Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200900786/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de regionaal inspecteur van de VROM-Inspectie Noord-West geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart af te geven, ten behoeve van de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie a] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet luchtvaart
Wet luchtvaart 8.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900786/1/H1.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 december 2008 in zaak nr. 08-870 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de inspecteur-generaal van de VROM-Inspectie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft de regionaal inspecteur van de VROM-Inspectie Noord-West geweigerd aan het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart af te geven, ten behoeve van de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie a] te [plaats].

Bij besluit van 30 november 2007 heeft de inspecteur-generaal van de VROM-Inspectie het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2008, verzonden op 16 december 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 november 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister van VROM (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn ingediend bij brief van 26 februari 2009.

Bij besluit van 6 maart 2009 heeft de inspecteur-generaal van de VROM-Inspectie het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.P. Beudeker en drs. S.Ch. Marugg, beiden ambtenaar in dienst van het rijk, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E.W.M. Aalsma, advocaat te Zaandam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart, wordt voor een bouwplan als hier aan de orde het luchthavenindelingsbesluit in acht genomen.

Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft.

Ingevolge het vijfde lid kan de verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven.

 

Ingevolge artikel 2.2.1, derde lid, van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: Lib), voor zover hier van belang, zijn in het gebied waarin het perceel is gelegen, behoudens bestaand gebruik, geen gebouwen toegestaan.

Ingevolge het zevende lid is afwijking van dit verbod toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart.

In de Nota van Toelichting behorende bij het Lib staat vermeld, voor zover hier van belang, dat van het uit artikel 2.2.1 voortvloeiende verbod voor de daarin bedoelde respectievelijk genoemde typen gebouwen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken op grond van artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart. Waar het gaat over woningen zijn afwijkingen voorstelbaar als sprake is van het opvullen van open gaten binnen aaneengesloten bebouwing, functiewijziging, herbouw van woningen op een minder milieubelaste plaats of bouw van bedrijfswoningen.

2.2. Het bouwplan, ten behoeve waarvan de verklaring van geen bezwaar is aangevraagd, behelst een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie a]. Bij de rechtbank heeft [wederpartij] zich met succes beroepen op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat een verklaring van geen bezwaar dient te worden verleend, omdat ook voor de bouw van een woning op het perceel [locatie b] zo'n verklaring is afgegeven.

2.3. De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verklaring van geen bezwaar terecht is geweigerd, nu, gelet op de voorgeschiedenis, geen sprake is van gelijke gevallen.

2.3.1. Niet in geschil is dat ter plaatse van het perceel [locatie b] sprake is van lintbebouwing. Voorts staat vast dat op dit perceel voorheen een woning stond, die in 1994 is gesloopt en dat de ten behoeve van dat perceel verleende verklaring van geen bezwaar conform de aanvraag strekt tot herbouw van een woning ter opvulling van het door de sloop ontstane "gat" in de aaneengesloten lintbebouwing. Nu het bouwplan voor het perceel [locatie a] niet voorziet in het opvullen van een open gat binnen aaneengesloten lintbebouwing, maar in de toevoeging van een woning op een plek waar voorheen geen woning stond, is reeds hierom geen sprake is van gelijke gevallen die gelijk behandeld dienen te worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.5. Het betoog van [wederpartij] dat de minister de bij het besluit betrokken belangen niet goed heeft afgewogen faalt. Gelet op het feit dat de aanvraag ziet op een tweede bedrijfswoning is in het besluit op bezwaar terecht overwogen dat het bedrijfseconomisch belang bij het mogen bouwen van een tweede bedrijfswoning niet opweegt tegen de veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan de vestiging van een nieuwe woning in het beperkingengebied en het belang van het beperken van het aantal geluidgevoelige bestemmingen in dat gebied.

2.6. Het tegen het besluit van 30 november 2007 ingestelde beroep is ongegrond.

2.7. Bij het besluit van 6 maart 2009, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, is het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit, dat de Afdeling op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in dit geding mede beoordeelt, is gelet op het voorgaande de grondslag komen te ontvallen, zodat het dient te worden vernietigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 december 2008 in zaak nr. 08-870;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 6 maart 2009, kenmerk VI/DU/2009017956.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

392.