Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200901096/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd aan appellant een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901096/1/H3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2008 in zaak nr. 08/553 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd aan appellant een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) af te geven.

Bij besluit van 28 december 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2008, verzonden op 31 december 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door S. van den Heuvel, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000, voor zover thans van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die over een geldige chauffeurspas beschikt.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover thans van belang, bij de aanvraag om afgifte van een chauffeurspas een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende VOG overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg overgelegd.

Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG werden door de minister ten tijde van het besluit van 28 december 2007 de criteria gehanteerd, neergelegd in de Circulaire Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een verklaring omtrent het gedrag van natuurlijke en rechtspersonen, door de minister vastgesteld bij besluit van 15 maart 2004 (hierna: de circulaire).

Volgens paragraaf 3.1 van de circulaire wordt een VOG zonder meer afgegeven, indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn, voorafgaand aan het moment van toetsing, niet in de justitiële documentatie voorkomt. Voor een taxichauffeur geldt dat de aanvrager vijf jaar, voorafgaand aan het moment van toetsing, niet in de justitiële documentatie mag voorkomen, althans geen sprake mag zijn van relevante antecedenten. Of sprake is van relevante antecedenten, wordt onder meer bepaald door de relatie tussen de strafbare feiten en de functie/taak/opdracht die door betrokkene vervuld gaat worden, aldus de passage.

Volgens paragraaf 3.2.1 spelen bij de beoordeling objectieve criteria en subjectieve criteria een rol.

De objectieve criteria zijn vermeld in paragraaf 3.2.2. De afgifte van een VOG wordt volgens deze paragraaf geweigerd, indien in het justitiële documentatieregister met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd.

De subjectieve criteria zijn vermeld in paragraaf 3.2.3. Subjectieve omstandigheden die door de minister worden meegewogen zijn volgens deze paragraaf, voor zover thans van belang: de ernst van het delict, de wijze waarop de desbetreffende strafzaak is afgedaan, bijvoorbeeld een veroordeling, een voorwaardelijke straf, een boete, ontslag van alle rechtsvervolging en het soort sepot, de vraag in hoeverre recidive waarschijnlijk is, de hoeveelheid antecedenten, de periode tussen de verschillende antecedenten en het tijdsverloop sinds het antecedent. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden zijn volgens deze passage alleen relevant, indien niet tot een goede oordeelsvorming kan worden gekomen en twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De minister komt pas tot zijn definitieve oordeel, nadat ook de belangen van betrokkene bij de afweging zijn meegenomen, aldus de passage.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen, dan wel kunnen vormen, voor de afgifte van een VOG zijn in bijlage A bij de circulaire een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen opgenomen, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

Volgens het screeningsprofiel taxichauffeur is de taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In deze functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij sprake is van een al dan niet tijdelijke afhankelijkheid. Een van de risico’s in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Daarbij moet volgens dat profiel gedacht worden aan bijvoorbeeld dronken achter het stuur zitten, agressief rijgedrag enzovoort. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik, afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen, aldus dat profiel.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister het bij haar bestreden besluit ontoereikend heeft gemotiveerd, nu hij niet is veroordeeld ter zake van enig in het screeningsprofiel voor de taxichauffeur opgesomd feit en in dat besluit slechts is verwezen naar de circulaire en niet nader is toegelicht, waarom de feiten, ter zake waarvan hij veroordeeld is, een risico opleveren voor de samenleving en voor personen waarmee hij in aanraking komt.

2.2.1. Niet in geschil is dat [appellant] op 1 maart 2004 een transactie is overeengekomen voor het niet opvolgen van een verkeersteken en hij voorts op 1 november 2005 in de Bondsrepubliek Duitsland is veroordeeld wegens een drugsgerelateerd delict. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft de minister het wettelijk kader weergegeven en de in de circulaire neergelegde beleidsregels, aan de hand waarvan hij heeft beoordeeld of aan [appellant] een VOG zou worden afgegeven. Nu ter motivering van een besluit mag worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn, voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister het bij haar bestreden besluit niet toereikend heeft gemotiveerd. Dat de feiten, ter zake waarvan [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld, niet in het screeningsprofiel worden vermeld, maakt dit niet anders, omdat de desbetreffende opsomming geen limitatief karakter heeft. De rechtbank heeft evenzeer terecht daarin geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt mocht stellen dat de feiten, indien herhaald, een risico opleveren voor passagiers, aangezien zij met drugs in aanraking zouden kunnen komen en het plegen van een drugsgerelateerd delict een gevaar oplevert voor de volksgezondheid in het algemeen en daarom aan een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur in de weg staan. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de minister de door [appellant] gepleegde strafbare feiten bij de risicobeoordeling mocht betrekken.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zijn belangen niet op zorgvuldige en voor hem kenbare wijze in de beoordeling heeft betrokken, nu in het geheel geen aandacht is besteed aan zijn persoonlijke omstandigheden. Hij betoogt dat er geen recidivegevaar is, wat blijkt uit het feit dat hij na zijn veroordeling niet meer met justitie in aanraking is geweest. Bovendien is zijn belang erg groot, nu hij het werken als taxichauffeur het mooiste vindt wat er is, aldus [appellant] .

2.4. Anders dan [appellant] stelt, heeft de minister in zijn besluit van 10 september 2007 en dat van 28 december 2007 de door [appellant] aangevoerde omstandigheden kenbaar meegewogen, maar aan de aard van het drugsgerelateerde delict, de hoogte van de straf, en het geringe tijdsverloop tussen zijn vrijlating en zijn aanvraag voor een VOG meer gewicht gehecht dan aan die omstandigheden. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister het belang van het verminderen van het risico voor de samenleving in dit geval in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het door [appellant] gestelde persoonlijke belang. Dat [appellant] als gevolg van de weigering tot afgifte van een VOG geen taxichauffeur kan zijn is het bedoelde en voorziene gevolg van die weigering en om die reden geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van een VOG had moeten besluiten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009.

176-622.