Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200807542/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) een besluit van 21 februari 2002 tot toekenning van een remigratie-uitkering aan [belanghebbende] ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807542/1/V6.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 mei 2008 in zaak nr. 07/4644 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) een besluit van 21 februari 2002 tot toekenning van een remigratie-uitkering aan [belanghebbende] ingetrokken.

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft de SVB het daartegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2008, verzonden op 30 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 11 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 september 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

Het hoger-beroepschrift is met toepassing van artikel 6:15, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden naar de Raad van State.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Arslaner, advocaat te 's-Gravenhage, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Remigratiewet is deze wet van toepassing op een meerderjarige Nederlander, die niet tevens een andere nationaliteit bezit, die behoort tot een minderheidsgroep en die verklaart bereid te zijn al hetgeen te doen wat in redelijkheid mogelijk is om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 8g, eerste lid, is de SVB bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

Ingevolge het tweede lid zijn de personen die aanspraak hebben op de voorzieningen verplicht de voorschriften op te volgen die de SVB ten behoeve van een doelmatige controle stelt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (hierna: het Uitvoeringsbesluit) dient de remigrant die niet tevens een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit, voor de vertrekdatum een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de wet af te leggen. Deze verklaring dient deze remigrant over te leggen aan de SVB.

Ingevolge het tweede lid dient de remigrant, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk bij de autoriteiten van het bestemmingsland een verzoek in ter verkrijging van de nationaliteit van dat land.

Ingevolge het derde lid zendt de remigrant, bedoeld in het eerste lid, schriftelijke bewijsstukken van zijn verzoek onverwijld aan de SVB.

Ingevolge artikel 9, voor zover thans van belang, zijn een remigrant en zijn partner verplicht aan de SVB op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht of op de hoogte van de voorzieningen, op het geldend maken van dat recht of op het te betalen bedrag.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wijzigt de SVB een dergelijk besluit of trekt zij dat in, voor zover het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van de artikelen 3, derde en vierde lid, en 9 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre nog recht op remigratievoorzieningen bestaat.

Ingevolge die aanhef en onder d, wijzigt de SVB een dergelijk besluit of trekt zij dat in indien een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de wet heeft nagelaten al hetgeen te doen wat in redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen.

Volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Controlevoorschriften Remigratiewet (hierna: de Controlevoorschriften), voor zover thans van belang, legt de remigrant op verzoek van de SVB binnen de door de SVB gestelde termijn een door een bevoegde autoriteit gewaarmerkte verklaring inzake het in leven zijn over.

2.2. De SVB heeft eerder bij besluit van 30 juni 2005 de intrekking van de remigratie-uitkering gehandhaafd omdat ondanks herhaalde verzoeken daartoe, niet tijdig een verklaring inzake in leven zijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Controlevoorschriften, is overgelegd en een alsnog op 22 december 2004 overgelegde verklaring geen verandering kan brengen in de beëindiging van de remigratie-uitkering, omdat deze uitkering definitief is beëindigd.

Bij uitspraak van 7 maart 2007 heeft de rechtbank Amsterdam overwogen dat de SVB aldus heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 van de Awb, op grond waarvan een heroverweging van het primaire besluit in beginsel dient te geschieden met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging en de SVB opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen.

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft de SVB de intrekking van de remigratie-uitkering gehandhaafd, omdat [belanghebbende] niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 3, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit om onverwijld schriftelijke bewijsstukken omtrent zijn verzoek tot verkrijging van de nationaliteit van het bestemmingsland aan de SVB te zenden.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de SVB niet de rechtsgrond, althans de motivering van de intrekking kan wijzigen, dit nalatig is en aan het besluit van 16 mei 2007 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. 200704988/1), wordt door het hanteren van een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond niet buiten de grenzen getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar.

Door aan de handhaving van de intrekking van de remigratie-uitkering in het besluit van 16 mei 2007 alsnog ten grondslag te leggen dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat onverwijld schriftelijke bescheiden omtrent het verkrijgen van de nationaliteit van het bestemmingsland dienen te worden overgelegd, heeft de SVB de juridische grondslag van het primaire besluit van 20 juli 2004 gewijzigd. Deze wijziging is te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van dit besluit.

Voor zover [appellant] voorts heeft betoogd dat de SVB niet eerder heeft gewezen op de verplichting schriftelijke bescheiden omtrent het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit over te leggen, kan zij hierin niet worden gevolgd. Op 3 augustus 2000 heeft [belanghebbende] reeds een zogenoemde verklaring nationaliteit ondertekend, waarin hij heeft verklaard alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de Surinaamse nationaliteit zo spoedig mogelijk te verkrijgen. De SVB heeft bij brief van 13 mei 2002 de ontvangst van de verklaring nationaliteit bevestigd en gewezen op de verplichting om zo spoedig mogelijk de Surinaamse nationaliteit aan te vragen en hiervan bescheiden over te leggen. Bij brief van 27 augustus 2002 heeft de SVB [belanghebbende] een herinnering gestuurd, erop gewezen dat voormelde bescheiden uiterlijk 13 november 2002 in het bezit van de SVB dienen te zijn en bij niet voldoen aan deze verplichting de remigratie-uitkering zal worden geschorst. Voorts heeft op 29 januari 2007 een gesprek plaatsgevonden op verzoek van [appellant], waarin de SVB haar erop heeft gewezen dat tevens aan voormelde voorwaarde diende te worden voldaan en het de SVB niet vrij stond om de remigratie-uitkering te hervatten zolang niet aan de voorwaarden van de Remigratiewet wordt voldaan. Vast staat dat nimmer aan deze voorwaarden is voldaan.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

382-510.