Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200900089/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om een vervangend EG-certificaat ten behoeve van een vrouwelijke haliaeetus albicilla (Europese zeearend) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900089/1/H3.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008 in zaak nr. 07/4295 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een aanvraag van [appellante] om een vervangend EG-certificaat ten behoeve van een vrouwelijke haliaeetus albicilla (Europese zeearend) afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2007 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2008, verzonden op 19 december 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2009, waar [appellante], in persoon, en bijgestaan door J.M.A. Klaus, medewerker van juridisch adviesbureau Klaus, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Wellenberg, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Basisverordening) is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, verboden.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder d, kan in overeenstemming met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de Lid-Staat waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens in gevangenschap geboren en gefokte specimens zijn van een diersoort of kunstmatig gekweekte specimens van een plantesoort of een deel van zo'n dier of zo'n plant zijn of daaruit zijn verkregen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder d, van verordening (EG) nr. 939/97 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, die gold ten tijde van de afgifte van het in rechtsoverweging 2.2 genoemde EG-certificaat, wordt in de vergunningen en certificaten alsmede in de aanvragen met het oog op de afgifte van deze documenten het doel van de transactie aangegeven door middel van één van de in punt 1 van bijlage VII vermelde codes. De code B staat voor fok in gevangenschap of kunstmatige kweek en de code T staat voor commerciële doeleinden.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d van verordening (EG) nr. 865/2006 van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de Uitvoeringsverordening) verliezen de in de artikelen 47, 48, 49 en 63 bedoelde certificaten hun geldigheid indien enig gegeven dat is vermeld in vak 2 of vak 4 van een certificaat niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

Ingevolge de aanhef van artikel 48, eerste lid, wordt in een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van de Basisverordening genoemde doeleinden bevestigd dat de betrokken specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort om een van de volgende redenen zijn vrijgesteld van één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van de Basisverordening.

Ingevolge artikel 51, derde lid, kan een verloren, gestolen of vernietigde vergunning, kennisgeving of certificaat alleen worden vervangen door de instantie die het betrokken document heeft afgegeven.

2.2. [appellante] heeft op 30 januari 2007 van Falconiformes B.V. een vrouwelijke zeearend gekocht. Ten behoeve van deze zeearend hebben de Oostenrijkse autoriteiten op 24 maart 1998 aan [belanghebbende] een EG-certificaat afgegeven. Dat EG-certificaat met nummer AT7-303.752 vermeldt dat de zeearend een ring draagt met nummer WAA 1F00675. Eind februari 2007 heeft de zeearend de ring los gebeten. Naar aanleiding daarvan heeft een dierenarts op 2 maart 2007 een microchiptransponder in de zeearend geplaatst en is de ring op 23 maart 2007 door een dierenarts van de poot verwijderd. [appellante] heeft bij de minister een vervangend EG-certificaat aangevraagd omdat het afgegeven EG-certificaat door verwijdering van de ring en het plaatsen van een microchiptransponder niet meer overeenstemde met de werkelijkheid.

2.3. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij twijfelt aan de legale herkomst van de zeearend, omdat deze niet was voorzien van een naadloos gesloten pootring en uit het in 1998 afgegeven EG-certificaat niet volgt dat de zeearend in eigendom mag worden overdragen.

In het besluit van 2 november 2007 heeft de minister daaraan toegevoegd dat het afgegeven EG-certificaat geen betrekking heeft op het verkopen en in eigendom overdragen van de zeearend en dat omdat het is afgegeven door de Oostenrijkse autoriteiten, deze slechts bevoegd zijn een vervangend EG-certificaat af te geven. Evenmin is gebleken dat de Oostenrijkse autoriteiten toestemming hebben verleend de zeearend binnen de gemeenschap te vervoeren. De zeearend is onrechtmatig en voor commerciële doeleinden aangewend en in bezit genomen door [appellante], aldus de minister.

