Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200901047/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de deelraad van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: de deelraad) bij besluit van 23 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Twiske Zuid" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Vastgoed en wonen 2009/622
Module Bodem 2009/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901047/1/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de deelraad van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: de deelraad) bij besluit van 23 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Twiske Zuid" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2009, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de deelraad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2009, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Mierlo, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de deelraad, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij en J.W. Prins, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de deelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de deelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 157 woningen op twee voormalige bedrijventerreinen, Tiemstra en Industrie Kadoelen, gelegen aan beide oevers van de rivier het Twiske (hierna: het plangebied).

2.3. [appellanten] stellen dat het plan niet in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1994 en het Stedenbouwkundig Plan van Eisen uit 1999. Zij stellen dat sprake is van een te hoge bebouwingsdichtheid. Ook passen de woningen met een toegestane hoogte van 11 meter niet in de omgeving. Deze bouwhoogte in combinatie met de ophoging van de gronden vanwege de grondsanering en de voorziene bouwafstand tussen hun woning aan de Stoombootweg en de nieuwe woningen leidt bovendien tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy.

2.3.1. Het college acht de voorziene bebouwingsdichtheid niet onaanvaardbaar. De deelraad heeft gesteld dat in het voorheen geldende bestemmingsplan geen normen waren opgenomen voor het aantal te realiseren woningen en dat het Stedenbouwkundig Plan uit 1999 een concept was dat uiteindelijk tot het Stedenbouwkundig Plan van 2004 heeft geleid. Het plan is in overeenstemming met het Stedenbouwkundig Plan 2004, aldus de deelraad.

De voor de woningen voorziene nokhoogte van 11 meter acht het college aanvaardbaar nu een ruime afstand van de nieuwe woningen tot de woningen aan de Stoombootweg wordt aangehouden. Ook de geplande ophoging van 1 meter ten behoeve van de bodemsanering, welke na inklinking resulteert in een verhoging van 0,8 meter, leidt volgens het college niet tot een onaanvaardbare bouwhoogte gezien de voorziene afstand tussen de woningen.

2.3.2. Niet kan worden gesteld dat in een nieuw plan geen veranderingen mogen worden opgenomen ten opzichte van een vorig plan. Van aantasting van bestaande rechten is niet gebleken. Voorts is het plan in overeenstemming met het Stedenbouwkundig Plan 2004, en met het daarin voorziene aantal woningen. De Afdeling is verder van oordeel dat, gelet op het stedelijke karakter van het gebied, de afstand tussen de nieuwbouwwoningen en de woningen aan de Stoombootweg en de vastgestelde bouwhoogte van 11 meter niet onredelijk is. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy als gevolg van het project. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de afstand van de nieuwe woningen tot de perceelsgrenzen van de woningen aan de Stoombootweg nergens minder is dan 10 meter. In stedelijk gebied is dit geen onaanvaardbare afstand. Voor het aanhouden van een afstand tussen de bouwvlakken en de perceelsgrenzen van 15 meter, zoals [appellanten] wensen, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding.

2.4. Voorts voldoet het plan volgens [appellanten] niet aan de parkeernormen nu een groot deel van de parkeerplaatsen is voorzien op de woonpercelen zodat deze niet algemeen toegankelijk zijn.

2.4.1. Met een gemiddelde van 1,5 parkeerplaatsen per woning wordt volgens het college voldaan aan de geldende parkeernorm voor het stadsdeel, die is opgenomen in de Parkeernota van 26 maart 2008.

2.4.2. Blijkens de parkeernota Parkeren op Maat geldt bij nieuwbouwprojecten dat de parkeervraag zo mogelijk wordt opgevangen op eigen terrein. In artikel 2.4, lid 1.1., onder f, van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden die aangewezen zijn voor wonen, daar waar dat nader op de plankaart staat aangeduid met "parkeren", tevens bestemd zijn voor ongebouwde parkeervoorzieningen en bijbehorende in- en uitritten. In artikellid 1.2, onder b, is aangegeven dat een eenmaal gerealiseerde al dan niet gebouwde parkeerplaats niet zodanig mag worden gewijzigd dat de parkeerplaats niet langer geschikt is als parkeerruimte. In het plan wordt ook voorzien in openbare parkeervoorzieningen.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de toepassing van het gemeentelijke beleid om parkeerplaatsen op eigen terrein mee te tellen in dit geval onredelijk is te achten. Tevens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid van dit beleid had moeten worden afgeweken. Gelet hierop heeft het college geen aanleiding hoeven zien om op grond hiervan goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.5. [appellanten] stellen verder dat ten onrechte het gehele plangebied wordt aangemerkt als bedrijventerrein terwijl het UBA terrein in het zuidoosten van het plangebied nooit als zodanig in gebruik is geweest. Het argument dat hier geen sprake is van een groengebied dat gecompenseerd dient te worden gaat volgens hen niet op.

Verder wordt volgens [appellanten] niet voldaan aan de doelstelling van 16 m² buurtgroen per inwoner omdat onder andere ten onrechte een tweetal bestaande groenstroken in de berekening zijn meegenomen. Ook blijkt uit het plan niet waar in de straten wordt voorzien in groenvoorzieningen. Het beoogde oeverpark voldoet niet aan de in het plan genoemde ecologische functie nu het gebied tevens wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden en waterberging. Onduidelijk is hoe dit dubbelgebruik zich tot elkaar verhoudt. Tevens is bij de berekening van het compensatiepercentage voor oppervlaktewater uitgegaan van onjuiste gegevens doordat onder andere bepaalde verharding niet is meegeteld. Het in het waterplan vastgelegde compensatiepercentage wordt ook niet gehaald. Het is volgens [appellanten] onduidelijk of de deelraad de verplichte watertoets heeft uitgevoerd.

