Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200808358/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 85.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808358/1/V6.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot a en b], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 oktober 2008 in zaak nr. 06/126 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 85.500,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 3 december 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 oktober 2008, verzonden op 10 oktober 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 december 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en vergezeld door [vennoot b], en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.W. Stiekema, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wid), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, verstrekt de vreemdeling een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht aan de werkgever, die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, en stelt hij die werkgever in de gelegenheid een afschrift van dit document te maken.

Ingevolge artikel 18 van de Wav, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wav als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van het eerste lid met een rechtspersoon gelijkgesteld:

1˚. de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.

Ingevolge artikel 18b, eerste lid, maakt, indien de toezichthouder vaststelt dat een beboetbaar feit is begaan, hij daarvan zo spoedig mogelijk een rapport op.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00. Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 19e, derde lid, wordt de beschikking gegeven binnen dertien weken na dagtekening van het rapport, bedoeld in artikel 18b.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500,00 gesteld per persoon per beboetbaar feit.

2.2. In het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 6 november 2006 is vermeld dat tijdens een controle op 16 maart 2006 op het bedrijfsadres van [appellante] aan [locatie a], te [plaats], en de door [appellante] gehuurde locatie aan [locatie b], te [plaats], in totaal 9 vreemdelingen van Turkse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) zijn aangetroffen. De vreemdelingen verrichtten voor [appellante] arbeid, bestaande uit het draaien van tomatenplanten in kassen. De vreemdelingen waren volgens het boeterapport werkzaam bij [appellante] via het [uitzendbureau], gevestigd te [plaats].

Volgens het boeterapport maakte één vreemdeling gebruik van een vervalst identiteitsdocument en de andere vreemdelingen maakten gebruik van niet voor hen afgegeven identiteitsdocumenten. Dit is gebleken uit afwijkingen tussen de gezichtskenmerken van de vreemdelingen en de in de identiteitsdocumenten opgenomen pasfoto's.

In de administratie van [appellante] zijn volgens het boeterapport kopieën van de door de vreemdelingen gebruikte identiteitsdocumenten aangetroffen. Gebleken is dat voor het verrichten van werkzaamheden door de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Deze waren echter aangevraagd noch afgegeven.

2.3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door overschrijding van de termijn, bedoeld in artikel 19e, derde lid, van de Wav, de bevoegdheid tot boeteoplegging is vervallen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200707250/1)) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 3, p. 18) dat voormelde termijn een termijn van orde is. Derhalve heeft overschrijding hiervan niet het gevolg als hiervoor door [appellante] betoogd.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft gegeven en dat haar niet op grond van deze bepaling een boete kon worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellante] de identiteit van de vreemdelingen niet heeft kunnen vaststellen, omdat zij geen contact met het uitzendbureau heeft gezocht. Artikel 15, tweede lid, van de Wav legt volgens [appellante] aan de uitlener de verplichting op om aan de inlener afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen te doen toekomen. Indien de uitlener niet aan deze verplichting voldoet, kan dit niet aan de inlener worden toegerekend, aldus [appellante]. Een dergelijke interpretatie van artikel 15, tweede lid, van de Wav is volgens [appellante] in strijd met de rechtszekerheid.

2.4.1. Voor zover [appellante] heeft bedoeld te betogen dat zij niet kon worden beboet wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav, mist dit betoog feitelijke grondslag, aangezien [appellante] is beboet wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav.

2.4.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de Wav (Kamerstukken II 1999/00, 27 022, nr. 3, blz. 10/11) hebben de met de Wid in diverse wetten doorgevoerde wijzigingen inzake de identificatieplicht mede tot doel voor het toezicht en de opsporing van illegale tewerkstelling een instrument te bieden en is daarom in de Wav de verplichting voor de feitelijk werkgever opgenomen om onverwijld een afschrift van het identiteitsdocument bij de formele werkgever op te vragen, de identiteit van de werkende te verifiëren en de identiteitsmiddelen op te nemen in de administratie. Gelet op de in artikel 15 van de Wav neergelegde verplichting lag het op de weg van [appellante] als feitelijk werkgever van de vreemdelingen om, vóórdat zij de vreemdelingen arbeid liet verrichten, de nationaliteit en identiteit van de vreemdelingen te controleren aan de hand van het van het uitzendbureau te ontvangen afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wid, en zich er rekenschap van te geven dat voor de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist en afgegeven. Dat het uitzendbureau niet heeft voldaan aan haar verplichting om afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen aan [appellante] te doen toekomen, laat - anders dan [appellante] betoogt - onverlet dat op haar op de voet van artikel 15 van de Wav de plicht rustte om bij het uitzendbureau te rappelleren en de identiteit en nationaliteit van de vreemdelingen aan de hand van die afschriften te controleren. Het enkel controleren van de identiteit van de vreemdelingen aan de hand van de door hen getoonde originele identiteitsdocumenten, welke controle [appellante] stelt te hebben verricht, is in het kader van artikel 15, tweede lid, van de Wav niet voldoende, omdat dan de waarborg ontbreekt dat de persoon die zich presenteert degene is die het uitzendbureau heeft gezonden en de werkgever niet kan beoordelen of hij de personen die de documenten tonen, mag laten werken.

