de beantwoording van zijn zienswijze een verkeerd perceel heeft genoemd.

2.7.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat de rode contour van het streekplan is gehanteerd als uitgangspunt voor het bepalen van de plangrens. Het perceel van [appellant sub 2] is buiten de rode contour gelegen en zal worden opgenomen in een ander bestemmingsplan. De percelen waar [appellant sub 2] naar verwijst zijn volgens het college, in navolging van de raad, gelegen binnen de rode contour, zodat geen sprake is van vergelijkbare gevallen.

2.7.2. Naar het oordeel van de Afdeling dient de in de zienswijzenota onjuiste perceelsvermelding te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving, waarvan niet valt in te zien dat [appellant sub 2] hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het kan derhalve geen grond vormen voor het vernietiging van enig deel van het bestreden besluit.

2.7.3. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 8], aan welk perceel in het plan een woonbestemming is toegekend. Het perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], is buiten het plangebied gelegen.

2.7.4. In de plantoelichting staat dat het plangebied is afgestemd op de rode contour uit het streekplan en dat op een aantal punten in zeer beperkte mate wordt afgeweken van deze contour.

In het streekplan staat dat de rode contouren de maximale ruimtelijke begrenzing van het stedelijk gebied vormen. Al het gebied buiten de rode contour behoort tot het landelijk gebied. Als algemeen beleid voor het landelijk gebied geldt dat buiten de rode contour geen verstedelijking mag plaatsvinden. Omdat het streekplan een beleidsplan op hoofdlijnen is, heeft de bijbehorende contourenkaart met een schaal van 1:25.000 een vrij grofmazig karakter, waardoor de kaart volgens het streekplan niet geschikt is voor een beoordeling op het niveau van individuele woon- en/of bedrijfspercelen of kleinere al dan niet agrarische percelen. Dit is pas het geval als de gemeente in het bestemmingsplan de ligging van de rode contour vastlegt. Dit brengt met zich dat bij het verwerken van de contourenkaart in het bestemmingsplan de gemeente enige beleidsvrijheid wat betreft de nadere detaillering en precisering van de rode contouren heeft, aldus het streekplan.

2.7.5. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Uit het streekplan volgt dat de rode contour op het perceelsniveau eerst vastligt bij de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad. Ter zitting is gebleken dat ter plaatse, anders dan in het bestreden besluit en het vaststellingsbesluit staat, de plangrens niet strak de rode contour volgt. De raad is bij de vaststelling van de plangrens ter plaatse van het perceel dat is gelegen direct ten noorden van het perceel van [appellant sub 2] afgeweken van de rode contour. Nu voor dat perceel wel is afgeweken, is de enkele verwijzing naar de ligging van de rode contour in onderhavig geval geen voldoende motivering om het perceel van [appellant sub 2] niet ook in het plan op te nemen.

2.7.6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] geen bespreking.

2.7.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plangrens ter plaatse van het perceel kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.8. [appellant sub 3] betoogt in beroep dat aan zijn perceel [locatie 9] te weinig bouwmogelijkheden zijn toegekend. In dit verband voert hij aan dat op het perceel voldoende ruimte aanwezig is voor een bouwvlak met een oppervlakte van 350 m². Voorts wijst hij op een ruimtelijke onderbouwing van stedenbouwkundig bureau Van Steennis en op andere percelen waaraan wel een groter bouwvlak is toegekend.

2.8.1. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat het bouwvlak op het perceel [locatie 9] ten opzichte van het voorheen geldende plan is vergroot conform de verleende bouwvergunning en dat een verdere vergroting van het bouwvlak vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk is.

2.8.2. [appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 9]. Het deel van het perceel waarop de woning is gelegen, is in onderhavig plan opgenomen. Aan dit plandeel zijn onder meer de bestemmingen "Wonen-2 (W-2)" en "Tuin (T)" toegekend. De achter de woning gelegen gronden zijn grotendeels niet in onderhavig plan opgenomen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden bestemd voor wonen en het behoud van het open, groene karakter.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag de gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel en de bijbehorende gronden met de bestemming "Tuin (T)" (m²) vermeerderd met 60 m². Voorts is in dit artikel bepaald dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en vrijstaande overkappingen 20% van dit totaal mag zijn.

