Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200807583/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer gewijzigd de aan [vergunninghoudster] verleende revisievergunning voor een inrichting voor onder meer de op- en overslag en het bewerken van grond-, bouw- en afvalstoffen op het adres [locatie] te [plaats] voor wat betreft het aan die vergunning bij besluit van 18 januari 2008 verbonden voorschrift 2.6.5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807583/1/M1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. de stichting STICHTING DORPSRAAD "de Heerlijkheid Sterksel", gevestigd te Sterksel, gemeente Heeze-Leende,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.24 van de Wet milieubeheer gewijzigd de aan [vergunninghoudster] verleende revisievergunning voor een inrichting voor onder meer de op- en overslag en het bewerken van grond-, bouw- en afvalstoffen op het adres [locatie] te [plaats] voor wat betreft het aan die vergunning bij besluit van 18 januari 2008 verbonden voorschrift 2.6.5.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2008, de stichting STICHTING DORPSRAAD "de Heerlijkheid Sterksel" (hierna: Dorpsraad de Heerlijkheid) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, en [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2009, waar [appellanten sub 1], van wie [appellant sub 1 A] in persoon, [appellanten sub 2], in persoon, Dorpsraad de Heerlijkheid, vertegenwoordigd door [appellant sub 1 A], [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, [appellanten sub 5], van wie [appellant sub 5 A] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Dam-Benders en ing. G.M.P.F.H. Stekhuizen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. A.S. Hessel, drs. P.A.H.M. Driessen en A.T.H.M. Liebregts, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1. Het college heeft met het oog op de ontvankelijkheid te kennen gegeven dat [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] op een afstand wonen van respectievelijk ongeveer 1200 en 1000 meter van de inrichting. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat die afstanden naar hun mening respectievelijk ongeveer 1000 en 800 meter bedragen. Ook uitgaande van laatst genoemde afstanden tot de inrichting is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] milieugevolgen van het bestreden besluit kunnen worden ondervonden. Gelet hierop kunnen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] niet worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] zijn niet-ontvankelijk.

Algemeen toetsingskader

2.2. Op een besluit als hier aan de orde zijn de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Achtergrond

2.3. Bij besluit van 9 november 2006 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning verleend voor haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats].

In het bij dat besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 2.6.5 was bepaald dat bij de opslag van bevochtigbare stuifgevoelige vaste stoffen (categorie S4) en bij nauwelijks stuifgevoelige vaste stoffen (categorie S5):

a. de vakken waarin de stoffen worden opgeslagen aan ten minste drie zijden dienen te zijn omgeven door keerwanden of een gelijkwaardige voorziening; de opgeslagen stoffen in deze vakken mogen niet boven deze keerwanden uitkomen, of

b. de stoffen volledig dienen te zijn afgedekt en te zijn beschermd tegen opwaaien, of

c. de stoffen dienen te worden bevochtigd met water en dust-foam.

Bij uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200608771/1 heeft de Afdeling het besluit van 9 november 2006 vernietigd voor zover het voorschrift 2.6.5 betrof. Daarbij heeft de Afdeling omtrent dit voorschrift overwogen dat volgens het deskundigenrapport in ieder geval het enkel afdekken van de stoffen, waartoe het voorschrift de mogelijkheid biedt, niet volstaat om stofoverlast tegen te gaan.

Bij besluit van 18 januari 2008 heeft het college naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak van de Afdeling een nieuw voorschrift 2.6.5 aan de vergunning verbonden.

Bij het thans bestreden besluit van 29 augustus 2008 heeft het college dat voorschrift 2.6.5 weer gewijzigd.

Gewijzigd voorschrift 2.6.5

2.4. [vergunninghoudster] heeft verzocht om wijziging van het bij besluit van 18 januari 2008 aan de vergunning verbonden voorschrift 2.6.5.

Ingevolge het bij het bestreden besluit gewijzigde voorschrift 2.6.5 mag er geen stofverspreiding naar de omgeving plaatsvinden. Goederen behorend tot de stuifklassen S4 en S5 (en eventueel S2) mogen buiten worden opgeslagen mits de berg door besproeiing vochtig wordt gehouden. Bij opslag korter dan 48 uur in de open lucht kan ook met een zeil worden afgedekt. Wanneer een partij goederen van klassen S4 en S5 afkomstig van één locatie volledig is aangevoerd en deze in de open lucht wordt opgeslagen, dient het depot binnen 24 uur met een zogenoemd vastleggend middel of bindmiddel te worden bespoten. Dit dient vervolgens te worden verhaald zo vaak als stofverspreiding visueel waarneembaar is. Indien gedurende 48 uur geen goederen worden aan- of afgevoerd naar of van een specifiek depot dan dient het depot eveneens binnen 24 uur met een zogenoemd vastleggend middel of bindmiddel te worden bespoten. Ook dan dient dit te worden herhaald zo vaak als stofverspreiding visueel waarneembaar is.

