Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200900262/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2006, kenmerk LMV 2006283379, heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van het Besluit geluidhinder spoorwegen de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting, vanwege het spoorweggedeelte traject 660/661, km 11.720-14.575, gelegen in de gemeente Bergen op Zoom (clusters 3, 5, 6, 7, 8), van de gevels van de in het besluit genoemde te saneren woningen en andere geluidgevoelige gebouwen vastgesteld. Tevens zijn bij dit besluit maatregelen, waaronder tijdelijke, vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900262/1/M2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ProRail B.V., gevestigd te Utrecht,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2006, kenmerk LMV 2006283379, heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van het Besluit geluidhinder spoorwegen de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting, vanwege het spoorweggedeelte traject 660/661, km 11.720-14.575, gelegen in de gemeente Bergen op Zoom (clusters 3, 5, 6, 7, 8), van de gevels van de in het besluit genoemde te saneren woningen en andere geluidgevoelige gebouwen vastgesteld. Tevens zijn bij dit besluit maatregelen, waaronder tijdelijke, vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting.

Bij besluit van 21 november 2008, kenmerk BSV 2008110667, heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) beslist op bezwaren, gericht tegen het besluit van 17 juli 2006. Daarbij is het besluit van 17 juli 2006 gedeeltelijk herroepen.

Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. (hierna: ProRail) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, beroep ingesteld. DB Schenker heeft haar beroep aangevuld bij brief van 9 maart 2009.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

DB Schenker heeft bij brief van 31 juli 2009 haar beroep ingetrokken.

ProRail heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2009, ProRail, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, mr. L.C. Makkinga en mr. drs. D. van Bemmel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Koornwinder, werkzaam bij het ministerie, mr. A.M.E. van Kessel, mr. J.P. Ribbers en ir. W. Soede, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2007 is de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 2006, 350) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold vóór 1 januari 2007 van toepassing is op het geding.

2.2. In artikel 1 van het besluit van 17 juli 2006 (hierna: het primaire besluit), in samenhang met de bijlage daarbij, is krachtens artikel 11, derde lid, en artikel 27, tweede lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen voor een aantal te saneren woningen en andere geluidgevoelige gebouwen de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege het onderhavige spoorweggedeelte vastgesteld. Verder zijn in de artikelen 2 en 3 van het primaire besluit krachtens artikel 27, negende lid, in samenhang met artikel 1a, tweede lid, van het Besluit geluidhinder spoorwegen maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting, waarbij de maatregelen in artikel 3, die betrekking hebben op de intensiteit en snelheid van het goederenvervoer op het onderhavige spoorweggedeelte, een tijdelijk karakter hebben.

Bij besluit van 12 april 2007, kenmerk LMV 2007015639, voor zover hier van belang, zijn de artikelen 1 en 2 van het primaire besluit gehandhaafd en is artikel 3 van het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat andere tijdelijke maatregelen met betrekking tot de intensiteit en snelheid van het goederenvervoer op het onderhavige spoorweggedeelte zijn vastgesteld. Dit besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 21 mei 2008, in zaak nr. 200703194/1, vernietigd.

Bij het bestreden besluit heeft de minister opnieuw beslist op de bezwaren, gericht tegen het primaire besluit. Daarbij heeft de minister de artikelen 1 en 2 van het primaire besluit herroepen.

2.3. ProRail stelt dat de minister ten onrechte niet tevens artikel 3 van het primaire besluit heeft herroepen. Volgens haar is niet duidelijk wat de betekenis van dit artikel nog is nu de artikelen 1 en 2 van het primaire besluit zijn herroepen.

2.3.1. Ter zitting heeft de minister gesteld dat artikel 3 van het primaire besluit niet behoefde te worden herroepen, omdat het hier gaat om maatregelen die een aanvullend karakter hebben en die niet zijn gebaseerd op het aan het primaire besluit ten grondslag liggende akoestische onderzoek dat niet voldoet aan de eisen van de toepasselijke regelgeving.

2.3.2. In artikel 3, eerste lid, van het primaire besluit zijn in aanvulling op artikel 2 beperkingen gesteld aan de snelheid en de intensiteit van het goederenvervoer op het traject. Uit het tweede lid volgt, voor zover hier belang, dat de in het eerste lid bedoelde maatregelen komen te vervallen op de datum waarop de in artikel 1 vastgestelde ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting worden beschouwd als geluidproductieplafonds of zoveel eerder als de maatregelen bedoeld in artikel 1, onder b, c en d getroffen zijn. Uit het derde lid van artikel 3 van het primaire besluit volgt dat indien voor het tijdstip als bedoeld in het tweede lid reeds geluidreducerende maatregelen worden getroffen, de ontstane geluidruimte mag worden gebruikt om de in het eerste lid genoemde maatregelen in overleg met de minister te verminderen.

2.3.3. De Afdeling is van oordeel dat de samenhang tussen artikel 3 en de bij het bestreden besluit herroepen artikelen 1 en 2 van het primaire besluit zodanig is, dat na herroeping van die beide artikelen aan artikel 3 geen zelfstandige betekenis meer toekomt. Gelet hierop heeft de minister na herroeping van de artikelen 1 en 2 van het primaire besluit ten onrechte niet tevens artikel 3 herroepen. De beroepsgrond slaagt. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.4. Het beroep van ProRail is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover de minister artikel 3 van het primaire besluit niet heeft herroepen.

2.5. De minister dient ten aanzien van ProRail op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht met betrekking tot samenhangende zaken en een wegingsfactor van 1,5 gehanteerd nu het gaat om meer dan vier samenhangende zaken. Het totaal te vergoeden bedrag wordt gelijkelijk verdeeld over deze zaak en de 12 andere zaken waarin door ProRail beroep is ingesteld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 november 2008, kenmerk BSV 2008110667, voor zover de minister artikel 3 van het besluit van 17 juli 2006, kenmerk LMV 2006283379, niet heeft herroepen;

III. herroept het besluit van 17 juli 2006, voor zover het artikel 3 betreft;

IV. bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 november 2008, voor zover het is vernietigd;

V. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 76,02 (zegge: zesenzeventig euro en twee cent), waarvan € 74,31 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

492.