Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200807796/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) het verzoek van [wederpartijen] (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij]) om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807796/1/H2.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 september 2008 in zaak nr. 07/4737 in het geding tussen:

[wederpartijen], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zundert (hierna: het college) het verzoek van [wederpartijen] (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij]) om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 oktober 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 november 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2009, waar het college, vertegenwoordigd door A.J.A. Nicia, ambtenaar in dienst van de gemeente Zundert, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge artikel 2.5, onder B.1., eerste lid, aanhef en onder f, van de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied Zundert 1997 (hierna: de planvoorschriften) geldt voor het bouwen van bedrijfsbebouwing de voorwaarde, voor zover thans van belang, dat de afstand tot de as van de weg binnen de bestemming "Ontsluitingsweg" minimaal 18 meter bedraagt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zoals silo's e.d.) de voorwaarde dat de hoogte niet meer dan 15 meter bedraagt, behoudens vrijstelling voor torensilo's ingevolge artikel 3.1.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van ondersteunende kassen of tunnels op bedrijfsniveau de voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 1.000 m² bedraagt, behoudens vrijstelling ingevolge artikel 3.1.

In het vijfde lid, aanhef en onder e, wordt voor het bouwen van een 1e en/of 2e bedrijfswoning wat betreft de voorwaarde afstand tot de weg, voor zover thans van belang, verwezen naar het eerste lid, aanhef en onder f.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij van een onjuiste planologische vergelijking is uitgegaan. In dit verband voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat binnen een afstand van 18 meter van de as van de weg silo's en ondersteunende kassen kunnen worden geplaatst en dat het college voor het bepalen van de kleinste afstand lijkt te zijn uitgegaan van de afstand van de mogelijk op te richten bebouwing tot het woonhuis van [wederpartij] en niet van de afstand tot het perceel van [wederpartij].

2.3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat ingevolge de planvoorschriften silo's met een hoogte van 15 meter en ondersteunende kassen binnen een afstand van 18 meter tot de as van de weg mogen worden gebouwd. Hierbij is in aanmerking genomen de plansystematiek en in het bijzonder dat het tweede en het derde lid van artikel 2.5, onder B.1., van de planvoorschriften niet als aanvullend op het eerste lid maar als allesomvattende voorwaarden voor het bouwen van silo's en kassen zijn geformuleerd. Dit laatste vindt bevestiging in de redactie van het vijfde lid, aanhef en onder e, waarin voor het bouwen van een 1e en/of 2e bedrijfswoning voor de afstand tot de weg nadrukkelijk is verwezen naar het eerste lid, aanhef en onder f. In het aan het besluit van het college van 27 maart 2007 ten grondslag gelegde advies van Oranjewoud van 8 januari 2007 is dit niet onderkend. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college is uitgegaan van een in dit advies opgenomen onjuiste planvergelijking nu deze slechts ziet op de bouw van bedrijfsbebouwing op een afstand van minimaal 35 meter van het woonhuis van [wederpartij]. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden het besluit van 9 oktober 2007 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

85-616.