Nu uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de Wav volgt dat de in die bepaling neergelegde verplichting mede inhoudt het opvragen van een afschrift van het identiteitsdocument bij de formele werkgever, bestaat geen grond voor het oordeel dat bedoelde wetsbepaling in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellante] dat de overtredingen haar - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet kunnen worden verweten, omdat zij niet behoefde te vermoeden dat het om vreemdelingen in de zin van de Wav ging voor wie tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Zij stelt zich voldoende te hebben ingespannen om een overtreding van de Wav te voorkomen. In de eerste plaats wijst zij in dit verband op de omstandigheid dat zij van het uitzendbureau geen identiteitsdocumenten had ontvangen, zodat zij ervan mocht uitgaan dat het ging om Nederlanders van Turkse afkomst, en in de tweede plaats wijst zij op door de vreemdelingen getoonde en door haar gecontroleerde originele identiteitsdocumenten. Zij stelt voorts dat zij de daarvan gemaakte kopieën niet heeft weggegooid, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar deze gedeeltelijk nog heeft kunnen achterhalen en dat de overige kopieën mogelijk in beslag zijn genomen tijdens de controle. Volgens [appellante] wekt het voorts bevreemding dat de rechtbank meer waarde hecht aan de verklaringen van de vreemdelingen die bijna allemaal hebben verklaard haar geen origineel identiteitsdocument te hebben getoond dan aan haar verklaring dat zij de originele identiteitsdocumenten heeft gecontroleerd. De vreemdelingen hebben voorts [appellante] willen laten geloven dat zij te maken had met personen die gerechtigd waren in Nederland arbeid te verrichten zonder tewerkstellingsvergunning, waarbij zij zich volgens [appellante] hebben ingespannen om op de eerste dag van de tewerkstelling zoveel mogelijk te lijken op de foto op het door hen aan haar getoonde identiteitsdocument. Juist daarom hanteert [appellante] een dubbele toets door een vreemdeling ook zijn handtekening te laten zetten. Zij wijst ten slotte op de omstandigheid dat vier van de vreemdelingen ten tijde van een in 2004 door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen uitgevoerde controle bij haar werkzaam waren en toen alles in orde is bevonden.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan.

2.5.2. Gezien hetgeen in 2.4.2. is overwogen, was [appellante] gehouden contact met het uitzendbureau op te nemen teneinde te bewerkstelligen dat zij afschriften van de door de vreemdelingen gebruikte identiteitsdocumenten zou ontvangen. De omstandigheid dat het uitzendbureau niet uit zichzelf afschriften van deze documenten aan [appellante] heeft gezonden, kan haar dan ook niet disculperen.

2.5.3. [appellante] stelt in het kader van de door haar uitgevoerde controle bij aanvang van de werkzaamheden een kopie te hebben gemaakt van de door de vreemdelingen overgelegde originele identiteitsdocumenten en hun te hebben gevraagd om op deze kopie hun handtekening te plaatsen, zodat zij deze kon vergelijken met de op het identiteitsdocument geplaatste handtekening. Voorts heeft volgens [appellante] een vergelijking plaatsgevonden van de foto's op de identiteitsdocumenten met het uiterlijk van de vreemdelingen.

In de verklaringen van zes van de vreemdelingen is vermeld dat zij bij aanvang van de werkzaamheden niet het origineel van de door hen gebruikte verblijfsdocumenten aan [appellante] hebben getoond, maar slechts een kopie dan wel in het geheel geen document hebben laten zien. Eén vreemdeling heeft gebruik gemaakt van een - naar hij stelt - door hem gevonden Nederlands nationaal paspoort waarop hij zijn eigen foto had aangebracht en heeft dit document aan [appellante] getoond. Een andere vreemdeling heeft verklaard eerder bij [appellante] te hebben gewerkt en toen een origineel document te hebben laten zien, dat hij had gestolen. Bij aanvang van de onderhavige werkzaamheden heeft hij niet opnieuw het originele document laten zien, hoewel [appellante] daar wel naar heeft gevraagd. De laatste vreemdeling heeft verklaard de door hem gestolen originele Nederlandse identiteitskaart aan [appellante] te hebben laten zien en dat zij daarvan een kopie heeft gemaakt.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdelingen dat zij slechts kopieën hebben overgelegd, reeds omdat dit door zes vreemdelingen is verklaard en mede gelet op de omstandigheid dat geen van de vreemdelingen heeft verklaard dat [appellante] hun heeft gevraagd op de gemaakte kopie van het identiteitsdocument een handtekening te plaatsen ter controle.

