Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200900848/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Grinsel-Triestpad" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900848/1/R2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging tot Behoud van het Groene Hart van Brabant, gevestigd te Boxtel,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Grinsel-Triestpad" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging tot Behoud van het Groene Hart van Brabant (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vereniging heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2009, waar de vereniging, vertegenwoordigd A.A. van Abeelen, voorzitter, is verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. van Mierlo en ing. C.E.A. Buijsman, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd een woongebied te realiseren, bestaande uit 39 grondgebonden woningen en een appartementencomplex met maximaal 12 appartementen op een deels braakliggend, deels agrarisch terrein binnen de bebouwde kom van Den Dungen. Het plangebied bevindt zich in het zuiden van de bebouwde kom en wordt begrensd door de Spurkstraat en het Grinsel.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. De vereniging betoogt dat het college bij de goedkeuring van het plan onvoldoende belang heeft toegekend aan de historische, stedenbouwkundige en geografische betekenis van het plangebied, vanwege de ligging op de laatste restanten van het hoger gelegen akkerrestant, de donk, en aan de historische weg het Grinsel en de daarbij behorende open lintbebouwing. Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de aanwezige cultuurhistorische gebiedswaarden. Ook is het college ten onrechte voorbijgegaan aan het door de vereniging uitgevoerde onderzoek naar deze gebiedswaarden. Verder betoogt de vereniging dat het plan in strijd is met het rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid inzake het behoud en beheer van cultuurhistorische waarden, mede gelet op de ligging van het plangebied in een Belvedèregebied, zoals blijkt uit kaart 11 behorende bij het reconstructieplan Maas en Meierij.

Niet wordt voldaan aan de doelstelling van het plan om het buitengebied met de bebouwde kom te integreren, door het buitengebied tot binnen het stedelijk gebied door te laten dringen. De vereniging is van mening dat reeds in de huidige situatie sprake is van de gewenste integratie. Deze integratie zal verdwijnen door het realiseren van het woongebied ter plaatse van de donk, aldus de vereniging.

Ten slotte betoogt de vereniging dat het plan tot gevolg heeft dat het foerageergebied van de steenuil wordt aangetast. Tegen de ter zake verleende ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet heeft zij op 10 april 2009 bezwaar ingediend.

2.4. Het college acht het plan vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het provinciaal planologisch beleid.

2.5. De Nota Belvedère is een rijksnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. In het kader van de Nota Belvedère is een landsdekkend overzicht vervaardigd van de cultuurhistorisch meest waardevol geachte steden en gebieden: de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland. Deze kaart bevat onder andere de Belvedèregebieden. Dit zijn gebieden met een hoge concentratie van cultuurhistorische waarden. Het Dommeldal is aangemerkt als Belvedèregebied.

2.6. Het provinciaal beleid is neergelegd in de op 1 juli 2008 in werking getreden Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: Interimstructuurvisie). Hierin zijn de hoofdlijnen omschreven van de ruimtelijke ontwikkeling die provinciale staten nastreven voor de periode tot 2020. In paragraaf 4.1.2 van de Interimstructuurvisie is opgenomen dat het cultuurhistorisch beleid van de provincie zich richt op behoud, bescherming, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden van Noord-Brabant met betrekking tot het (steden)bouwkundig erfgoed, het historisch geografisch erfgoed inclusief historische groenwaarden en het archeologisch erfgoed. Cultuurhistorische (landschaps)waarden dienen te worden behouden, maar vooral als nieuwe inspiratiebron te worden gebruikt bij ruimtelijke ontwikkelingen. De cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang zijn aangegeven op de door het college vastgestelde Cultuurhistorische waardenkaart.

2.6.1. De provinciale belangen en doelen zoals verwoord in de Interimstructuurvisie zijn uitgewerkt in de door het college vastgestelde en op 1 juli 2008 in werking getreden Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: Paraplunota). Hierin is in paragraaf 1.4.4 vermeld dat bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met de cultuurhistorische waarden van bovenlokaal belang die zijn aangeduid op de Cultuurhistorische waardenkaart. Dit geldt in het bijzonder voor de historisch landschappelijke vlakken met hoge en zeer hoge waarden. In beginsel zijn in deze vlakken alleen ruimtelijke ingrepen toelaatbaar die zijn gericht op de voortzetting of het herstel van de historische functie en die leiden tot behoud of versterking van de cultuurhistorische (landschaps)waarden. In het Streekplan Noord-Brabant 2002, dat gold ten tijde van het nemen van het vaststellingsbesluit, was in paragraaf 3.1.4 een gelijkluidende bepaling opgenomen omtrent cultuurhistorische waarden.

