Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200808175/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dongen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808175/1/H1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 11 september 2008 in zaken nrs. 08/4020 en verder in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dongen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor de bouw van een woning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het college bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel.

Bij besluiten van 22 juli 2008 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, voor zover ingediend door [4 appellanten], en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 11 september 2008, verzonden op 3 oktober 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 december 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2009, waar [appellanten], in persoon van [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.W. Lambooij en J.H. Rijken-de Haan, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bouw van de woning op het perceel geen verband houdt met de bouw van twaalf vrijstaande woningen gelegen aan de Haanse Hoef en de Leeuweriklaan alsmede de realisatie van een ontsluitingsweg en een rotonde op de Leeuweriklaan. Zij voeren daartoe aan dat uit verschillende stukken in het dossier blijkt dat de bouw van de woning op het perceel niet los kan worden gezien van de bouw van voormelde twaalf woningen. Nu volgens [appellanten] samenhang bestaat tussen beide bouwplannen, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte geoordeeld dat het college de bezwaren van [4 appellanten] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren daartoe aan dat een aantal van voormelde twaalf woningen op een afstand van minder dan 185 m van de woningen van [4 appellanten] ligt, zodat deze appellanten dienen te worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een woning op het perceel.

2.1.1. Voorop wordt gesteld dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De aanvraag om bouwvergunning en vrijstelling betreft de bouw van één woning op het perceel, zodat in deze procedure uitsluitend aan de orde is de bouw van deze woning en niet tevens, zoals [appellanten] betogen, het bouwplan dat voorziet in de bouw van twaalf vrijstaande woningen gelegen aan de Haanse Hoef en de Leeuweriklaan te Dongen. Daarbij wordt overwogen dat de bouwvergunningen en de daarbij behorende vrijstelling voor de woningen gelegen aan de Haanse Hoef 1 en 1a en de Leeuweriklaan 2 reeds onherroepelijk zijn. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen. Het bouwplan heeft evenmin betrekking op het wijzigingsplan "Tweede wijziging van het bestemmingsplan Dongen Buitengebied", welk plan met de uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200708333/1 in rechte onaantastbaar is geworden en op grond waarvan op het perceel Haanse Hoef 3 de bouw van een burgerwoning mogelijk is.

Dat in de onderhavige procedure uitsluitend de bouw van de woning op het perceel aan de orde is, betekent evenwel niet dat het college bij de beoordeling van het in geding zijnde verzoek om vrijstelling en de daarbij behorende belangenafweging geen rekening mocht houden met bouwplannen in de omgeving van het perceel.

2.1.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 8 april 2009 in zaak nr. 200804652/1, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.1.3. De vraag of [4 appellanten] moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in vorenbedoelde zin is, gezien overweging 2.1.1, dan ook beperkt tot de voor de woning op het perceel verleende vrijstelling en bouwvergunning.

Vast staat dat de woningen van [4 appellanten] op een afstand van tenminste 200 m van het perceel zijn gelegen. Voorts hebben [4 appellanten], gelet op de bebouwing en beplanting tussen hun percelen en het perceel waarop het bouwplan is voorzien, geen zicht op het perceel. Gezien het voorgaande en nu het slechts de bouw van één woning betreft, moet de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan voor de situatie ter plaatse van de woningen van voormelde appellanten gering worden geacht. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat deze appellanten door de in geding zijnde besluiten rechtstreeks in een persoonlijk belang worden geraakt. De voorzieningenrechter heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat [4 appellanten] niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het betoog faalt.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Dongen Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan).

Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. De ruimtelijke onderbouwing van het project, dat ten grondslag is gelegd aan het besluit tot vrijstelling alsmede aan de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) van 4 september 2007, is neergelegd in de notitie "Boersen Haanse Hoef - Ruimtelijke Onderbouwing ex. artikel 19 WRO" van 5 augustus 2006 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de feitelijke situatie ter plaatse, op de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan alsmede de aanleiding om daarvan af te wijken en zijn voorts onder meer de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van het bouwplan beoordeeld.

Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het relevante provinciale beleidskader wordt gevormd door het streekplan Noord-Brabant (hierna: het streekplan) en het "Uitwerkingsplan stedelijke regio Breda-Tilburg" (hierna: het uitwerkingsplan). Het gemeentelijke beleidskader wordt gevormd door de "Structuurvisie Plus" (hierna: de structuurvisie) alsmede het Groenstructuurplan.