2.8.3. Niet in geschil is dat de gronden met de bestemmingen "Wonen-2 (W-2)" en "Tuin (T)" gezamenlijk een oppervlakte van ongeveer 1014 m² beslaan. Evenmin is in geschil dat gelet daarop op grond van het plan ongeveer 161 m² aan bebouwing mag worden gerealiseerd, waarvan maximaal 20% voor bijgebouwen en vrijstaande overkappingen. Uit de aanpassingen naar aanleiding van de ingediende zienswijze van [appellant sub 3] komt naar voren dat het bouwperceel van [appellant sub 3] is vergroot teneinde de vergunde oppervlakte aan bebouwing mogelijk te maken. Deze bouwvergunning, die aan de rechtsvoorganger van [appellant sub 3] in 2002 was verleend, is eind 2007 ingetrokken, omdat sinds de verlening van de bouwvergunning nog geen start was gemaakt met de sloop- en bouwwerkzaamheden.

In de omstandigheid dat het totale perceel [locatie 9] een oppervlakte beslaat van ongeveer 8500 m², heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het aan het perceel toegekende bouwvlak te klein is. Hierbij heeft het college, in navolging van de raad, van belang kunnen achten dat de vergunde bebouwingsmogelijkheden ten tijde van de aankoop van het perceel door [appellant sub 3], als zodanig in het plan zijn opgenomen en dat het overige deel van het perceel, dat niet in het plan is opgenomen, niet bij de berekening van de oppervlakte van het bouwvlak behoeft te worden betrokken, omdat dit buiten de rode contour is gelegen. Voorts heeft het college van belang kunnen achten dat het beleid gericht is op het behoud en versterken van de landschappelijke openheid en de natuurwaarden in het gebied en dat [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van het plan en de goedkeuring daarvan niet over concrete bouwplannen beschikt.

Voor zover [appellant sub 3] verwijst naar andere percelen aan de Schapendrift waaraan volgens hem wel een verruiming van het bouwvlak is toegekend, overweegt de Afdeling dat het plan hoofdzakelijk consoliderend van aard is en dat niet is gebleken dat deze bouwvlakken zijn verruimd ten opzichte van het voorheen geldende plan.

2.8.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met onder meer de bestemmingen "Wonen-2 (W-2)" en "Tuin (T)" ter plaatse van het perceel [locatie 9] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van de stichting

2.9. De stichting voert ten eerste aan dat de raad de door de stichting opgestelde notitie "Een maat te groot" ten onrechte niet bij het opstellen van het voorontwerp van het plan heeft betrokken.

2.9.1. Met ingang van 1 juli 2005 is artikel 6a van de WRO vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze thans luidt, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan en niet met het voorontwerp. Het betoog faalt reeds om die reden. De Afdeling overweegt op dit punt ten overvloede dat de raad in de beantwoording van de zienswijze van de stichting de notitie "Een maat te groot" heeft betrokken.

2.10. De stichting betoogt in beroep dat het plan ten onrechte verruimde bebouwingsmogelijkheden biedt die zullen leiden tot verdichting en aantasting van het karakteristieke beeld van Blaricum.

2.10.1. In dit verband brengt de stichting in de eerste plaats naar voren dat sprake is van misleiding, omdat de uitgangspunten in de plantoelichting en het voorstel van burgemeester en wethouders aan de raad omtrent het plan (hierna: het raadsvoorstel) niet overeenkomen met het vastgestelde plan. Volgens de stichting volgt uit voornoemde stukken dat het plan conserverend van aard is, terwijl het plan volgens hen voorziet in ontwikkelingen die de groene uitstraling en karakteristiek van Blaricum aantasten.

2.10.2. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat aan de plantoelichting noch aan het raadsvoorstel bindende betekenis toekomt. Het betoog van de stichting kan reeds hierom niet slagen. De Afdeling overweegt voorts dat uit de plantoelichting en het raadsvoorstel naar voren komt dat het plan weliswaar overwegend conserverend van aard is, maar dat tevens beperkt nieuwe ontwikkelingen op perceelsniveau worden mogelijk gemaakt, zodat ook hierom van misleiding geen sprake is.

