Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200806760/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) ingestemd met het door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch ingediende deelsaneringsplan voor de locatie Drongelens kanaal te 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806760/1/M2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Spoorzicht, gevestigd te 's-Hertogenbosch, en [appellant b], wonend te 's-Hertogenbosch,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) ingestemd met het door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch ingediende deelsaneringsplan voor de locatie Drongelens kanaal te 's-Hertogenbosch.

Tegen dit besluit hebben de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Spoorzicht en [appellant b] bij brief van 19 augustus 2008 bezwaar gemaakt. Het college heeft met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de Raad van State, waar het is ingekomen op 3 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging Spoorzicht en [appellant b] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.P.J. Pardoel, werkzaam bij de provincie, en drs. E.J. Heskens, is verschenen. Verder is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch, vertegenwoordigd door mr. G.L. Pijnenburg en ing. R.H.A. Derksen, beiden werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uitvoert dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, gedeputeerde staten, in afwijking van artikelen 28 en 39, kunnen toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28, die een voornemen betreft om een handeling te verrichten ten gevolge waarvan slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst, te volstaan met het verstrekken van:

a. de resultaten van een nader onderzoek van het betrokken gedeelte en

b. een saneringsplan voor het betrokken gedeelte.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, behoeven de stukken, bedoeld in het eerste lid, de instemming van gedeputeerde staten.

2.1.1. Het deelsaneringsplan waarmee ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming bij het bestreden besluit is ingestemd, heeft betrekking op het deel van het Drongelens kanaal dat zal worden verplaatst in verband met de aanleg van een nieuwe Zuidwestelijke randweg.

2.1.2. De vereniging Spoorzicht en [appellant b] betogen, zo begrijpt de Afdeling het beroep, dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 42, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming. Hierin is bepaald dat, indien zich gevallen van ernstige verontreiniging binnen aan elkaar grenzende grondgebieden voordoen en naar het oordeel van gedeputeerde staten binnen deze groep van gevallen met het oog op de aanpak van de verontreiniging voldoende samenhang bestaat, gedeputeerde staten bepalen dat met de sanering van beide gevallen tegelijkertijd wordt begonnen. In dit verband voeren zij aan dat de bodemverontreiniging ter plaatse van het talud naast de spoorbaan langs het Drongelens kanaal (hierna: Vak 2) als aangrenzend perceel van het te saneren deel van het Drongelens kanaal in het deelsaneringsplan had moeten worden betrokken, in het bijzonder nu zowel het te saneren deel van het kanaal als Vak 2 bij de aanleg van de randweg betrokken zijn.

2.1.3. Het college neemt het standpunt in dat naar aanleiding van de door de vereniging Spoorzicht en [appellant b] ingediende zienswijze de resultaten van het rapport "Verkennend bodemonderzoek Randweg Zuid Vak 2 te 's-Hertogenbosch" (hierna: het rapport) zijn meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit maar dat in het rapport geen aanleiding is gevonden Vak 2 in het deelsaneringsplan te betrekken.

2.1.4. Blijkens het deelsaneringsplan betreft de saneringslocatie het te verplaatsen deel van het Drongelens kanaal in het zuiden van de gemeente 's-Hertogenbosch, tussen de Vlijmenseweg en de Isabellakazerne (gemeente Vught). Aan de oostkant grenst de locatie aan het spoor Den Bosch-Eindhoven. Ten westen van de locatie ligt natuurgebied "De Gement". Het omvat het kanaal (bodem en oevers), overstromingsruimte, hoogwaterkering (dijk) en achterland. Als begrenzing is de top van de dijk aan weerszijden van het kanaal vastgesteld. Het bestreden besluit waarbij met het deelsaneringsplan is ingestemd ziet uitsluitend op deze locatie. De enkele omstandigheid dat behalve het te saneren deel van het kanaal ook Vak 2 betrokken is bij de aanleg van de nieuwe randweg is, anders dan de vereniging Spoorzicht en [appellant b] stellen, onvoldoende om samenhang als bedoeld in artikel 42, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming aan te nemen. Evenmin kan worden gesproken van samenhang tussen de aan elkaar grenzende grondgebieden wat betreft de bron van de verontreiniging, nu ter zitting is gebleken dat verontreinigd slib de bron is van de verontreiniging van het te saneren deel van het Drongelens kanaal terwijl puin en koolgruis de bron vormen van de verontreiniging van Vak 2. De locatie Vak 2 betreft dan ook een ander geval van verontreiniging. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat Vak 2 niet in het deelsaneringsplan behoefde te worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.2. De vereniging Spoorzicht en [appellant b] voeren aan dat het college niet met het deelsaneringsplan had mogen instemmen omdat daarin ten onrechte geen rekening is gehouden met gezondheidsrisico's die zich kunnen voordoen wanneer als gevolg van ontgravingswerkzaamheden in Vak 2 verwaaiing van verontreinigde grond naar nabij gelegen percelen van omwonenden optreedt.

2.2.1. Het deelsaneringsplan strekt zich, naar hiervoor in rechtsoverweging 2.1.4 is overwogen, op goede gronden niet uit tot Vak 2. Reeds daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college, wegens mogelijke verwaaiing van verontreinigde grond ter hoogte van Vak 2, gelet op het bepaalde in artikel 38, eerste lid onder b, van de Wet bodembescherming, niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het deelsaneringsplan.

De beroepsgrond faalt.

2.3. Tot slot stellen de vereniging Spoorzicht en [appellant b] dat met het oog op risico's van aardverschuivingen de ontgravingen gepaard zullen moeten gaan met het plaatsen van damwanden. Volgens hen zijn de gevolgen hiervan voor grondwaterstromen die zorgen voor verplaatsing van grondwaterverontreiniging ten onrechte niet onderzocht en betrokken bij het deelsaneringsplan.

2.3.1. Het plaatsen van damwanden is niet als maatregel opgenomen in het deelsaneringsplan. Nu het college bij het bestreden besluit slechts diende te beoordelen of het deelsaneringsplan voldoet aan de eisen van artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming, kon het college zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevolgen van het plaatsen van damwanden niet bij het bestreden besluit behoefden te worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

43-596.