Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200807386/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement aan het Stationsplein te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 25 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807386/1/M1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Eindhoven,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een spoorwegemplacement aan het Stationsplein te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 25 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft ProRail bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2008, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2009, waar ProRail, vertegenwoordigd door A.E.A. van den Heijkant en mr. B.A. Soerel, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.L. Pijnenburg en E. Goudriaan, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende] ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepaling komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.1.1. Het beroep van ProRail is uitsluitend gericht tegen de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften 2.1 en 2.2 voor zover daarin geluidgrenswaarden zijn vastgesteld voor waarneempunt 26. In voorschrift 2.1, voor zover hier van belang, is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) op waarneempunt 26 niet meer mag bedragen dan 36, 32 en 41 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In voorschrift 2.2 is bepaald dat binnen een jaar na inwerkingtreding van de vergunning wisselsmeerinstallaties moeten worden geplaatst, waarna het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op waarneempunt 26 niet meer mag bedragen dan 35, 30 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens ProRail is dit waarneempunt overbodig, omdat de geluidbelasting vanwege het emplacement ter plaatse van dit waarneempunt reeds lager is dan het omgevingsgeluid.

2.1.2. ProRail betoogt dat het college waarneempunt 26 zonder enig overleg en zonder te motiveren waarom het waarneempunt nodig zou zijn in de geluidvoorschriften heeft opgenomen.

Prorail betoogt voorts dat het college met het opnemen van het waarneempunt zonder motivering afwijkt van uitgangspunten die het in de overwegingen bij het besluit zegt te hanteren. In dit verband betoogt ProRail dat waarneempunt 26 is gelegen ter plaatse van de Parallelweg, hetgeen in strijd is met het in het bestreden besluit gekozen uitgangspunt dat de normen voor geluid worden vastgelegd ter plaatse van de gevels van woningen aan de Boschveldweg en de Mayweg.

Voorts betoogt ProRail in dit verband dat het college afwijkt van zijn uitgangspunt dat 50 dB(A) als ondergrens bij de bepaling van geluidvoorschriften wordt gehanteerd.

Ten slotte brengt ProRail in dit verband naar voren dat het college als uitgangspunt heeft dat de grenswaarde uit voorschrift 2.1 ongewijzigd wordt overgenomen in voorschrift 2.2, voor zover deze grenswaarde onder de aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ontleende richtwaarde voor een woonwijk in de stad ligt. Voor waarneempunt 26 is het college volgens ProRail daarvan afgeweken, en zijn de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden voor de dag- en avondperiode in voorschrift 2.2 nog verder verlaagd, terwijl deze grenswaarden reeds onder de richtwaarde lagen.

2.1.3. Met betrekking tot het laatstgenoemd betoog heeft het college ter zitting erkend dat met de verdere verlaging van de voorgeschreven geluidgrenswaarden voor de dag- en avondperiode in voorschrift 2.2 zonder noodzaak is afgeweken van de systematiek die op de andere waarneempunten is gehanteerd, en dat het voorschrift gelet daarop moet worden gewijzigd. In zoverre is het besluit in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.1.4. Het college heeft ter zitting voorts naar voren gebracht dat de toevoeging van waarneempunt 26 nodig is om de aan die zijde van het spoorwegemplacement gelegen woningen te beschermen tegen geluidhinder vanwege het emplacement, omdat de andere in het voorschrift opgenomen waarneempunten allemaal aan de andere zijde van het emplacement liggen. Het college heeft voorts betoogd dat uit het bij de aanvraag behorend akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege de inrichting op waarneempunt 26 de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden niet overschrijdt, en dat ProRail dus de voorschriften kan naleven. Gelet daarop leidt het opnemen van het waarneempunt volgens het college niet tot onevenredig nadelige gevolgen voor ProRail.

2.1.5. De Afdeling constateert dat het college in de overwegingen bij het bestreden besluit in het geheel niet ingaat op de motivering voor het opnemen van waarneempunt 26 en dat met het opnemen van waarneempunt 26 in de voorschriften op de door ProRail gestelde wijze zonder motivering wordt afgeweken van uitgangspunten die het college in de overwegingen bij het besluit zegt te hanteren. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een bij de bekendmaking van het besluit vermelde deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 in samenhang met artikel 3:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep slaagt.

2.2. Het beroep is gegrond. Het besluit van 19 augustus 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover in de voorschriften 2.1 en 2.2 het geluidniveau voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is bepaald voor waarneempunt 26.

2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 19 augustus 2009, kenmerk 00014/15991, voor zover in de voorschriften 2.1 en 2.2 het geluidniveau voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is bepaald voor waarneempunt 26;

III. gelast dat de het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan Prorail B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

375-539.