Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200806316/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: de raad) bij besluit van 25 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oentsjerk, locaties Van Haersmasingel, Kaetsjemuoiwei en Hofwegen 2006" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806316/1/R2.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: de raad) bij besluit van 25 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oentsjerk, locaties Van Haersmasingel, Kaetsjemuoiwei en Hofwegen 2006" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2009, waar [appellante] in persoon en bijgestaan door J.W. Swart is verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. D. Meloni, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

Formele bezwaren

2.1. [appellante] betoogt dat het gemeentebestuur onjuiste informatie heeft gegeven nu het ontwerp van het plan op de website gedurende drie dagen afweek van de papieren versie die ter inzage lag bij de balie Bouwen en Wenjen in het gemeentehuis te Burgum en het gemeentebestuur in de bekendmaking van de terinzagelegging heeft verwezen naar de website.

[appellante] voert voorts aan dat, nu het ontwerp voor de eerste keer op 28 maart 2007 ter inzage is gelegd, waarna het ontwerp in verband met wijzigingen op 11 april 2007 is ingetrokken en op 21 mei 2007 opnieuw ter inzage is gelegd, de terinzagelegging niet voldoet aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat hier geen sprake is van ondergeschikte wijzigingen.

2.1.1. Niet in geschil is dat het ontwerp van het plan volgens de wettelijk voorgeschreven publicaties vanaf 28 maart 2007 ter inzage heeft gelegen, terwijl een tweede versie van het ontwerp volgens hernieuwde publicaties opnieuw voor een periode van zes weken vanaf 21 mei 2007 ter inzage heeft gelegen. Het is evenmin in geschil dat de publicaties en de terinzagelegging van de tweede versie van het ontwerp overeenkomstig artikel 23 van de WRO hebben plaatsgevonden. Voor zover het betoog ertoe strekt dat het ontwerp in verband met wijzigingen opnieuw als voorontwerp de inspraakprocedure had moeten doorlopen, gaat het er aan voorbij dat de bestemmingsplanprocedure ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) aanvangt met de terinzagelegging van het ontwerp.

Het plan heeft met de tweede terinzagelegging de voorgeschreven procedure in zijn geheel doorlopen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel, dat bij de voorbereiding van het plan het bepaalde in de WRO en de Awb niet in acht zou zijn genomen.

In de gepubliceerde kennisgevingen in de Staatscourant en in het huis-aan-huis-blad T-diel(t) mei van de gemeente Tytjerksteradiel is met betrekking tot de terinzageligging van het ontwerp uitsluitend verwezen naar de balie Bouwen en Wenjen in het gemeentehuis te Burgum, waar het ontwerp kon worden ingezien. Ten tijde van de terinzagelegging van het plan bestond geen wettelijke verplichting om het digitaal beschikbaar te stellen. De omstandigheid dat de digitale versie van het ontwerp op de gemeentelijke website gedurende drie dagen afweek van de volgens de publicaties ter inzage gelegde papieren versie, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de voorbereiding van het plan in strijd is met de WRO en de Awb.

Het betoog faalt.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in drie woningbouwlocaties in Oenstjerk en biedt ruimte voor maximaal 62 woningen op de locatie Kaetsjemuoiwei (uitbreidingslocatie), 40 woningen op de locatie Van Haersmasingel (inbreidingslocatie) en 24 woningen op de locatie Hofwegen (herstructureringslocatie). Het college heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel dat ziet op de woningbouwlocatie Van Haersmasingel.

Woningbehoefte

2.4. [appellante] betoogt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde woningbehoefte ten onrechte is gebaseerd op het gemeentelijke structuurplan en het woonplan, nu beide plannen een looptijd hebben tot 2010. [appellante] betoogt voorts dat het plan ten onrechte in meer woningen voorziet dan op basis van oude en nieuwe prognoses is gerechtvaardigd, nu nieuwbouwwoningen slecht worden verkocht en verhuurd en bestaande woningen relatief lang te koop staan. Nu het aantal van 86 woningen, dat na de onthouding van goedkeuring resteert, is vastgesteld op grond van het structuurplan 1997, heeft het college volgens [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal - mede gelet op recente CBS-cijfers over de lokale bevolkingsgroei - in de plaatselijke woningbehoefte voorziet.

Verder is volgens [appellante] de voorgenomen fasering van de woningbouw ten onrechte niet juridisch vastgelegd en voorziet het plan met de in de voorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheden in méér woningen op het plandeel Kaetsjemuoiwei dan het door de raad aangegeven aantal van 62.

