Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200809300/1/H2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het bouwen en hebben van een kas en waterbassin langs polderwatergangen, het dempen en graven van water, het maken van een dam, het verwijderen, verbreden, maken en hebben van stuwen en het verwijderen van verbindingsduikers gelegen in de Oude en Nieuwe Broekpolder ter hoogte van Middelbroekweg, Vogelaer respectievelijk Mariëndijk in Kwintsheul respectievelijk Honselersdijk, gemeente Westland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809300/1/H2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 november 2008 in zaak nr. 07/9634 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het bouwen en hebben van een kas en waterbassin langs polderwatergangen, het dempen en graven van water, het maken van een dam, het verwijderen, verbreden, maken en hebben van stuwen en het verwijderen van verbindingsduikers gelegen in de Oude en Nieuwe Broekpolder ter hoogte van Middelbroekweg, Vogelaer respectievelijk Mariëndijk in Kwintsheul respectievelijk Honselersdijk, gemeente Westland.

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Dreessen en M. Oostdam, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap van Delfland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van Delflands Algemene Keur, zoals hier van toepassing, is het college bevoegd ter zake van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen schriftelijk vergunning te verlenen en een verleende vergunning te wijzigen of in te trekken.

Ingevolge het tweede lid kunnen aan een krachtens deze keur verleende vergunning voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften mogen slechts strekken tot bescherming van het belang in verband waarmee de vergunning is vereist.

Ingevolge de artikelen 93, eerste lid, aanhef en onder 2, 3 en 5, en 93a, eerste lid, is het verboden daarin nader omschreven werkzaamheden of werken in en langs de wateren te verrichten of te hebben.

2.2. Ingevolge het Waterbeheerplan Delfland 2006 - 2009 wordt een vergunning in beginsel verleend indien er geen waterstaatkundige redenen zijn om te weigeren. Het college hanteert in dit verband verder de vaste gedragslijn dat elke m2 water die door demping verdwijnt, vervangen dient te worden door dezelfde hoeveelheid water. Vervanging wordt toegelaten in elders afgegraven grond.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belasting van het watersysteem niet toeneemt. Volgens hem neemt die belasting door de vergunning aanzienlijk toe doordat bestaand open land met wateropnemend vermogen wordt vervangen door bebouwing met een groter verhard oppervlak dan voorheen en met directe hemelwaterafvoer op de smalle sloten. Daardoor is een grotere afvoer- en bergingscapaciteit nodig dan de bestaande capaciteit, die volgens [appellant] nu al onvoldoende is. Hij stelt dat het college de vergunning niet heeft mogen verlenen zonder maatregelen te laten treffen voor extra waterafvoer en -berging.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat geen extra onverplichte compensatie in de vergunning is opgenomen omdat de opgelegde compensatie volledig is meegenomen in de berekening van te graven water tegenover te dempen water.

2.3.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de belasting van het watersysteem niet toeneemt, aangezien de vergunning ertoe strekt dat overeenkomstig de door het college gehanteerde vaste gedragslijn evenveel vervangend water wordt gegraven als wordt gedempt. Daardoor verslechtert de bestaande afvoer- en bergingscapaciteit niet. Dat bestaand open land met zacht oppervlak wordt vervangen door bebouwing met een groter verhard oppervlak dan voorheen en met afwatering in de sloten, doet daar niet aan af aangezien met de aanwezigheid van glastuinbouw op deze plek beheersmatig rekening is gehouden, zoals het college heeft aangegeven. Voorts heeft [vergunninghouder] zich verbonden tot compensatie in die zin, dat het bedrijf onder meer twee maatregelen zal treffen ter vervanging van het water dat verdwijnt en ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding in het gebied. Deze maatregelen, die bestaan uit het graven van een nieuwe watergang langs de Mariëndijk en het verbreden van de bestaande watergang langs de Vogelaer, zijn tot stand gekomen in overleg met het college en lopen ten aanzien van de locatiekeuze en vormgeving van het terug te graven water onverplicht vooruit op de Waterstructuurvisie Westland. Van de zijde van het college is ter zitting toegelicht dat hierdoor ter plaatse watergangen met elkaar worden verbonden en een bestaande watergang een grotere capaciteit krijgt. De maatregelen zijn in het besluit van 10 april 2007 opgenomen onder 2, sub II, onder m en n. Daarmee is voldaan aan de vaste en niet onredelijk te achten gedragslijn van het college met betrekking tot de compensatie. Niet aannemelijk is dat verlening van de vergunning tot verslechtering van de waterhuishouding ter plaatse leidt. De rechtbank heeft terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het college in redelijkheid de vergunning niet heeft kunnen verlenen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

18-609.