2.4. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen voor het onderhavige bouwplan. Zij stellen dat gebreken kleven aan zowel de aan het besluit tot vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing en rapporten als aan de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende verklaring van geen bezwaar.

[appellanten] voeren daartoe - kort weergegeven - aan dat sprake is van strijd met het provinciale beleid. Zij stellen dat niet aan de in het streekplan en het uitwerkingsplan opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Zij voeren voorts aan dat het bouwplan in strijd is met de structuurvisie, nu dit plan volgens hen uitbreiding van het stedelijk gebied tegengaat. Ook wordt volgens [appellanten] gehandeld in strijd met het Groenstructuurplan, omdat de in dit plan opgenomen groene rand ertoe leidt dat geplande bebouwing door die rand wordt begrensd.

[appellanten] voeren voorts aan dat de door gedeputeerde staten verleende hogere geluidgrenswaarde voor de woning op het perceel in strijd met de Wet geluidhinder, zoals deze luidde vóór 1 januari 2007 (hierna: de Wgh (oud)), is vastgesteld, nu deze hogere geluidgrenswaarde de in de Wgh (oud) opgenomen maximaal toelaatbare norm overschrijdt. Gelet hierop kan volgens [appellanten] in het belang van een goede ruimtelijke ordening niet tot de bouw van de woning op het perceel worden overgegaan. Zij voeren verder aan dat de invoergegevens voor akoestische berekeningen van met name de verkeersstromen en verkeersintensiteiten op onzorgvuldige en oncontroleerbare wijze tot stand zijn gekomen en dat de verschillende rapportages op dit punt tegenstrijdigheden bevatten, zodat niet duidelijk is of de vastgestelde hogere geluidgrenswaarde wordt overschreden.

[appellanten] voeren verder bezwaren aan ten aanzien van parkeren en stellen tot slot dat het ecologisch onderzoek onzorgvuldig en incompleet is.

2.4.1. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen voor het onderhavige bouwplan. Zowel gedeputeerde staten als het college hebben de planologische aanvaardbaarheid van het project voldoende onderbouwd. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor de conclusie dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de door gedeputeerde staten op 4 september 2007 afgegeven verklaring van geen bezwaar. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.4.2. In het streekplan is in paragraaf 3.4.13 bepaald dat de provincie het wonen zoveel mogelijk wil concentreren in kernen. Spreiding van de woonbebouwing wordt tegengegaan om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. In het uitwerkingsplan is het globale verstedelijkingsbeleid uit het streekplan uitgewerkt voor de regio Breda-Tilburg. Op de kaart behorende bij het uitwerkingsplan ligt het bouwplan in het gebied met de aanduiding "zoekgebied verstedelijking - transformatie afweegbaar". Het college en gedeputeerde staten hebben zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op basis van het uitwerkingsplan in beginsel geen bezwaar bestaat tegen woningbouw in dit gebied. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op de in paragraaf 6.2.3 van het uitwerkingsplan opgenomen voorwaarden, waaronder het respecteren van de kwaliteiten en de structuren in het gebied en de omgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. Gebleken is dat de woning op het perceel aansluit op de bestaande bebouwing Haanse Hoef 3 en 5 alsmede op de in ontwikkeling zijnde bebouwing aan de Haanse Hoef en de Leeuweriklaan. Daarbij wordt, anders dan [appellanten] betogen, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 12 november 2008 in de zaken met nrs. 200800890/1, 200800896/1 en 200800897/1 inzake het realiseren van woningen aan de Haanse Hoef 1 en 1a en Leeuweriklaan 2, overwogen dat de bouw van de twaalf woningen aan de Haanse Hoef en Leeuweriklaan voldoende zeker is. Dat de aanleg van de ontsluitingsweg Leeuwerikaan met rotonde nog niet onherroepelijk vast staat, wat hier van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Het zuinig ruimtegebruik wordt blijkens de ruimtelijke onderbouwing en de beantwoording van de zienswijzen in de besluiten op bezwaar bewerkstelligd doordat de bestaande bedrijfsgebouwen en -woning op de Haanse Hoef 3 worden gesloopt, zodat per saldo het bebouwd oppervlak na nieuwbouw op de Haanse Hoef 3 en 3a niet of nauwelijks zal toenemen. Ook is in deze stukken uiteengezet dat door het bouwplan de kwaliteit van het bestaande woongebied, dat wordt bepaald door het groene karakter en de relatie met het omringende agrarische gebied, niet wijzigt, nu het bouwplan goed kan worden ingepast in de omgeving. Gelet op de in voormelde stukken neergelegde motivering heeft het college de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan in zoverre voldoende onderbouwd en bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college en gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat aan de in het uitwerkingsplan opgenomen nadere voorwaarden wordt voldaan. Wat [appellanten] over de regeling "Ruimte voor Ruimte" naar voren hebben gebracht, heeft geen betrekking op het bouwplan en is in deze procedure derhalve niet relevant.

