Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200900884/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2005 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning aan [vergunninghouder] voor het oprichten c.q aanleggen van een zwembad/vijver op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/1268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900884/1/H1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 december 2008 in zaak nr. 07/2126 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2005 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning aan [vergunninghouder] voor het oprichten c.q aanleggen van een zwembad/vijver op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college het besluit op bezwaar van 4 juli 2007 ingetrokken en het bezwaar, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2008, verzonden op 24 december 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 4 juli 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft bij brief van 4 mei 2009 nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.J.L. Siegers, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door N.K.J. Wiggers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. F. Hendriksen, advocaat te Utrecht, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank het door hem ingediende beroep tegen het besluit op bezwaar van 4 juli 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, slaagt niet. Omdat het besluit op bezwaar van 10 augustus 2007 mede de intrekking van het besluit van 4 juli 2007 behelst, heeft [appellant] geen belang meer bij een inhoudelijk beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. In de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuursrechtelijke besluitvorming, kan een procesbelang zijn gelegen, maar dergelijke schade is gesteld noch gebleken.

2.2. Het bouwplan voorziet in de aanleg van een zwembad met een afmeting van ongeveer 6 m bij 10 m op het perceel op ongeveer 1,5 m afstand van de erfgrens met het perceel van [appellant].

2.3. [appellant] heeft ter zitting de hoger beroepsgrond dat de rechtbank zou hebben miskend dat ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft plaats gevonden, ingetrokken.

2.4. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bosch en Duin e.o." (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden categorie I (WI)".

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder a, b en c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn op deze gronden vrijstaande en halfvrijstaande woningen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen en andere bouwwerken toelaatbaar.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder a, met als aanhef "Karakteristiek", voor zover thans van belang, dienen de in lid 1 bedoelde gronden in nauwe samenhang met de als bostuin bestemde gronden te worden gezien. De woonbestemming is ingebed in de bestemming bostuin en de bouwmogelijkheden zijn daarom mede van de omringende aanwezige waarden afhankelijk. Bij deze beschrijving zullen daarom de als bostuin bestemde gronden mede betrokken worden. Het gebied wordt gekenmerkt door een open bebouwingspatroon in een beboste omgeving. De bebouwde gebieden worden afgewisseld door onbebouwde bosgebieden met open ruimten welke in samenhang ecologische betekenis hebben.

Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b, voor zover thans van belang, is het beleid voor de in lid 1 bedoelde gronden gericht op handhaving van de onder a. beschreven karakteristiek en overwegend consoliderend. Ook is het beleid in deze bestemming gericht op het voorkomen van onevenredige inbreuken op de aangrenzende bosgebieden en de daarmee samenhangende waarden, tezamen bestemd als bostuin. Bij de afweging tot het verlenen van vrijstellingen en het stellen van nadere eisen zal de concrete plaatselijke situatie, zoals de aanwezigheid van waardevolle elementen en de relatie met belendende woningen/percelen, een rol van betekenis spelen.

Ingevolge artikel 5, zevende lid, aanhef en onder b, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor de aanleg bij woningen van tennisbanen en niet-overdekte zwembaden van beperkte omvang, indien de aanleg geen onevenredige inbreuk maakt op de beschreven karakteristiek. Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot omvang en situering van deze werken en de eventueel daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De plaats waar mag worden aangelegd is mede afhankelijk van ter plaatse aanwezige beplanting, reliëf, waterpartijen en de ecologische situatie.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was vrijstelling krachtens artikel 5, zevende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften te verlenen. Hij voert in dit kader aan dat het zwembad niet van beperkte omvang is en dat het zwembad een onevenredige inbreuk maakt op de bostuinkarakteristiek.