Op de Cultuurhistorische waardenkaart is het lint gelegen aan het Grinsel aangeduid als gebied met een hoge historische stedenbouwkundige waarde. Het westelijk deel van het plangebied ligt binnen een historische zichtrelatie, te weten een molenbiotoop met een straal van 400 meter.

2.6.2. In hoofdstuk 7 van de Paraplunota zijn de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en landelijke regio's (2004/2005) aangewezen als uitwerking van de beleidslijnen ruimtelijke ordening. In het provinciale uitwerkingsplan Boxtel, Haaren en Sint-Michielsgestel (hierna: het provinciale uitwerkingsplan) is het plangebied aangemerkt als stedelijk gebied, met de nadere aanduiding beheer en intensivering. In gebieden met deze aanduiding kan intensivering van het ruimtegebruik en aanpassing van het stedelijk gebied, waar dat vanwege bestaande ruimtelijke kwaliteiten mogelijk en verantwoord is, nodig zijn. Nieuwe ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied dienen aan te sluiten bij de kwaliteiten en mogelijkheden van de bestaande kern.

2.7. Het plangebied is gelegen in een Belvedèregebied. Op grond van de Nota Belvedère en het hiervoor weergegeven provinciaal beleid moet rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied, maar dit betekent niet dat ruimtelijke ingrepen in het landschap moeten worden uitgesloten. In hetgeen de vereniging aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in het plangebied voorkomende cultuurhistorische waarden. Als cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn in paragraaf 3.8 van de plantoelichting aangeduid de lintbebouwing aan het Grinsel en de molenbiotoop, in navolging van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart. Om aan te sluiten bij de stedenbouwkundige structuur van grote panden op ruime kavels van de lintbebouwing, is eenzelfde structuur opgenomen voor de nieuwe bebouwing aan deze zijde. Bij de beeldbepalende boombeplanting van het lint wordt aangesloten door het groen van het Grinsel te verbinden met het groen van de Verlengde Hoogstraat-Spurkstraat, zo is vermeld in paragraaf 4.2. Niet is gebleken dat het onderzoek naar de cultuurhistorische waarden in het plangebied onzorgvuldig of onvolledig is.

Het gebied is in het provinciale uitwerkingsplan aangeduid als een gebied waar verstedelijking mogelijk en gewenst is. Uit de Interimstructuurvisie blijkt dat verstedelijking en het behoud van cultuurhistorische waarden elkaar niet uitsluiten, gelet op het uitgangspunt dat cultuurhistorische waarden als nieuwe inspiratiebron worden gebruikt bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Afdeling is van oordeel dat het plan niet in strijd is met dit uitgangspunt.

Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college afzonderlijk had moeten ingaan op de nadere analyse van de cultuurhistorische waarden die de vereniging bij haar bedenkingen heeft gevoegd. Dat het college niet op alle gegevens ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat het aangevoerde niet in de overwegingen is betrokken.

2.8. Over de stelling van de vereniging dat niet wordt voldaan aan de plandoelstelling om het buitengebied door te laten dringen in het stedelijk gebied, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat met het plan geen recht wordt gedaan aan deze doelstelling. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het plan in voldoende mate in groen en openheid voorziet, waarmee de ruimtelijke relatie met het buitengebied tot stand wordt gebracht.

2.9. De vragen of voor de uitvoering van een plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.1. De Afdeling stelt voorop dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij besluit van 18 februari 2009 een ontheffing op basis van de Flora- en faunawet voor de steenuil heeft verleend voor de voorziene woningbouw ter plaatse van het plangebied. In de omstandigheid dat de vereniging op 10 april 2009 bezwaar heeft ingediend tegen voornoemde ontheffing, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De vraag of de ontheffing in deze vorm al dan niet terecht is verleend, kan niet in deze procedure aan de orde komen.

2.10. De conclusie is dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

12-618.