2.10.3. Voort betoogt de stichting in dit verband dat in het plan ten onrechte niet is gemotiveerd, waarom de afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen op de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" is verkleind. Dit leidt volgens de stichting tot verdichting van het straatbeeld, terwijl het plan beoogt het groene, landelijke karakter van het dorp te versterken en doorzichten en groene tussenruimten te behouden. De stichting betoogt dat nu op deze plandelen breder kan worden gebouwd, dit met zich brengt dat ook hoger kan worden gebouwd.

2.10.4. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat door een afstand van 5 meter tot de zijdelingse perceelgrens op de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" aan te houden, geen vrees bestaat voor onevenredige verdichting.

2.10.5. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften zijn, voor zover thans van belang, de op de plankaart voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden bestemd voor wonen en het behoud van het open groene karakter.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften mag de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen niet meer bedragen dan op de plankaart is aangeduid.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften mag de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 5 meter.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder g, van de planvoorschriften mag de afstand van het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en niet-vrijstaande overkappingen tot de zijdelingse perceelgrens niet minder bedragen dan 5 meter.

2.10.6. Niet in geschil is dat in het plan voor een deel van de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelgrens is voorzien dan in het voorheen geldende plan "Zand en Veen". Het college heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet zal leiden tot onevenredige verdichting en een aantasting van de karakteristiek van Blaricum. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat tussen de hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en niet-vrijstaande overkappingen tussen naastgelegen percelen een afstand van 10 meter is aangehouden en dat in het plan tevens bepalingen zijn opgenomen die de oppervlakte van de bebouwing beperken. Voorts heeft het college van belang kunnen achten dat op deze wijze enige flexibiliteit in het plan is opgenomen, zodat de bewoners een beperkte mogelijkheid tot uitbreiding van de bebouwing op hun percelen hebben.

Het betoog van de stichting dat het breder kunnen bouwen leidt tot de mogelijkheid om hoger te kunnen bouwen, kan de Afdeling niet volgen, nu zowel voor hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, en voor bijgebouwen en overkappingen in het plan is voorzien in een maximale goot- en bouwhoogte.

2.10.7. De stichting brengt verder naar voren dat ten onrechte de afstand tot de achterste erfgrens op de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)", die nu overal 10 meter bedraagt, wordt verkleind naar 5 meter. Deze wijziging is volgens de stichting later in het plan geïntroduceerd zonder de raad of bewoners daaromtrent in te lichten.

2.10.8. Ingevolge artikel 17, vierde lid, onder g, van de planvoorschriften mag de afstand van het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en niet-vrijstaande overkappingen tot de perceelgrenzen niet minder bedragen dan 5 meter tot de achterste perceelgrens. Deze bepaling in de planvoorschriften is reeds opgenomen in het ontwerpplan. De stichting heeft met de terinzagelegging van het ontwerpplan derhalve kennis kunnen nemen van dit voorschrift en hiertegen desgewenst een zienswijze kunnen indienen. Zoals in 2.9.1. reeds is overwogen vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan, zodat de omstandigheid dat dit voorschrift niet in het voorontwerp van het plan was opgenomen, wat daar verder ook van zij, niet leidt tot het oordeel dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van het plan gehouden waren het opnemen van dit voorschrift afzonderlijk aan belanghebbenden mede te delen. Het betoog van de stichting faalt in zoverre. Voorts heeft de stichting met de enkele stelling dat het voorschrift kan leiden tot verdichting niet aannemelijk gemaakt dat dit zal leiden tot een zodanige verdichting, dat deze in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten worden geacht.

2.10.9. Voorts voert de stichting aan dat ten onrechte niet aan alle zijtuinen de bestemming "Tuin (T)" is toegekend, terwijl dit wel in het raadsvoorstel staat. Volgens de stichting kunnen zonder een bestemming als "Tuin (T)" vergunningsvrije bouwwerken in zijtuinen gebouwd worden vanaf een meter achter de voorgevelrooilijn en kunnen de gronden tussen de woningen en de zijdelingse perceelgrens volledig worden bebouwd. In dit verband betoogt zij dat de bestemming "Tuin (T)" zich verzet tegen vergunningvrij bouwen als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije/licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken.

2.10.10. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Tuin (T)" aangewezen gronden bestemd voor voor- en zijtuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd planvoorschrift mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en aan- en uitbouwen worden gebouwd.