De voorzieningenrechter heeft het bouwplan terecht niet in strijd met het provinciale beleid geacht.

2.4.3. Van strijd met het gemeentelijk beleid is, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld, evenmin gebleken.

Het in de structuurvisie opgenomen beleid sluit de beoogde nieuwbouw op het perceel niet uit. Het perceel maakt deel uit van het gebied dat op de structuurvisiekaart is aangeduid als "vergroten stabiliteit kernrandzones". Over de aanduiding "vergroten stabiliteit kernrandzones" is - voor zover hier van belang - in de structuurvisie bepaald dat onder meer tussen de Vierbundersweg en de Eindsestraat vergroting van de stabiliteit in ruimtegebruik gewenst is. Vastgesteld moet evenwel worden dat volgens kaart 5 op pagina 30 van de structuurvisie ter plaatse van het perceel een beperkte stedelijke uitbreiding mogelijk is. Dat het betrokken gebied in de structuurvisie is aangewezen als zone voor de ontwikkeling van landgoederen, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat de bouw van de woning, mede gelet op de omvang van de landgoederenzone, niet in de weg staat aan de ontwikkeling van landgoederen. Verder is voor de ecologische verbindingszone in het uitwerkingsplan een andere locatie opgenomen, zodat deze zone, anders dan vermeld in het structuurplan, niet meer is gelegen langs de rand van de Haanse Hoef.

Voorts is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat het college in de weerlegging van de zienswijzen en in de besluiten op bezwaar deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen afbreuk doet aan de in het Groenstructuurplan neergelegde uitgangspunten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat de in het Groenstructuurplan opgenomen groene rand geen statisch karakter heeft.

2.4.4. Vaststaat dat gedeputeerde staten geacht moeten worden op grond van de Wgh (oud) voor de woning op het perceel Haanse Hoef 3a op 11 juni 2007 een geluidgrenswaarde te hebben vastgesteld van 59 dB(A). Wat betreft de bezwaren van [appellanten] gericht tegen dit fictieve besluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarde, stelt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van 28 november 2008 in zaak nr. 200708333/1 vast dat tegen dit besluit aparte rechtsmiddelen hebben opengestaan en dat dit besluit inmiddels onherroepelijk is. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat het college bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling de met het besluit van 11 juni 2007 vastgestelde hogere geluidgrenswaarde van 59 dB(A) als uitgangspunt heeft kunnen nemen en dat het betoog van [appellanten] dat dit besluit in strijd is met de Wgh (oud) in deze procedure niet meer aan de orde kan komen.

