Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ6033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
200809326/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2008 heeft de stichting Stichting Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds) het verzoek van de bestuurscommissie Openbaar Primair Onderwijs Haarlem (hierna: de bestuurscommissie) om de uitkeringskosten die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [betrokkene] ten laste van het Participatiefonds te brengen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809326/1/H2.

Datum uitspraak: 26 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de bestuurscommissie Openbaar Primair Onderwijs Haarlem, gevestigd te Haarlem,

appellante,

en

de stichting Stichting Participatiefonds,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2008 heeft de stichting Stichting Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds) het verzoek van de bestuurscommissie Openbaar Primair Onderwijs Haarlem (hierna: de bestuurscommissie) om de uitkeringskosten die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [betrokkene] ten laste van het Participatiefonds te brengen afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2008 heeft het Participatiefonds het door de bestuurscommissie hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de bestuurscommissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2009.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2009, waar de bestuurscommissie, vertegenwoordigd door C.W.M. van Casteren, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. H.P. Coppens, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, aanhef en onder i, van het Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2007-2008 (hierna: het Reglement) doet toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat het om een ontslag op eigen verzoek gaat. Hiertoe overlegt het bevoegd gezag een afschrift van:

1. het ontslagbesluit met daarin de reden voor het ontslag en,

2. de brief waarin betrokkene om het ontslag verzoekt of,

3. bescheiden waaruit blijkt dat betrokkene geen nieuwe baan aangeboden wenst te krijgen of dat het bevoegd gezag betrokkene een passende baan heeft aangeboden maar dat deze de baan niet wenst te accepteren of,

4. een document waaruit blijkt dat betrokkene een passende reguliere betrekking is aangeboden met tenminste een gelijke omvang aan de voorafgaande betrekking. Het aanbieden van een vervangingsbetrekking wordt in het kader van dit reglement niet gelijkgesteld met het aanbieden van een passende baan.

2.2. In geschil is of betrokkene op eigen verzoek is ontslagen als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder i, van het Reglement.

2.3. De bestuurscommissie betoogt dat dat het geval is. Daartoe stelt zij, dat in bezwaar alsnog een brief is overgelegd van betrokkene waarin zij verzoekt om ontslag en voorts, dat uit de stukken blijkt dat betrokkene na haar re-integratie haar eigen functie van lerares heeft afgewezen en ten slotte dat het ontslag het gevolg is van keuzes die betrokkene zelf heeft gemaakt. Daarmee is volgens haar aangetoond dat betrokkene op eigen verzoek is ontslagen en daarmee de onvermijdbaarheid van het ontslag.

2.3.1. Uit de stukken blijkt dat betrokkene bereid was ontslag op eigen verzoek te nemen indien zij na afloop van het door haar gevolgde outplacementtraject een andere baan zou hebben gevonden. Dat is evenwel niet gebeurd. Voorts blijkt uit zowel een brief van 27 juli 2007, als een e-mail van 27 september 2007 van de advocaat van betrokkene dat zij slechts onder een aantal financiële condities bereid is te berusten in ontslag. Gelet hierop heeft het Participatiefonds zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de stukken niet is af te leiden dat betrokkene zonder meer om ontslag heeft verzocht. Het Participatiefonds heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat om een ontslag als ontslag op eigen verzoek te kwalificeren, op de datum van ontslag moet vaststaan dat betrokkene zelf uitdrukkelijk om ontslag heeft verzocht. Nu de door de bestuurscommissie in bezwaar overgelegde brief van betrokkene van 22 september 2008 waarin zij verzoekt om ontslag met ingang van 1 januari 2008 geruime tijd na de datum van ontslag is opgesteld, kan deze brief niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een ontslag op verzoek, waarbij nog komt dat dit verzoek strijdig is met de voormelde correspondentie.

2.3.2. Het Participatiefonds heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat aan betrokkene geen passende andere baan of betrekking als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder i, van het Reglement is aangeboden. Van een passende baan of betrekking kon eerst sprake zijn indien betrokkene een andersoortige baan of betrekking dan die van lerares zou zijn aangeboden. Daarbij is van belang dat betrokkene zich mede vanwege een gebrek aan begeleiding door de school niet langer geschikt achtte voor de functie van lerares. De bestuurscommissie heeft aan betrokkene slechts terugkeer in een zelfde functie aangeboden, al dan niet op een andere school waarvan de bestuurscommissie het bevoegd gezag is, zodat niet voldaan is aan artikel 9, aanhef en onder i, sub 3 of 4, van het Reglement.

2.3.3. Ten slotte wordt overwogen, dat ook al zou het ontslag een gevolg zijn van keuzes die betrokkene heeft gemaakt, dat, gelet op het in artikel 9, aanhef en onder i, sub 2, 3 en 4, van het Reglement bepaalde, niet met zich brengt, dat daarmee is aangetoond dat het om een ontslag op eigen verzoek gaat.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2009

362.