2.10.11. Zoals reeds is overwogen in 2.10.2. komt aan het raadsvoorstel geen bindende betekenis toe. Dat burgemeester en wethouders in dat voorstel derhalve hebben opgenomen dat aan de zijtuinen in het plangebied de bestemming "Tuin (T)" zal worden toegekend leidt derhalve niet tot het oordeel dat het college reeds om die reden goedkeuring had moeten onthouden aan de plandelen die zien op de zijtuinen en waaraan geen bestemming "Tuin (T)" is toegekend. Het betoog van de stichting faalt in zoverre.

Voorts overweegt de Afdeling dat uit artikel 17, vierde lid, onder g, van de planvoorschriften voortvloeit dat de afstand van het hoofdgebouw, aan- en uitbouwen en niet-vrijstaande overkappingen tot de zijdelingse perceelgrens op de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" niet minder mag bedragen dan 5 meter. Gelet hierop behoefde het college in de vrees van de stichting dat de zijtuinen behorende bij de woningen op die plandelen kunnen worden volgebouwd geen aanleiding te zien om goedkeuring te onthouden aan de desbetreffende plandelen. Voorts overweegt de Afdeling dat, wat er verder ook zij van de vereisten van het Besluit bouwvergunningsvrije/licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken, het op grond van de planvoorschriften niet is uitgesloten dat ook binnen de bestemming "Tuin (T)" bebouwing is toegelaten.

2.10.12. De stichting voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2005, in zaak nr. 200407588/1, verder aan dat artikel 24 gelezen in samenhang met artikel 34 van de planvoorschriften rechtsonzeker is.

2.10.13. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de bestaande hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, ter plaatse van de afwijking als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden, met uitzondering van de oppervlaktematen voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op gronden met de bestemming "Wonen-1 (W-1)" en "Wonen-2 (W-2)".

Ingevolge het tweede lid, van artikel 24, van de planvoorschriften mogen de bestaande afstanden, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen die minder bedragen dan in het plan is voorgeschreven, ter plaatse van de afwijking als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel is in geval van herbouw het in het eerste en tweede lid uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

2.10.14. Ingevolge artikel 34, vierde lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit teniet is gegaan, mits de bouwvergunning is aangevraagd binnen 2 jaar nadat het bouwwerk teniet is gegaan.

2.10.15. Anders dan in voornoemde uitspraak, waarin de Afdeling een oordeel heeft gegeven over planvoorschriften van gelijke strekking, oordeelt de Afdeling thans dat artikel 24, gelezen in combinatie met artikel 34 van de planvoorschriften, niet tot rechtsonzekerheid leidt. In dit verband overweegt de Afdeling dat artikel 24 van de planvoorschriften ziet op een zogenoemde bestaande maten regeling en van toepassing is op bebouwing, met uitzondering van bebouwing op de plandelen met de bestemmingen "Wonen-1 (W-1)" en "Wonen-2 (W-2)", waarvan de maatvoering afwijkt van de in het plan toegestane maten. Artikel 24 van de planvoorschriften heeft tot gevolg dat alle bestaande bebouwing, met uitzondering van de bebouwing binnen de bestemmingen "Wonen-1 (W-1)" en "Wonen-2 (W-2)" als zodanig zijn bestemd. De bebouwing binnen de bestemmingen "Wonen-1 (W-1)" en "Wonen-2 (W-2)" die afwijkende maten kent, is blijkens dit artikel niet als zodanig bestemd en is onder het overgangsrecht van artikel 34 van de planvoorschriften gebracht. In het licht van het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat artikel 24, gelezen in samenhang met artikel 34 van de planvoorschriften, op zich in strijd met de rechtszekerheid is.

De Afdeling overweegt echter dat in artikel 24 van de planvoorschriften niet is voorzien in een peilmoment. Derhalve is niet duidelijk op welk moment de bebouwing afwijkende maten mag hebben om te worden aangemerkt als bebouwing die valt onder de bestaande maten regeling van artikel 24 van de planvoorschriften. Dat in de plantoelichting wel is beschreven welk peilmoment van toepassing is, zoals de raad ter zitting naar voren heeft gebracht, doet aan voorgaande niet af, omdat aan de plantoelichting geen bindende betekenis toekomt.