Voorts is [appellante] van mening dat het college zijn keuze om goedkeuring te onthouden aan de woningbouwlocatie Van Haersmasingel in plaats van aan de woningbouwlocatie Kaetsjemuoiwei, gelet op het provinciale beleid omtrent zuinig ruimtegebruik, onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.4.1. Niet in geschil is dat er tot aan 2010 volgens de "Planning Woningbouw 2002-2010", waarin het woonbeleid uit het gemeentelijke structuurplan is geactualiseerd, een reservering is gedaan voor de bouw van in totaal 86 woningen in Oentsjerk. Anders dan [appellante] stelt, betekent de omstandigheid dat de looptijd van het geactualiseerde structuurplan eerder afloopt dan de planperiode van het bestemmingsplan niet dat de daarin opgenomen prognoses ten aanzien van de woningbehoefte niet meer actueel zouden zijn. Ook anderszins is dit door [appellante] niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat, naar [appellante] stelt, het woningenquotum Mûnein volledig is volgebouwd leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plangebied in zijn geheel als woonuitbreiding van Oentsjerk kan worden beschouwd en dat het totaal aantal woningen binnen het door het provinciebestuur geaccordeerde woonprogramma past.

Volgens het college bedraagt de woningcapaciteit in het plan in totaal 126 woningen, waarvan 62 laagbouwwoningen in Kaetsjemuoiwei, 40 seniorenwoningen op de Van Haersmasingel en 24 seniorenwoningen op de locatie Hofwegen. Het college heeft, overeenkomstig de in de "Planning Woningbouw 2002-2010" gedane reservering, ingestemd met de ontwikkeling van 86 woningen, hetgeen ertoe leidt dat er aan 40 woningen goedkeuring moest worden onthouden. De keuze om goedkeuring te onthouden aan het plandeel Van Haersmasingel in plaats van aan het plandeel Kaetsjemuoiwei is blijkens het bestreden besluit ingegeven door de toezegging van het gemeentebestuur om te zorgen voor een voldoende gevarieerd aanbod in Kaetsjemuoiwei in de vorm van 15 woningen in de betaalbare huursector, 4 speciaal voor starters, 14 in het middeldure segment en 25 in de vrije sector. De raad heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat dit door het college en het gemeentebestuur wenselijk geachte woningbouwprogramma, bestaande uit een combinatie van woningtypen, alleen kan worden gerealiseerd indien aan de locatie Van Haersmasingel goedkeuring zou worden onthouden.

In het door [appellante] gestelde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in het bestreden besluit in redelijkheid niet heeft kunnen aansluiten bij de door de raad gedane toezegging over het te realiseren woningbouwprogramma.

Met betrekking tot het ontbreken van een fasering in de planvoorschriften is de Afdeling van oordeel dat, gelet op het relatief geringe aantal woningen dat met het plan is voorzien, het niet onredelijk is dat er geen fasering in het plan is opgenomen.

Ingevolge artikel 5.1 aanhef en onder c, van de voorschriften behorend bij de bestemming "Woondoeleinden W(d)3 (bouwstroken)" kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat het op de kaart aangegeven maximaal aantal woningen wordt vergroot, mits de te bouwen woningen in overeenstemming zijn met het, op moment van wijziging vigerende gemeentelijke en provinciale woningbouwbeleid.

Voor zover de wijzigingsbevoegdheid extra woningen mogelijk maakt, is dit, gelet op de voorwaarde dat deze alleen kunnen worden gebouwd indien het ten tijde van de wijziging vigerende woningbouwbeleid dit toelaat, niet onredelijk.

Het betoog faalt.

Landschap

2.5. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat ziet op de woningbouwlocatie Kaetsjemuoiwei te Oentsjerk. Zij voert daartoe aan dat het plandeel volgens de "Nota Ruimte, ruimte voor ontwikkeling" (hierna: Nota Ruimte) en het Streekplan Fryslân 2007 (hierna: het streekplan) gelegen is in het Nationaal Landschap de Noordelijke Wouden. Volgens [appellante] geldt hier het 'ja-mits'-principe: ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de landschappelijke kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Volgens [appellante] brengen de in het plandeel opgenomen woningen met de ontsluitingsweg een aantasting van de landschappelijke kernkwaliteiten binnen het Nationaal Landschap de Noordelijke Wouden met zich.

2.5.1. In de Nota Ruimte wordt ten aanzien van Nationale Landschappen uitgegaan van behoud en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten.