2.5.1. Van de in artikel 5, zevende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid mag slechts gebruik worden gemaakt indien het zwembad van beperkte omvang is en de aanleg van het zwembad geen onevenredige inbreuk maakt op de beschreven karakteristiek. Voor de invulling van het begrip "beperkte omvang" in de zin van het planvoorschrift hanteert het college als uitgangspunt de relatie tussen de oppervlakte van het bouwwerk en de grootte van het perceel. Dit uitgangspunt kan niet als onredelijk worden aangemerkt. Omdat het zwembad 1,25 % van de totale perceelsoppervlakte beslaat, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het zwembad ten onrechte heeft aangemerkt als een zwembad van beperkte omvang.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het inmiddels aangelegde zwembad tot een onevenredige inbreuk op de bostuinkarakteristiek heeft geleid. Dat voor het realiseren van het zwembad enkele bomen zijn gekapt, zoals het college ter zitting ook heeft bevestigd, maakt nog niet dat hiermee een onevenredige inbreuk op de karakteristiek is gemaakt. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit de door het college in beroep overgelegde luchtfoto's van het perceel blijkt dat de locatie van het zwembad zowel voor als na de aanleg van het zwembad vrijwel geheel in het groen is gelegen. Tevens is van belang de verklaring van de voormalige eigenaren van het perceel in samenhang met de verklaring van de tuinman van vergunninghouder dat ter plaatse van het zwembad geen waardevolle elementen aanwezig waren die hebben moeten wijken voor het bouwwerk.

Voor zover [appellant] betoogt dat het college een ander toetsingskader dient te hanteren omdat het zwembad reeds was aangelegd voordat de bouwvergunning was aangevraagd en verleend, faalt dit betoog omdat in de Algemene wet bestuursrecht of in een andere wettelijke regeling voor dit standpunt geen aanknopingspunten zijn te vinden.

Gelet op vorenstaande was het college bevoegd gebruik te maken van de in artikel 5, zevende lid, aanhef en onder b, opgenomen vrijstellingsbevoegdheid.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hij voert hiertoe, onder verwijzing naar de rapporten van Lichtveld Buis en Partners van 1 februari 2005 en 25 juni 2009, aan dat het gebruik van het zwembad onaanvaardbare geluidoverlast met zich zal brengen, dat zijn privacy zal worden geschonden en dat het college in strijd met artikel 5, derde lid, onder b, van de planvoorschriften de concrete plaatselijke situatie onvoldoende heeft meegewogen.

2.6.1. Voorop gesteld zij dat het bestemmingsplan, met vrijstelling, de aanleg van een niet overdekt zwembad mogelijk maakt. De te verwachten geluidhinder vanwege het gebruik van het zwembad maakt deel uit van de belangenafweging van het college bij het verlenen van de vrijstelling. Overwogen wordt dat geen wettelijke geluidnormen voor het gebruik van privézwembaden gelden. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is verder genoegzaam komen vast te staan dat het zwembad louter voor privédoeleinden wordt gebruikt indien de klimatologische omstandigheden zich daartoe lenen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in de geluidaspecten geen grond voor het weigeren van de vergunning heeft hoeven zien. De conclusies uit de door [appellant] overgelegde rapporten van Lichtveld Buis en Partners van 1 februari 2005 en 25 juni 2009, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover [appellant] betoogt dat de geluidhinder vanwege het zwembad zich niet verdraagt met de bostuinkarakteristiek, faalt ook dat betoog, nu deze karakteristiek niet met zich brengt dat ter plaatse een stiltegebied aanwezig is.

Niet in geschil is verder dat [appellant] vanaf zijn perceel geen direct zicht heeft op het zwembad omdat aan weerszijden van de perceelsgrenzen beplanting aanwezig is. Van visuele hinder ten gevolge van het zwembad is derhalve geen sprake. Voorts bestaat in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ten aanzien van zijn privacy geen aanleiding voor het oordeel dat het college om die reden de vrijstelling had moeten weigeren.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen voorwaarden aan de vrijstelling heeft verbonden.

2.7.1. Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening mogen aan de vrijstelling als bedoeld onder a, van het eerste lid slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen. De te stellen voorwaarden mogen in dit geval uitsluitend verband houden met de door artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften beoogde bescherming van de bostuinkarakteristiek en kunnen niet worden gesteld ter bescherming van de belangen van [appellant]. Nu hiervoor is overwogen dat het zwembad van beperkte omvang is en het zwembad geen onevenredige afbreuk doet aan de bostuinkarakteristiek, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om aan de vrijstelling voorwaarden aan de omvang en situering van het zwembad te verbinden.

2.8. De rechtbank heeft ten slotte terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het verbod van vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld. Anders dan [appellant] betoogt, kan uit het gesprek met een ambtenaar van de gemeente, wat er ook zij van de inhoud van dat gesprek, niet de conclusie worden getrokken dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet heeft voldaan aan de in artikel 2:4, van de Awb neergelegde norm.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

414-604.