Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200805535/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag en be- en verwerking van afvalstoffen op industrieterrein Hessenpoort op de hoek van de Rijnlandstraat en de Trierstraat te Zwolle, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie […], nummers […] (gedeeltelijk), […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 5 juni 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2118
JAF 2009/83 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2009/21 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805535/1/M1.

Datum uitspraak: 2 september 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Ondernemersvereniging Hessenpoort, gevestigd te Zwolle, en andere,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de op- en overslag en be- en verwerking van afvalstoffen op industrieterrein Hessenpoort op de hoek van de Rijnlandstraat en de Trierstraat te Zwolle, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie […], nummers […] (gedeeltelijk), […] (gedeeltelijk) en […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 5 juni 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de vereniging Ondernemersvereniging Hessenpoort en andere (hierna: Hessenpoort en andere) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2009, waar Hessenpoort en andere, vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en E. Rappel, en het college, vertegenwoordigd door C.A. Oordt en H.J. Schutte, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Hessenpoort en andere voeren aan dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is gemaakt dan wel is beoordeeld of een milieu-effectrapport moest worden gemaakt.

2.1.1. In onderdeel C.21.5 van de bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) is, voor zover van belang, de oprichting van een inrichting bestemd voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten aangewezen als een activiteit waarvoor, in bepaalde gevallen, krachtens artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Het betreft, voor zover van belang, de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbesthoudende producten met een verbruik van 200 ton asbest per jaar of meer.

In onderdeel D.21.5 van de bijlage behorende bij het Besluit mer is, voor zover van belang, de oprichting van een inrichting bestemd voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbest of asbesthoudende producten aangewezen als een activiteit waarvoor, in bepaalde gevallen, krachtens de artikelen 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer moet worden bepaald of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Het betreft, voor zover van belang, de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van asbestcement met een capaciteit van 10.000 ton eindproduct per jaar of meer dan wel op een inrichting voor de vervaardiging, bewerking of verwerking van andere asbesthoudende producten met een verbruik van 100 ton asbest per jaar of meer.

2.1.2. Ingevolge de aanvraag, die, voor zover van belang, deel uitmaakt van de vergunning, mag binnen de inrichting 19.200 ton asbesthoudende stoffen worden bewerkt. In de onderhavige situatie, waarin asbesthoudende stoffen worden bewerkt, acht de Afdeling voor de beoordeling van de vraag of de drempelwaarde van 100 dan wel 200 ton wordt gehaald relevant de hoeveelheid asbest in deze te bewerken stoffen.

In de aanvraag wordt, in tegenstelling tot wat het college stelt, vermeld dat het wat de acceptatie van asbesthoudende stoffen betreft ook kan gaan om gevaarlijk afval. Weliswaar wordt in de aanvraag onder 5.1 vermeld dat van de complementaire stoffen alleen de niet gevaarlijke afvalstoffen worden geaccepteerd, maar hierop wordt een uitzondering gemaakt voor onder meer asbesthoudende stoffen. Het college is voor de hoeveelheid asbest in gevaarlijke asbesthoudende stoffen uitgegaan van minimaal 10.000 mg/kg, hetgeen bij een hoeveelheid van 19.200 ton asbesthoudende stoffen neerkomt op minimaal 192 ton asbest. Een dergelijke hoeveelheid bedraagt evident meer dan de drempelwaarde van 100 ton van onderdeel D.21.5 van de bijlage behorende bij het Besluit mer, boven welke hoeveelheid moet worden bepaald of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Gelet op een ander berust het bestreden besluit, dat ervan uitgaat dat geen mer-beroordelingsplicht bestaat, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering.

Dat, zo ter zitting is gesteld, de asbesthoudende stoffen die in de inrichting worden bewerkt in de praktijk minder asbest zullen bevatten dan 100 ton per jaar en het uitgezeefde materiaal als asbestcement dient te worden aangemerkt, wat van beide stellingen ook zijn mogen, maakt het bovenstaande niet anders. Beslissend is hoeveel asbest de stoffen krachtens de vergunning mogen bevatten.

2.2. Nu de vraag of een milieu-effectrapport moest worden gemaakt dan wel moest worden beoordeeld of een milieu-effectrapport moest worden gemaakt beslissend is voor de vraag of vergunning kan worden verleend, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.3. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 21 mei 2008, kenmerk 2007/0581225;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij Ondernemersvereniging Hessenpoort en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan Ondernemersvereniging Hessenpoort en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Hamond

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009

446.