Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200808523/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Elburg (hierna: het college) aan [appellant] een plicht opgelegd voor het planten van eiken op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/739
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808523/1/H2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 oktober 2008 in zaak nr. 08/215 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Elburg (hierna: het college) aan [appellant] een plicht opgelegd voor het planten van eiken op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2008, verzonden op 13 oktober 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. H. Tychon-Kwakkel en S. Smit, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Elburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Natuur- en landschapsverordening 1997 (hierna: de verordening) wordt onder vellen verstaan het kappen of rooien van houtopstand, met inbegrip van verplanten en afzetten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid en laatste volzin, wordt een ontheffing als bedoeld in dit artikel geweigerd wanneer de noodzaak tot het vellen door de aanvrager niet kan worden aangetoond.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het college aan de beperkt gerechtigde van de grond waarop zich deze houtopstand bevond een herplantverplichting opleggen overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van deze verordening is geveld.

2.2. [appellant] betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het snoeien van de eiken als vellen als bedoeld in de verordening moet worden aangemerkt.

2.2.1. Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat [appellant] dertien eiken heeft gesnoeid. De herplantplicht ziet op elf eiken op het perceel [locatie] te [plaats]. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich, mede op basis van een verklaring van een milieuambtenaar bij de gemeente Elburg, die het perceel van [appellant] heeft bezocht, op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] deze elf eiken zodanig heeft gesnoeid dat sprake is van vellen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de verordening. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat [appellant] geen deskundigenrapport heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Dat op foto's te zien zou zijn dat er nog uitlopers aan de stam zitten, doet hieraan gezien eerdergenoemde verklaring niet af.

2.3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in strijd met artikel 2 van de verordening heeft gehandeld en dat het college in redelijkheid een herplantplicht heeft kunnen opleggen.

2.3.1. In zoverre [appellant] betoogt dat legalisering door alsnog ontheffing te verlenen mogelijk is omdat er, ten tijde van belang, een noodzaak bestond tot het vellen van de eiken als bedoeld in artikel 5, eerste lid en laatste volzin, van de verordening, faalt dit betoog. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat, hoewel er tijdens stormen in januari 2007 enkele bomen waren omgewaaid, [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit gevaar ook voor de eiken heeft bestaan en aldus de noodzaak tot het vellen van de eiken niet heeft aangetoond. Met de rechtbank kan dan ook worden geoordeeld dat nu [appellant] de eiken heeft geveld zonder dat daarvoor ontheffing is verleend het college bevoegd was een herplantplicht op te leggen.

De conclusie is dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het college een herplantplicht mocht opleggen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

85-616.