Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
200905293/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) [verzoekster] te [plaats] onder oplegging van een dwangsom gelast maatregelen te nemen zodat er geen water via de nieuwe drainage vanaf het perceel kadastraal bekend gemeente Vriezenveen, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel) kan worden afgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200905293/1/R2.

Datum uitspraak: 25 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], waarvan de maten zijn [maat 1], [maat 2], [maat 3] en [maat 4], gevestigd te [plaats], gemeente Twenterand,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) [verzoekster] te [plaats] onder oplegging van een dwangsom gelast maatregelen te nemen zodat er geen water via de nieuwe drainage vanaf het perceel kadastraal bekend gemeente Vriezenveen, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel) kan worden afgevoerd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, het college, vertegenwoordigd door H. Puttenstein, ambtenaar in dienst van de provincie, en Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij het bestreden besluit overwogen dat het bevoegd is handhavend op te treden omdat [verzoekster] zonder de daarvoor benodigde vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), drainage heeft aangelegd op het perceel. Het college heeft voorts overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van handhavend optreden. Concreet zicht op legalisatie bestaat volgens het college niet omdat [verzoekster] geen vergunning heeft aangevraagd en het bovendien niet waarschijnlijk is dat, indien een vergunning wordt aangevraagd deze kan worden verleend. Het belang van [verzoekster] bij de drainage van het perceel weegt bovendien volgens het college niet op tegen de belangen die gediend zijn bij de bescherming van het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen.

2.2. [verzoekster] verzoekt het bestreden besluit te schorsen. Zij voert daartoe aan dat het vervangen van de drainage in het perceel niet vergunningplichtig is omdat het bestaand gebruik is als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998. Verder voert zij aan dat handhavend optreden onevenredig is gelet op de belangen die [verzoekster] heeft bij drainage van het perceel.

2.3. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover van belang, is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998 is het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode, bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 1, onder m, van de Nbw 1998, voor zover van belang, is bestaand gebruik iedere handeling die op 1 oktober 2005 werd verricht en sedertdien niet of niet in betekenende mate is gewijzigd.

2.4. Het perceel ligt ten oosten van het Natura 2000-gebied Engbertsdijkvenen. Dit gebied staat op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in de Habitatrichtlijn, onder meer vanwege het voorkomen van het habitattype Actief hoogveen en aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is. In het ontwerp aanwijzingsbesluit is voor deze beide habitattypen een hersteldoelstelling opgenomen.

Uit hydrologisch onderzoek van het waterschap Regge en Dinkel blijkt dat ontwateringsmiddelen, waaronder drainage, aan de oostzijde van de Engbertsdijkvenen een belangrijk knelpunt is voor het Natura 2000-gebied.

2.5. De voorzitter is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanleg en het gebruik van de nieuwe drainage op het perceel de kwaliteit van de natuurlijke habitats in het Natura 2000-gebied kan verslechteren, zodat dit op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 in beginsel vergunningplichtig is.

2.6. Ten aanzien van het betoog van [verzoekster] dat de aanleg en het gebruik van de nieuwe drainage bestaand gebruik is dat is uitgezonderd van de vergunningplicht overweegt de voorzitter het volgende. Op het perceel is ongeveer 18 jaar geleden drainage aangelegd. Deze drainage functioneerde niet goed meer. De nieuwe drainage die begin 2009 op het perceel is aangelegd ligt 5 tot 45 centimeter dieper dan de oude drainage. De voorzitter deelt het standpunt van het college dat de drainage van het perceel door de aanleg en het gebruik van de nieuwe drainage sinds 1 oktober 2005 in betekenende mate is gewijzigd, zodat de aanleg en het gebruik niet onder de uitzondering van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998 valt.

2.7. De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat gehandeld is in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden. Voorts staat vast dat [verzoekster] geen vergunning heeft aangevraagd die strekt tot legalisering van de aanleg en het gebruik van de drainage, zodat geen concreet zicht op legalisering bestaat op grond waarvan het college had dienen af te zien van handhavend optreden. Ook in hetgeen [verzoekster] overigens heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van het Natura 2000-gebied in dit geval zwaarder weegt dan de bedrijfsbelangen van [verzoekster].

2.8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2009

388.