Het college stelt zich met verwijzing naar paragraaf 2.7.4. van het streekplan op het standpunt dat het provinciale ruimtelijke beleid gericht is op bescherming van natuur- en landschapswaarden zowel binnen als buiten de Nationale Landschappen. Binnen die context is er, volgens het college, ook in de Nationale Landschappen ruimte voor onder meer de opvang van de plaatselijke woningbehoefte en de verbetering van de lokale en regionale ontsluitingsstructuur, dit alles binnen de landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied. Blijkens voornoemde paragraaf uit het streekplan geldt als uitgangspunt dat de kernkwaliteiten per landschapstype richtinggevend zijn voor verdere ruimtelijke ontwikkelingen. Het combineren van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met behoud en versterking van de aanwezige bijzondere landschappelijke kwaliteiten wordt in voornoemde paragraaf als een ontwerpopgave gezien. De kernkwaliteiten van de Noordelijke Wouden zijn de kleinschalige en fijnmazige elzensingel- en houtwallenstructuur, het aanwezige reliëf van pingoruïnes en dijkswallen en de opstrekkende strokenverkaveling met gevarieerde lengte-breedte verhoudingen van gemiddeld 4:1 tot 5:1.

Blijkens de plantoelichting is het van belang dat de ruimtelijke structuur van het gebied Kaetsjemuoiwei, die zich uit in langgerekte percelen grasland die omzoomd zijn door elzensingels, ook in de toekomst wordt gehandhaafd. Enerzijds zal dit worden gewaarborgd door in het plan de structuren te voorzien van een passende bestemming (groenvoorzieningen). Anderzijds wordt de structuur voldoende gewaarborgd doordat de singels op gemeentegrond liggen en daarnaast een kapvergunningenstelsel van toepassing is. Het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel ligt daarmee niet in de rede, aldus de toelichting.

Blijkens het bestreden besluit neemt het college nota van het uitgangspunt van de raad de reeds bestaande bossingels die voor de noodzakelijke inpassing zorg dragen te handhaven. Alhoewel geen aanlegvergunningenstelsel ter bescherming van de betreffende singels in het plan is opgenomen meent het college dat de raad voldoende instrumenten heeft om de handhaving van de singels te garanderen.

2.5.2. Uit paragraaf 2.7.4. van het streekplan en het bestreden besluit zoals verwoord in rechtsoverweging 2.5.1. kan worden afgeleid dat het college het uitgangspunt in de Nota Ruimte dat binnen Nationale Landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt, heeft overgenomen. Ook uit de brief van het college aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 november 2005, die als bijlage 2 bij het streekplan is gevoegd, blijkt dat in het streekplan voor de gehele provincie wordt ingezet op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden.

Met betrekking tot het behoud of de versterking van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap de Noordelijke Wouden, voor zover gelegen in het plandeel Kaetsjmuoiwei, overweegt de Afdeling dat uit het plan niet duidelijk wordt hoe daarin wordt voorzien. Binnen de kenmerkende oost-west georiënteerde strokenverkaveling hebben drie bouwvlakken met de bestemming W(d)3 in het plandeel een verkaveling in noord-zuidrichting. Voorts hebben de gronden met de kenmerkende elzensingels enkel de bestemming "Groenvoorzieningen" gekregen en zijn deze niet voorzien van de aanduiding "landschappelijke waarden van het woudenlandschap" in samenhang met een aanlegvergunningvereiste, zoals elders in het plan opgenomen. Het college heeft in het bestreden besluit weliswaar gesteld dat het gemeentebestuur voldoende instrumenten ter beschikking heeft om de handhaving van de singels te garanderen, doch dit niet nader onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de elzensingels op gemeentegrond liggen is daarvoor onvoldoende, terwijl ook een kapvergunningenstelsel, dat een ander toetsingskader kent, niet voorziet in het behoud van de elzensingels. Ter zitting is gebleken dat de belangrijkste elzensingel in het plandeel inmiddels is verdwenen en dat de overige singels worden aangetast. Weliswaar is in het bestreden besluit de verwachting uitgesproken dat, voor zover de bestaande beplanting niet handhaafbaar is, de raad zorg draagt voor een andere oplossing die de inpassing van het woongebied garandeert, doch ter zitting is niet gebleken in hoeverre hierin wordt voorzien. Gelet hierop is onduidelijk hoe het college het behoud van de kernkwaliteiten in het plandeel ziet. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het standpunt van het college, dat het woongebied Kaetsjmuoiwei kan worden ingepast binnen de landschappelijke kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap de Noordelijke Wouden, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Het betoog slaagt in zoverre.

Waterhuishouding en privacy

2.6. Voor zover [appellante] met betrekking tot de geplande sloot ten noorden van haar perceel [locatie 1] een open verbinding wenst met ander water in verband met de kwaliteit van de waterhuishouding en met haar privacy, heeft het college in het bestreden besluit aangegeven dat het doortrekken van de zuidelijke verbindingslocatie in noordelijke richting naar de nieuwe aan te leggen sloot niet mogelijk is omdat de betreffende strook grond daarvoor te smal is. Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor. Wel zal volgens het college de sloot in het belang van de waterhuishouding een afwateringsmogelijkheid krijgen. [appellante] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de ligging van de in het plan opgenomen sloot leidt tot een onaanvaardbaar verlies van haar privacy.