2.5.1. Het college stelt met de deelraad dat het plangebied een voormalig bedrijventerrein is waardoor geen sprake is van een groengebied dat gecompenseerd dient te worden. In het gebied wordt ruim voldaan aan de groennorm zoals deze voortvloeit uit het Groenplan. De stelling dat het gebied is aangewezen als ecologische hoofdstructuur is volgens het college onjuist. Het plan biedt ook voldoende compensatie aan oppervlaktewater in verhouding tot de verharding.

2.5.2. In het Groenplan Amsterdam-Noord van 2004 is voor nieuwbouwprojecten en stedelijke vernieuwing als leidraad opgenomen om per inwoner in een oppervlakte van 16 m² aan openbaar groen te voorzien. Volgens de plantoelichting is in het plan aangesloten bij deze norm. Daartoe wordt onder andere voorzien in een oeverpark langs de rivier het Twiske. Bij de beantwoording van de zienswijze is met een berekening uiteengezet dat aan de norm ruimschoots wordt voldaan. Niet is niet gebleken dat de deelraad bij de berekening is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bovendien zijn de normen uit het Groenplan niet bindend maar dienen zij slechts als leidraad. Uit het Groenplan volgt ook niet dat bij de berekening bestaande groenstroken niet mogen worden meegeteld. Naar het oordeel van de Afdeling wordt, gelet op de omvang van het gebied, voldoende voorzien in groenvoorzieningen. Van een plicht tot compensatie voor het verloren gaan van een groengebied is niet gebleken.

Het bezwaar dat uit het plan niet blijkt op welke wijze groenvoorzieningen langs de wegen zullen worden gerealiseerd treft geen doel nu in artikel 2.2 van de planvoorschriften ten aanzien van de verkeersbestemming is bepaald dat naast wegen, voet- en rijwielpaden deze gronden tevens bestemd zijn voor daarbij behorende groenvoorzieningen. De gedetailleerde invulling daarvan betreft de uitvoering van het plan, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen.

De stelling dat het oeverpark vanwege de recreatieve functie en het gebruik voor waterberging geen ecologische functie kan hebben slaagt evenmin. Het plangebied is volgens de plantoelichting geen onderdeel van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Wel is het Twiske een deel van de ecologische structuur Amsterdam-Noord (ESAN) en daarbij aangemerkt als ontwikkelingszone in en langs waterlopen. Uit het plan volgt dat het oeverpark is bestemd voor openbaar groen ten behoeve van de bewoners. Daarnaast zal worden voorzien in een natuurvriendelijke oever. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat voor het oeverpark is uitgegaan van een onjuiste invulling met de voorziene verschillende functies.

Volgens de plantoelichting is bij de voorbereiding van het plan uitvoerig aandacht besteed aan de waterhuishouding. Aan de compensatiepercentages ten opzichte van de extra verharding wordt volgens de plantoelichting voldaan. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft ermee ingestemd het tekort aan waterberging in het westelijke gedeelte van het plangebied te compenseren met een brede drassige oever langs het Twiske in het oostelijke deel. Daarmee vindt volgens de toelichting meer watercompensatie plaats dan noodzakelijk is. Voorts heeft het Hoogheemraadschap positief gereageerd op de uitgevoerde watertoets. Ter zitting is een nader stuk van het Hoogheemraadschap besproken waaruit blijkt dat ruim wordt voldaan aan de normen voor watercompensatie. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding of dat onvoldoende oppervlaktewater aanwezig zal zijn ter compensatie van de extra verharding. Het bezwaar van [appellanten] dat ten onrechte bij de berekening twee bestaande sloten worden meegeteld, leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat er ruim voldoende compensatie is voorzien.

2.6. [appellanten] hebben er ook bezwaar tegen dat 30% van de woningen in het plan voor sociale woningbouw is bestemd terwijl volgens hen vooral behoefte bestaat aan grotere en duurdere woningen.

2.6.1. Het geplande percentage sociale woningbouw is, aldus het college in overeenstemming met het beleid waarin wordt beoogd in nieuwbouwbuurten voldoende sociale huurwoningen te hebben. Daarnaast wordt in het plan gedacht aan 70% grotere en duurdere woningen zodat in de vraag naar dergelijke woningen wordt voorzien en er een menging van de bevolking tot stand komt.

2.6.2. De voorgenomen indeling van verschillende woningcategorieën staat beschreven in de plantoelichting. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening maakt een toelichting geen deel uit van een bestemmingsplan, zodat aan de toelichting geen bindende betekenis toekomt. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.7. Tot slot stellen [appellanten] dat ten onrechte geen wijziging van de bestemmingsplangrenzen heeft plaatsgevonden terwijl het plangebied zich ook uitstrekt over het gebied waarvoor het bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf II" van toepassing is.

2.7.1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan geldt dat daarmee van rechtswege het voorheen geldende plan vervalt. Voor zover het plan "Twiske-Zuid" betrekking heeft op het plangebied van het bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf II", geldt dat het laatst genoemde plan zijn gelding verliest ten aanzien van het gebied waarop het nieuwe plan betrekking heeft. Anders dan [appellanten] betogen is het niet noodzakelijk dat bij apart besluit de nieuwe bestemmingsplangrenzen van het bestemmingsplan "Kadoelen-Oostzanerwerf II" worden vastgesteld. Dit betoog faalt derhalve.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

234-608.