Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200807447/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (hierna: het college) geweigerd terug te komen op het besluit waarbij [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang is gelast de loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807447/1/H1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 augustus 2008 in zaak nr. 07/7893 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland (hierna: het college) geweigerd terug te komen op het besluit waarbij [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang is gelast de loods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen.

Bij besluit van 13 september 2007 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar en dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. A. van Diermen, juridisch adviseur te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door T.W.P. van den Berg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan het college heeft gesteld, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de weigering van het verzoek van 14 april 2006 om terug te komen op het handhavingsbesluit. [appellant] heeft gesteld en in enige mate aannemelijk gemaakt als gevolg van deze weigering schade te hebben geleden.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij het college heeft verzocht om terug te komen op het besluit van 29 april 2004 en ten onrechte deze datum als peilmoment heeft gehanteerd bij de vraag of door haar nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangedragen op grond waarvan het college tot heroverweging gehouden was. [appellant] voert daartoe aan dat de brief van 29 april 2004 door de rechtbank ten onrechte als besluit is aangemerkt. Zij heeft er in dat kader op gewezen dat deze brief geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft en hierin geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen. [appellant] betoogt dat het verzoek om terug te komen betrekking heeft op het besluit van 5 september 2002.

2.2.1. Dit betoogt faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek van [appellant] van 14 april 2006 betrekking heeft op het besluit van 29 april 2004, nu het college [appellant] hiermee opnieuw onder aanzegging van bestuursdwang heeft aangeschreven om de loods op het perceel te verwijderen en in die zin aan het besluit van 5 september 2002 niet langer betekenis toe komt. Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in het besluit van 29 april 2004 ontneemt voorts niet het besluitkarakter daarvan.

2.3. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 en 6 augustus 2008 in zaak nr. 200801693/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3.1. Ter bepaling van de omvang van de te verrichten toetsing in geval van een besluit op een verzoek om terug te komen op een eerder, in rechte onaantastbaar, besluit dient te worden beoordeeld of aan dat verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, waarbij in dit geval 29 april 2004 als peildatum heeft te gelden.

Het afbranden van de bedrijfsruimte in Dordrecht, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet relevant, nu op voorhand vast staat dat dit niet kan afdoen aan het besluit van 29 april 2004. De vergroting van het bedrijf en de groei aan ruimtebehoefte was voorts, zoals ter zitting door [appellant] ook is bevestigd, reeds ingezet voor het besluit van 29 april 2004 en had derhalve vóór dit besluit kunnen worden aangevoerd. De wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied" is vóór het besluit van 29 april 2004 tot stand gekomen en betreft dan ook geen wijziging van het recht ten opzichte van dat besluit. Met betrekking tot de nieuwe provinciale ruimtelijke beleidsnota "Regels voor Ruimte" wordt voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2003 in zaak nr. 200300191/1, overwogen dat deze van belang zou kunnen zijn bij een nieuwe aanvraag voor een bouwvergunning, maar in het onderhavige geval niet kan worden aangemerkt als relevante wijziging van het recht.

Gelet op het voorgaande is voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 13 september 2007, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, geen plaats.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

414-580.