Beroep

2.5. Dorpsraad de Heerlijkheid, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] kunnen zich niet vinden in het gewijzigde voorschrift 2.6.5. Dorpsraad de Heerlijkheid en [appellanten sub 5] voeren aan dat voor zover het voorschrift betrekking heeft op stoffen behorend tot de stuifklasse S2 er strijd ontstaat met voorschrift 2.6.1. Voorts vinden zij visuele waarneming geen geschikte methode. Het betoog van [appellant sub 4] komt erop neer dat hij het voorschrift ontoereikend vindt om stofhinder te voorkomen. Hij wijst er hiertoe op dat het voorschrift niet strookt met hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200608771/1. Voor zover het voorschrift in overeenstemming is met de Nederlandse emissierichtlijn lucht (InfoMil; hierna: de NeR) betoogt [appellant sub 4] dat het nodig is verdergaande maatregelen voor te schrijven.

NeR

2.6. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. In tabel 2 van de bijlage bij de regeling is de NeR als document opgenomen.

2.7. Blijkens het bestreden besluit heeft het college rekening gehouden met de NeR.

In paragraaf 3.8.1 van de NeR is bepaald dat met betrekking tot de diffuse emissies als uitgangspunt geldt dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden. Goederen behorend tot de stuifklassen S4 en S5 (en eventueel S2) mogen buiten worden opgeslagen mits de berg door besproeiing vochtig wordt gehouden teneinde stofverspreiding te voorkomen. Bij kleine en kortstondige opslag in de open lucht kan ook met een zeil of iets dergelijks worden afgedekt. Wanneer goederen van klassen S4 en S5 voor langere tijd in de open lucht worden opgeslagen, dient de berg zo vaak als nodig met een zogenoemd vastleggend middel of bindmiddel te worden bespoten, aldus de NeR.

Beoordeling beroep

2.8. Ingevolge vergunningvoorschrift 2.6.1 dienen sterk stuifgevoelige vaste stoffen (categorie S2) in een gesloten loods of silo te worden opgeslagen.

De Afdeling acht het uit het samenstel van de voorschriften 2.6.1 en 2.6.5 voldoende duidelijk dat ingevolge voorschrift 2.6.5, in afwijking van voorschrift 2.6.1, stoffen behorend tot de stuifklasse S2 buiten mogen worden opgeslagen, mits bepaalde maatregelen worden getroffen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 2.6.5, voor zover dit betrekking heeft op stoffen behorend tot categorie S2, gezien voorschrift 2.6.1, tot gevolg heeft dat strijd ontstaat met het algemene beginsel van de rechtszekerheid. Het beroep van Dorpsraad de Heerlijkheid en [appellanten sub 5] faalt in zoverre.

2.9. Voor zover Dorpsraad de Heerlijkheid en Rulo ter zitting hebben betoogd dat ten onrechte pas na 24 dan wel 48 uur maatregelen hoeven te worden getroffen en ten onrechte geen maatregelen hoeven te worden getroffen indien een partij goederen afkomstig van één locatie nog niet volledig is aangevoerd, overweegt de Afdeling dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van voorschrift 2.6.5. Ingevolge voorschrift 2.6.5 moeten, om stofverspreiding naar de omgeving te voorkomen, indien ingevolge voorschrift 2.6.5 niet een andere maatregel kan dan wel dient te worden getroffen, buiten opgeslagen goederen door besproeiing vochtig worden gehouden.

2.10. De Afdeling overweegt dat het gestelde in voorschrift 2.6.5 aansluit bij de NeR. Dit geldt mede waar het de visuele waarneming betreft. Daarbij overweegt de Afdeling omtrent het betoog dat niet alle stofsoorten visueel waarneembaar zijn, waarbij door Dorpsraad de Heerlijkheid en [appellanten sub 5] is gewezen op de zogenoemde zwevende deeltjes, dat paragraaf 3.8.1 van de NeR zich in zijn algemeenheid richt op het zoveel mogelijk voorkomen van diffuse stofemissie. Ten aanzien van zwevende deeltjes gelden specifieke normen, welke thans niet ter beoordeling staan. Het college heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat met voorschrift 2.6.5 wordt bewerkstelligd dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat, zoals hij stelt, het college in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande eisen had moeten stellen. Een en ander leidt niet tot strijd met hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2007 in zaak nr. 200608771/1. In tegenstelling tot het oude voorschrift 2.6.5 dat toen ter beoordeling voorlag, wordt in het bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 2.6.5 voor de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt naar de duur van de opslag. Dit sluit aan bij de NeR.

Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling in hetgeen Dorpsraad de Heerlijkheid, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 2.6.5 wat stofhinder aangaat toereikend is ter bescherming van het milieu.

2.11. In hetgeen Dorpsraad de Heerlijkheid en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling tot slot ook geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals zij stellen, het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voorschrift 2.6.5 handhaafbaar is.

Conclusie

2.12. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] zijn niet-ontvankelijk. De beroepen van Dorpsraad de Heerlijkheid, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn ongegrond.

Proceskosten

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van STICHTING DORPSRAAD "de Heerlijkheid Sterksel", [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Van Hamond

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

446.