2.10.16. De stichting betoogt in dit verband voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 16 van de planvoorschriften voor zover daarin geen bepaling is opgenomen die voorziet in een beperking van de diepte van een aanbouw en in een bepaling die voorschrijft dat de aanbouw achter de voorgevelrooilijn dient te worden opgericht. Zij vrezen dat zonder deze bepalingen de groene ruimten tussen de woningen worden opgevuld.

2.10.17. Ingevolge artikel 16, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Wonen-1 (W-1)" aangewezen gronden bestemd voor het wonen met bijbehorende erven.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, dienen aan- en uitbouwen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften mag het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan aan- en uitbouwen ten hoogste 50% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en/of achtererf bedragen, met een maximum van 50 m², met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 25 m² van het gezamenlijke zij- en achtererf onbebouwd dient te blijven.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder j, van voornoemd planvoorschrift, voor zover thans van belang, mag het oppervlak aan aan- en uitbouwen ten hoogste 80 m² bedragen, indien de oppervlakte van het bij het hoofdgebouw behorende zij- en achtererf ten minste 250 m² bedraagt.

2.10.18. Gelet op de in overweging 2.10.17. opgenomen voorschriften is, zoals ook het college in navolging van de raad naar voren heeft gebracht, wel een maximum gesteld aan de oppervlakte van aanbouwen en is ook bepaald dat deze op een afstand van ten minste drie meter achter de voorgevelrooilijn dienen te worden gebouwd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze planvoorschriften aan het volledig opvullen van de groene ruimten tussen de woning in de weg staan.

2.10.19. De stichting betoogt voorts in dit verband dat artikel 29 van de planvoorschriften onvoldoende objectief is begrensd, omdat in dat artikel niet naar een welstandsadvies wordt verwezen en de gewenste beeldkwaliteit niet in een beeldkwaliteitplan is vastgelegd.

2.10.20. Het college heeft zich, in navolging van de raad, op het standpunt gesteld dat de welstandsnota en de beschrijving en bouwstenen in de plantoelichting voldoende zijn om de vrijstellingsmogelijkheden aan te toetsen en dat een positief welstandsadvies in alle gevallen noodzakelijk is om een bouwvergunning te kunnen verlenen. Voorts stelt het college, in navolging van de raad, dat een beeldkwaliteitplan als onderdeel van het welstandsbeleid dient te worden vastgesteld.

2.10.21. In artikel 29, tweede lid, van de planvoorschriften is onder meer bepaald dat vrijstelling als bedoeld in dat artikel, eerste lid, slechts wordt verleend indien geen onevenredig aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige en beeldkwaliteit, de milieukwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en openbare veiligheid en het woon- en leefklimaat. Dat daarmee aan burgemeester en wethouders een zekere mate van vrijheid is toegekend bij het verlenen van vrijstelling van het plan, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de vrijstellingsbepaling niet door voldoende objectieve normen wordt begrensd en derhalve in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht. Dat in dit voorschrift niet expliciet naar de welstandsnota wordt verwezen en dat vooralsnog geen beeldkwaliteitplan is opgesteld, doen daar niet aan af. In dit licht heeft de stichting haar stelling onvoldoende onderbouwd, zodat dit betoog faalt.

2.11. De conclusie is dat hetgeen de stichting heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 24 van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het planvoorschrift niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet tevens aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voornoemd planvoorschrift.

2.11.1. De conclusie is voorts dat hetgeen de stichting overigens heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich voor het overige niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.12. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 5] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de stichting is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 7], [appellante sub 4] en [appellant sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellanten sub 5] geheel en van de stichting Stichting tot Behoud van Karakteristiek Blaricum deels gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 24 juni 2008, kenmerk 2008-35538, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de volgende plandelen;

A. het plandeel met de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "tuincentrum (tc)" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

B. de plangrens ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […];

C. artikel 24 van de planvoorschriften;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III, A en C, genoemde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder III genoemde besluit, voor zover daar onder IV goedkeuring is onthouden;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 7] geheel en van de stichting Stichting tot Behoud van Karakteristiek Blaricum voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

- [appellant sub 2] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellanten sub 5] tot een bedrag van € 26,59 (zegge: zesentwintig euro en negenenvijftig cent);

VIII. gelast dat provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2], € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de stichting Stichting tot Behoud van Karakteristiek Blaricum en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 5] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

533.