Het betoog faalt.

2.7. Voor zover [appellante] betoogt dat de nieuwbouwwoningen aan de westkant van haar perceel in het plan een te hoge goot- en nokhoogte hebben gekregen, stelt het college zich op het standpunt dat de afstand van circa 20 meter tussen de achterzijde van het perceel van [appellante] en de nieuwbouwwoningen voldoende groot is. Gelet op deze afstand heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een zodanig verlies van de privacy van [appellante] dat zij daardoor ernstig wordt benadeeld.

Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid en verkeerslawaai

2.8. [appellante] betoogt verder dat de voorgenomen ontsluitingsweg van de woonlocatie naar de Kaetsjemuoiwei ten koste gaat van de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat in verband met geluidhinder. In dit verband voert zij aan dat de Kaetsjemuoiwei een smalle klinkerstraat is met een maximaal toegestane snelheid van 60 km per uur en dat de volgens haar te laag ingeschatte verkeersintensiteit op de Kaetsjemuoiwei door de nieuwbouw en als gevolg van te verwachten sluipverkeer door bewoners van de wijk Douwelaan-Zuid zal toenemen. In dit verband plaatst zij vraagtekens bij de noodzaak van de ontsluitingsweg en wijst zij op de aanbevelingen in het rapport "Verkeersveiligheid op Nieuwe Straatweg (Gytsjerk)/Kaetsjemuoiwei (Mûnein) - gemeente Tytsjerksteradiel" van Veilig Verkeer Nederland (hierna: VVN), waaronder de aanbeveling dat de snelheidslimiet van 60 km/u onvoldoende is voor de verkeersveiligheid.

2.8.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat door de nieuwe ontsluitingsweg het verkeer op de Kaetsjemuoiwei en de Nieuwe Straatweg zal toenemen met ongeveer een kwart ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Volgens de raad is er bij de prognose voor extra verkeersbewegingen over de Kaetsjemuoiwei niet gerekend met extra verkeersbewegingen vanuit de wijk Douwelaan-Zuid, omdat de route via de Douwelaan/Rengersweg tot aan het knooppunt Rengersweg-Nieuwe Straatweg wat betreft de afstand niet significant verschilt van de route via de Kaetsjemuoiwei tot aan het knooppunt Rengersweg/Nieuwe Straatweg. Het college stelt zich verder in navolging van de raad op het standpunt dat de aanbevelingen van VVN niet worden overgenomen. In overleg met de politie is besloten de snelheid buiten de bebouwde kom terug te brengen tot 60 km per uur. Een nieuw te realiseren gelijkwaardig kruispunt van de ontsluitingsweg op de Nieuwe Straatweg/Kaetsjemuoiwei zal volgens het college een remmende werking op het verkeer hebben.

2.8.2. Gelet op de hiervoor aangehaalde motivering van het college is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat is uitgegaan van een te lage verkeersintensiteit op de Kaetsjemuoiwei als gevolg van het plan. Er bestaat voorts, gezien de relatief geringe bijdrage van het verkeer uit de nieuwe woonlocatie aan het totale verkeersaanbod op de Kaetsjemuoiwei, geen grond voor het oordeel dat sprake is van een onaanvaardbare geluidssituatie. Verder heeft het college zich gezien het positieve advies van de politie over het plan en de voorgenomen verkeersmaatregelen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op de Kaetsjemuoiwei als gevolg van de uitvoering van het plan geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

Het betoog faalt.

Bodemonderzoek

2.9. Voor zover [appellante] betoogt dat het bodemonderzoeksrapport met betrekking tot het perceel tussen [locatie 1 en 2] ten tijde van de vaststelling van het plan ontbrak, overweegt de Afdeling dat dit rapport voorafgaand aan het bestreden besluit alsnog is opgesteld. Volgens de raad vormen de gemeten gehalten en concentraties geen aanleiding om milieuhygiënische beperkingen te stellen aan het gebruik van de locatie en is het perceel geschikt voor de woonfunctie. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die conclusie onjuist is. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat er geen milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen de woonfunctie.

Het betoog faalt.

Conclusie

2.10. Uit 2.5.2. volgt dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat ziet op de woningbouwlocatie Kaetsjemuoiwei, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in zoverre te worden vernietigd. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen voor het overige is aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslan van 24 juni 2008, kenmerk 00767964, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat ziet op de woningbouwlocatie Kaetsjemuoiwei;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

429-602.