2.4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door de Oostenrijkse autoriteiten afgegeven EG-certificaat niet mede gericht was op het verhandelen van de zeearend omdat daarop in het onder nummer 10 vermelde vak de code "B" staat vermeld, hetgeen staat voor fok in gevangenschap en niet de code "T". Het desbetreffende EG-certificaat kan dan ook niet worden aangemerkt als ontheffing van het in artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening neergelegde verbod. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat dit verbod geldt en dat de zeearend in strijd met dat verbod is verhandeld, aldus de rechtbank.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat met het door de Oostenrijkse autoriteiten afgegeven EG-certificaat ontheffing is verleend van het verbod neergelegd in artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening. Zij betoogt dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat de zeearend gelet op dat afgegeven EG-certificaat, niet zou mogen worden overgedragen, dan wel van houder zou mogen wisselen zolang degene, die de zeearend onder zich houdt, blijft voldoen aan het doel waartoe het EG-certificaat is afgegeven, te weten fok in gevangenschap. Met dat doel heeft zij de zeearend gekocht, aldus [appellante]. Slechts de aankoop voor commerciële doeleinden is verboden, omdat het afgegeven EG-certificaat daar niet op ziet. Ter zitting heeft [appellante] nog betoogd dat artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening slechts handelsactiviteiten voor commerciële doeleinden verbiedt.

2.6. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de door artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening verboden activiteiten slechts verboden zijn, voor zover daarmee een commercieel doel wordt beoogd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in dat artikellid de verboden activiteiten nauwkeurig zijn omschreven en dat slechts bij enkele van die activiteiten het doel daarvan tevens onderdeel van de omschrijving vormt. De aankoop van een specimen is verboden ongeacht het doel van die aankoop. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening, zoals door [appellante] ter zitting in hoger beroep is verzocht.

Uit het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de Basisverordening volgt dat per geval van de in het eerste lid verboden activiteiten afzonderlijk ontheffing kan worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat. Bevoegd daartoe is de administratieve instantie van de lidstaat waarin het specimen zich bevindt.

Uit het door de Oostenrijkse autoriteiten aan [belanghebbende] afgegeven EG-certificaat blijkt dat de zeearend vanuit Rusland in Oostenrijk is ingevoerd en door [belanghebbende] slechts mocht worden gehouden voor fokdoeleinden. Dat [appellante] stelt dat zij de zeearend voor hetzelfde doel heeft gekocht, maakt niet dat haar daarmee ontheffing is verleend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening voor de daarin vermelde activiteiten afzonderlijke ontheffingen vereist, waaronder voor de verkoop en aankoop alsmede voor het vervoer met het oog daarop. Nu het aan [belanghebbende] afgegeven certificaat niet ziet op de verkoop door [belanghebbende] van deze zeearend heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het aan [belanghebbende] afgegeven EG-certificaat niet kan worden aangemerkt als ontheffing van een van de verboden neergelegd in artikel 8, eerste lid, van de Basisverordening. Uit de gedingstukken blijkt evenmin dat daartoe bevoegde autoriteiten daarvoor enige ontheffing hebben verleend.

Op grond van het vorenoverwogene deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] de zeearend houdt in strijd met de in artikel 8 van de Basisverordening neergelegde verboden. Wat betreft het door [appellante] bij de minister aangevraagde vervangend EG-certificaat wegens de verwijdering van de ring en het plaatsen van de microchiptransponder, waardoor de informatie op het afgegeven EG-certificaat niet meer met de werkelijkheid in overeenstemming is en het certificaat op grond van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsverordening zijn geldigheid heeft verloren, is de rechtbank er aan voorbij gegaan dat uit het bepaalde in artikel 51, derde lid, van de Uitvoeringsverordening volgt dat zo een certificaat slechts kan worden afgegeven door de instantie die het ongeldig geworden EG-certificaat heeft afgegeven. Gelet hierop berust de bevoegdheid een vervangend EG-certificaat af te geven niet bij de minister, maar bij de Oostenrijkse autoriteiten.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

307.