Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5727

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-08-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
200904981/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Asiel / Irak / provincie Ninewa / standpunt UNHCR / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / uitzonderlijke situatie niet gemotiveerd betwist

Gelet op het door de UNHCR ingenomen standpunt dat in de provincie Ninewa, waaruit de vreemdeling afkomstig is, sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, hetgeen de staatssecretaris niet gemotiveerd heeft betwist, heeft de rechtbank de enkele overweging in het besluit van 12 mei 2009 ten aanzien van dit rapport terecht niet voldoende geacht en derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie ten tijde van belang in het gebied waaruit hij afkomstig is, kan worden omschreven als een uitzonderlijke situatie, als hiervoor bedoeld. De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/384
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904981/1/V2.

Datum uitspraak: 14 augustus 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 2 juli 2009 in zaak nrs. 09/17112 en 09/17111 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 juli 2009, verzonden op 3 juli 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 juli 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in het gebied waaruit hij afkomstig is, kan worden omschreven als een uitzonderlijke situatie waarin de mate van geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, die terugkeert naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn) beschreven ernstige schade. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2009 en de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 januari 2009 in zaak nr. 32621/06, F.H. tegen Zweden (JV 2009/74) en van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/07, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329) betoogt de staatssecretaris dat hij afdoende heeft gemotiveerd dat het niveau van het geweld nabij Mosul niet zo hoog is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit gebied worden teruggestuurd alleen al vanwege hun aanwezigheid in dit gebied, een reëel risico lopen van ernstige en individuele schade in zin van voormeld artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2; www.raadvanstate.nl, kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2009, gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige bedreiging. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het voormeld arrest van 17 juli 2008 - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.1.2. De vreemdeling heeft betoogd dat hij, indien hij moet terugkeren naar Mosul in Centraal-Irak, daar louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon, als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij gewezen op het algemeen ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2008, het rapport van Amnesty International van 15 juni 2008 "Iraq, Rhetoric and reality: the Iraqi refugee crisis", het jaarrapport van Freedom House van juli 2008 "Freedom in the World 2008 - Iraq", het standpunt van Vluchtelingenwerk Nederland van november 2008 "Introductie asielbeleid Irak" en het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van april 2009 "UNHCR eligibility guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum seekers". In beroep heeft hij, voor zover thans van belang, een artikel van 16 juni 2008, gepubliceerd op de website van AsiaNews, en een artikel van 13 mei 2008, gepubliceerd op Ankawa.com, overgelegd.

2.1.3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 12 mei 2009 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat in Centraal Irak geen uitzonderlijke situatie bestaat als bedoeld in voormeld arrest van het Hof. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling in zijn zienswijze geen argumenten, feiten dan wel omstandigheden naar voren gebracht die een ander standpunt zouden rechtvaardigen. Zijn verwijzing naar het ambtsbericht, het standpunt van Vluchtelingenwerk Nederland, Amnesty International, de UNHCR en het jaarrapport van Freedom House van juli 2008, leidt, volgens de staatssecretaris, niet tot een andere stellingname dan bovenstaand verwoord. Ook hetgeen de vreemdeling aangaande de algemene situatie in en nabij Mosul heeft aangevoerd en zijn verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling vormt geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen. Bij dit alles moet, aldus de staatssecretaris, mede worden betrokken dat de vreemdeling zijn relaas niet geloofwaardig heeft gemaakt.

2.1.4. In het door de vreemdeling overgelegde rapport van de UNHCR is, voor zover thans van belang, vermeld:

"In those countries in which such asylum-seekers are not recognized under the 1951 Convention because of the way the Convention criteria are interpreted, international protection should be afforded through the application of an extended refugee definition, where this is available, or otherwise through a complementary form of protection. In such cases, UNHCR considers that asylum-seekers originating from the five Central Governorates who are found not eligible for refugee status should be considered to be at risk of serious harm in the situation of armed conflict which is ongoing in Iraq and should, therefore, be accorded a form of complementary protection."

2.1.5. In de voetnoot bij deze alinea is vermeld:

"In the European Union, where the term “subsidiary protection” is used, UNHCR considers that asylumseekers originating from the Central Governorates of Baghdad, Diyala, Kirkuk, Ninewa and Salah Al-Din who are not found to be refugees should receive subsidiary protection under Article 15(c) of the EU Qualification Directive (Council Directive 2005/85/EC of 1 December 2005 on Minimum Standards on Procedures in Member States for Granting and Withdrawing Refugee Status, 2 January 2006. http://www.unhcr.org/refworld/docid/4394203c4.html). Applying the reasoning of the European Court of Justice in Elgafaji v. Netherlands State Secretary of Justice (Case C-465/07, 17 February 2009, http://www.unhcr.org/refworld/docid/499aaee52.html), UNHCR considers the degree of violence which characterizes the ongoing armed conflict in those areas to be of such a high level that there are substantial grounds for believing that a civilian, if returned to those areas, would, solely because of his/her presence in those areas, face a real risk of being subject to a serious and individual threat to his/her life or person."

2.1.6. Gelet op het door de UNHCR ingenomen standpunt dat in de provincie Ninewa, waaruit de vreemdeling afkomstig is, sprake is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, hetgeen de staatssecretaris niet gemotiveerd heeft betwist, heeft de rechtbank de enkele overweging in het besluit van 12 mei 2009 ten aanzien van dit rapport terecht niet voldoende geacht en derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie ten tijde van belang in het gebied waaruit hij afkomstig is, kan worden omschreven als een uitzonderlijke situatie, als hiervoor bedoeld. De grief faalt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, als voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Pieters

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009

473.

Verzonden: 14 augustus 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak