Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200808593/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de Raad) een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808593/1/H2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2008 in zaak nr. 08/1437 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de Raad) een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 3 maart 2008 heeft de Raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2008, verzonden op 20 oktober 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2009, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt rechtsbijstand uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste € 7.300,- indien hij alleenstaande is, dan wel van tenminste € 10.500,- in overige gevallen.

Ingevolge het vierde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven voor de vaststelling van het voor de financiële draagkracht in aanmerking te nemen inkomen en vermogen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: het Besluit), zoals dit Besluit luidde ten tijde van belang, wordt voor de vaststelling van het vermogen van de rechtzoekende uitgegaan van de toestand zoals deze is op het tijdstip dat de aanvraag om verlening van rechtsbijstand wordt ingediend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de Raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid, worden voor de vaststelling van het vermogen als schulden in aanmerking genomen:

a. schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van bezittingen als bedoeld in het vorige lid;

b. schulden die betrekking hebben op bijzondere uitgaven die de rechtzoekende gedwongen is te doen als gevolg van persoonlijke omstandigheden hemzelf of zijn huishouden betreffende.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, worden voor de vaststelling van het vermogen niet in aanmerking genomen de waarde, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, van de eigen woning die de rechtzoekende bewoont of, in geval van opheffing van de gezamenlijke huishouding, bewoond heeft voor zover deze waarde, na aftrek van het nog niet afgeloste bedrag van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan € 65.344,- bedraagt.

2.2. Bij het besluit op bezwaar van 3 maart 2008 heeft de Raad de afwijzing bij het besluit van 8 maart 2006 van de aanvraag om toevoeging gehandhaafd, omdat het vermogen van [appellant] in verband met de waarde van de eigen woning de in artikel 34, tweede lid, van de Wrb vastgestelde grens voor een alleenstaande overschrijdt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Raad de toevoeging terecht heeft geweigerd omdat zijn vermogen de vastgestelde financiële grenzen overschrijdt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bedrag van € 265.000,- waarvoor de woning in 2003 is aangekocht en waarvan de Raad is uitgegaan, te hoog is omdat de woning veel gebreken kent. Daarnaast hebben woningen op de veiling een opbrengst van circa 28% onder de WOZ-waarde en is de vraagprijs van de woning naar de mening van [appellant] door de makelaar op een te hoog bedrag vastgesteld.

2.3.1. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] bevestigd dat de gemeente Amstelveen de WOZ-waarde van de woning in 2006 uiteindelijk op € 282.000,- heeft vastgesteld. In hoger beroep heeft hij ter zitting gesteld dat hiertegen nog een procedure loopt. Nu gelet op artikel 9, derde lid, van het Besluit de WOZ-waarde van de woning bepalend is voor de berekening van het buiten beschouwing te laten vermogen, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de Raad niet van een te hoge waarde is uitgegaan. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de slechte kwaliteit van de woning en het kunstmatig hoog houden van de vraagprijs door de makelaar, wat daar ook van zij, is bij de vaststelling van het vermogen in de zin van de Wrb niet van belang.

Voor zover [appellant] in hoger beroep heeft gewezen op het huidige slechte economische klimaat, waardoor hij, naar hij stelt, minder werk heeft en geen overuren kan maken, kan dit in deze procedure geen rol spelen nu het hier, gelet op het in artikel 8, eerste lid, van het Besluit bepaalde, gaat om de vaststelling van het vermogen ten tijde van de aanvraag om toevoeging.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

18-621