Vast staat dat de invoergegevens voor akoestische berekeningen van de verkeersstromen en verkeersintensiteiten op met name de Vierbundersweg in de aan de besluiten ten grondslag gelegde geluidrapportages van elkaar verschillen. In de ruimtelijke onderbouwing is uitgegaan van een verkeersintensiteit op de Vierbundersweg van 17.300 motorvoertuigen per etmaal in 2016 met een autonome groei van 2% per jaar. Aan de besluiten tot het verlenen van bouwvergunning en vrijstelling is het geluidrapport van het adviesbureau RBOI van 1 mei 2007 ten grondslag gelegd, waarin is uitgegaan van een verkeersintensiteit op de Vierbundersweg van 17.100 motorvoertuigen per etmaal in 2015 en van 17.600 motorvoertuigen per etmaal in 2017. In het aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde geluidrapport van het adviesbureau RBOI van 10 juni 2008 is voor de Vierbundersweg uitgegaan van 11.300 motorvoertuigen per etmaal in 2015 en van 12.000 motorvoertuigen per etmaal in 2018. Uit het door [appellanten] overgelegde rapport "akoestisch onderzoek Noordwesttangent te Tilburg" van mei 2009 volgt dat op de Vierbundersweg in 2020 sprake is van een verkeersintensiteit van 17.000 motorvoertuigen per etmaal. De verschillen in verkeersintensiteit zijn blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting onder meer te verklaren door de effecten van reconstructies van bestaande wegen in de omgeving van het perceel alsmede de verschillende aan te leggen verbindingswegen in de omgeving van het perceel. Wat hier ook van zij, geen van de recentere verkeersmodellen waarop [appellanten] wijzen, laat een verkeerstoename zien van meer dan 17.600 voertuigen per etmaal op de Vierbundersweg in de periode 2017 - 2020. Dat van nog hogere verkeersintensiteiten op de Vierbundersweg dient te worden uitgegaan, is niet aannemelijk geworden.

Uit het rapport van RBOI van 1 mei 2007 volgt dat uitgaande van 17.600 voertuigen op de Vierbundersweg aan de voor de woning op het perceel geldende hogere geluidgrenswaarde kan worden voldaan. De enkele omstandigheid dat in dit rapport de geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel is weergegeven in dB's in plaats van in dB(A)'s, maakt niet dat de berekening van die geluidbelasting niet juist is. Voorts is niet gebleken dat RBOI en het college bij de beoordeling van de geluidbelasting zijn uitgegaan van een verkeerde omrekening van dB(A)'s naar dB's. Evenmin is aannemelijk geworden dat de aan de ruimtelijke onderbouwing en de besluiten ten grondslag gelegde rapportages anderszins onjuistheden bevatten dan wel leemten in kennis vertonen, zodat thans geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onaanvaardbare geluidhinder aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat.

2.4.5. Wat betreft het betoog van [appellanten] inzake het parkeren, wordt opgemerkt dat slechts dient te worden beoordeeld of het onderhavige bouwplan, dat voorziet in de bouw van één woning, onaanvaardbare parkeeroverlast op de Haanse Hoef tot gevolg heeft. Voor de beoordeling van dit bouwplan is, anders dan [appellanten] stellen, derhalve niet van belang waar gasten van andere woningen aan de Haanse Hoef en de Leeuweriklaan hun auto parkeren. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat realisering van het bouwplan tot parkeerproblemen zal leiden, nu bij de bouw van de woning zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

2.4.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juni 2008 in zaak nr. 200706699/1), komt de vraag of voor de uitvoering van een project een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2007 in zaak nr. 200700052/1 dat de vraag of nader onderzoek naar het effect van de te realiseren woningen op flora en fauna dient te worden verricht, primair in het kader van die procedure moet worden beoordeeld. Slechts indien op voorhand twijfel bestaat of een zodanige vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, is er aanleiding een vrijstelling in het kader van artikel 19 van de WRO te weigeren.

In de ruimtelijke onderbouwing is gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat in de omgeving muizen, mollen en de gewone pad voorkomen, zodat ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet niet nodig is. Naar aanleiding van de bezwaren van [appellanten] tegen onder meer het bouwplan heeft het college het Ecologisch Adviesbureau Cools (hierna: Cools) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de onder meer op het perceel aanwezige beschermde natuurwaarden. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Quick Scan beschermde natuurwaarden in het plangebied Haanse Hoef te Dongen" van mei 2008 (hierna: de Quick Scan). Blijkens de Quick Scan doet zich niet de situatie voor dat op voorhand twijfel bestaat of een ontheffing of vrijstelling op grond van de Flora- en Faunawet kan worden verleend, mocht dat nodig zijn. Niet aannemelijk is geworden dat de Quick Scan en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Daarbij wordt overwogen dat in de Quick Scan en de daarbij behorende bijlagen voldoende is ingegaan op onder meer de aanwezigheid van watervogels. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en Faunawet niet aan het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO in de weg staat.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

374.