Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200808773/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [wederpartij]om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/356
JOM 2009/888
OGR-Updates.nl 09-132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808773/1/H2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Bergen op Zoom,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 november 2008 in zaak nr. 07/5031 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de raad van de gemeente Bergen op Zoom.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de raad van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: de gemeenteraad) een verzoek van [wederpartij]om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft de gemeenteraad het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de gemeenteraad opnieuw op het gemaakte bezwaar beslist met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2009, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. A.J.W.P. Rampaart-Verbeek en drs. G.C. Kosters, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Bergen op Zoom, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. drs. J.M. Stedelaar, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [wederpartij] en zijn echtgenote zijn sinds 15 september 1995 eigenaar van een perceel met een woonhuis, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Aan het verzoek om vergoeding van planschade heeft [wederpartij] ten grondslag gelegd dat het door de gemeenteraad op 28 juni 2001 vastgestelde bestemmingsplan 'De Schans 2000' het realiseren van een appartementengebouw van vijf bouwlagen met een kap op een afstand van zestig meter van het woonhuis mogelijk heeft gemaakt en dat dit appartementengebouw zijn woongenot heeft aangetast en de waarde van het perceel heeft verminderd.

2.3. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijziging van het planologisch regime weliswaar heeft geleid tot een planologisch nadeliger situatie voor [wederpartij], maar dat de hierdoor ontstane schade, onder meer gezien de toelichting bij het bestemmingsplan 'De Schans 3e en 4e fase' van 27 oktober 1994, ten tijde van de aankoop van het perceel voorzienbaar was.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat [wederpartij] op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan 'De Schans 1983' in samenhang met het bestemmingsplan 'De Schans 3e en 4e fase' als redelijk denkende koper rekening had moeten houden met de kans dat de planologische situatie in negatieve zin zou gaan veranderen. Nu tegen dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld, dient dit oordeel in deze procedure als uitgangspunt te worden genomen en betreft het geschil nog slechts de door de rechtbank in negatieve zin beantwoorde vraag of voor [wederpartij] ook voorzienbaar was dat hoogbouw zou plaatsvinden.

2.5. De gemeenteraad betoogt dat in de toelichting bij het bestemmingsplan 'De Schans 3e en 4e fase' is vermeld dat in het gebied De Schans woningbouw zal worden gerealiseerd en dat de rechtbank ten onrechte een te beperkte uitleg aan dat begrip heeft gegeven door een appartementengebouw, bestaande uit vijf bouwlagen met een kap, daar niet onder te scharen.

2.5.1. Anders dan de rechtbank overweegt de Afdeling als volgt. In de toelichting bij het oude bestemmingsplan is niet vermeld wat onder woningbouw wordt verstaan. Onder woningbouw is in het algemeen spraakgebruik ook hoogbouw begrepen. Aan de toelichting kon [wederpartij] als redelijk denkende en handelende koper derhalve niet de verwachting ontlenen dat in de toekomst geen hoogbouw in de directe omgeving van het perceel zou plaatsvinden. Dat Halsteren zich ten tijde van de aankoop van dat perceel voornamelijk door laagbouw kenmerkte, leidt niet tot een ander oordeel. Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2008 in zaak nr. 200503143/1 (AB 2006, 167) kan [wederpartij] niet baten, omdat de omstandigheden van het geval te zeer verschillen. In die uitspraak ging het om hoogbouw in een reeds bestaande woonwijk, terwijl het in dit geval gaat om een nieuw te ontwikkelen woonwijk, waarvan het appartementengebouw deel uitmaakt. [wederpartij] diende, ondanks het gestelde dorpse karakter van Halsteren, ten tijde van de aankoop van het perceel rekening te houden met alle woonvormen die in een woonwijk in ontwikkeling denkbaar zijn, waaronder hoogbouw in vijf bouwlagen. Dat betekent dat de aanvaarding van het risico van een nadelige planologische wijziging, welke in de aangevallen uitspraak onweersproken is vastgesteld, het risico van ook deze ontwikkeling insluit, zodat de gevolgen daarvan redelijkerwijs geheel voor zijn rekening dienen te blijven.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 november 2008 in zaak nr. 07/5031;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

452.