De als bijlage bij het hoger-beroepschrift overgelegde kopieën van de identiteitsdocumenten van drie van de vreemdelingen, voorzien van handtekening, zijn in het licht van het vorenstaande onvoldoende om de door [appellante] gestelde wijze van controleren aannemelijk te achten. Bij dit oordeel is van belang dat uit het als bijlage bij het boeterapport gevoegde ontvangstbewijs volgt dat op 30 maart 2006 de kopieën van de identiteitsdocumenten die ter kopiëring door de inspecteurs waren meegenomen aan [appellante] zijn teruggegeven. De omstandigheid dat zij thans slechts over enkele kopieën met handtekeningen beschikt, dient derhalve voor haar rekening en risico te komen. Bovendien is, gelet op het verklaarde ter zitting in hoger beroep, niet duidelijk wanneer de handtekeningen zouden zijn gezet en vanaf welk moment deze kopieën zich in de administratie van [appellante] bevonden.

De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2008 (zaak nr. 200708500/1) en het betoog dat de vreemdelingen hun best hebben gedaan om zoveel mogelijk op de foto op het identiteitsdocument te lijken zodat [appellante] geen afwijkingen in uiterlijke kenmerken zou constateren, kan wat betreft voormelde zes vreemdelingen niet worden gevolgd, reeds omdat anders dan in de zaak die tot voormelde uitspraak heeft geleid, ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] niet originele identiteitsdocumenten van deze vreemdelingen heeft gecontroleerd. De vergelijking van de uiterlijke kenmerken van deze vreemdelingen en de foto's op de identiteitsdocumenten heeft derhalve plaatsgevonden aan de hand van kopieën van deze documenten, waarmee [appellante] het risico heeft aanvaard eventuele afwijkingen in uiterlijke kenmerken niet op te merken. Ten aanzien van de twee vreemdelingen die wel hebben verklaard een origineel identiteitsdocument te hebben getoond, volgt uit het boeterapport dat tussen de uiterlijke kenmerken van deze vreemdelingen en de foto's op de door hen gebruikte identiteitsdocumenten op een aantal punten zodanig duidelijk verschil bestaat dat ook een persoon die geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van gezichtsherkenning tot de conclusie had moeten komen dat de vreemdelingen niet de personen zijn die op de identiteitsdocumenten staan afgebeeld, althans dat gerede twijfel bestaat of het dezelfde personen zijn. [appellante] had derhalve deze afwijkingen dienen op te merken. Ten aanzien van de vreemdeling die gebruik heeft gemaakt van een vervalste Nederlandse identiteitskaart volgt uit het boeterapport dat de postcode op deze kaart niet overeenkwam met die van Amsterdam, de plaats waar deze zou zijn afgegeven, hetgeen [appellante] evenzeer had kunnen en derhalve moeten opmerken.

De omstandigheid dat in 2004 tijdens een controle vier van de vreemdelingen zijn aangetroffen en [appellante] - naar gesteld - naar aanleiding van deze controle heeft vernomen dat alles in orde was, laat de verplichting de identiteit van de voor haar werkzame personen deugdelijk vast te stellen onverlet.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid.

Het betoog faalt.

2.6. Ten slotte betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor matiging van de door de minister gehandhaafde boete. Zij stelt enerzijds door het uitzendbureau en anderzijds door de vreemdelingen op het verkeerde been te zijn gezet en bovendien de Wav niet opzettelijk te hebben overtreden. Volgens [appellante] heeft de rechtbank voorts een verkeerde toetsingsmaatstaf gehanteerd door te overwegen dat geen sprake is van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid in plaats van het in latere uitspraken gehanteerde criterium 'een verminderde mate van verwijtbaarheid'. Ten slotte is de rechtbank voorbijgegaan aan het verzoek om matiging op grond van haar financiële situatie, aldus [appellante]. Zij wijst in dit verband op de door haar overgelegde stukken met betrekking tot haar financiële situatie.

2.6.1. Zoals de Afdeling in de in 2.5.1 genoemde uitspraak van 12 maart 2008 evenzeer heeft overwogen, kan een verminderde mate van verwijtbaarheid aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

2.6.2. Vaststaat dat [appellante] bij aanvang van de werkzaamheden geen contact met het uitzendbureau heeft opgenomen en voorts is met hetgeen in 2.5.3. is overwogen voldoende aannemelijk geworden dat zij de originele identiteitsdocumenten van de vreemdelingen niet althans onvoldoende heeft gecontroleerd, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid die aanleiding geeft de opgelegde boete te matigen.

2.6.3. De omstandigheden dat [appellante] de Wav niet opzettelijk heeft overtreden en door anderen op het verkeerde been is gezet, kunnen niet als bijzonder worden aangemerkt, omdat het niet voldoen aan de uit hoofde van de Wav op haarzelf rustende verplichtingen voor rekening en risico van [appellante] dient te komen.

Anders dan [appellante] stelt, is de rechtbank niet voorbijgegaan aan het verzoek om matiging van de opgelegde boete wegens de financiële omstandigheden. De rechtbank heeft deze omstandigheden evenwel onvoldoende zwaarwegend geacht om tot matiging over te gaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 29 oktober 2008 in zaak nr. 200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. [appellante] is hierin met de door haar overgelegde financiële gegevens niet geslaagd.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Prins

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

32-510.