Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200900191/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een aanvraag van appellanten om tegemoetkoming in de door spreeuwen veroorzaakte schade aan de door hen geteelde blauwe bessen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900191/1/H3.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 december 2008 in zaak nr. 07/4903 in het geding tussen:

appellanten

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) een aanvraag van appellanten om tegemoetkoming in de door spreeuwen veroorzaakte schade aan de door hen geteelde blauwe bessen afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het Faunafonds het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2009.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan het Faunafonds gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door de [vennoten], bijgestaan door mr. G.W.A. Bernards, advocaat te Veldhoven, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en ing. A. Klaver, ambtenaren in dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 84, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), voor zover thans van belang, wordt door het Faunafonds een tegemoetkoming slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.1.1. Ter invulling van de beoordelingsruimte die het Faunafonds op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw toekomt, heeft het de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Volgens artikel 7, eerste lid, van de Regeling, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, zal het bestuur een tegemoetkoming slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het tweede lid staan maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan het bestuur meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid van de grondgebruiker kunnen worden verwacht, vermeld in het door het bestuur vastgestelde Handboek Faunaschade (hierna: het Handboek).

Volgens het zesde lid kan het bestuur een verhoogd eigen risico instellen voor gewassen, teelten of overige producten, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a en b, van de Ffw.

2.1.2. In het Handboek staat op pagina 57 dat vogelschade in bessen niet voor een tegemoetkoming door het Faunafonds in aanmerking komt en dat verwacht wordt dat bessenpercelen met netten worden afgedekt.

2.2. Aan het besluit van 11 oktober 2006 heeft het Faunafonds ten grondslag gelegd dat de door [appellanten] op 28 juni 2005 geconstateerde schade door hen had behoren te worden voorzien. In het besluit van 3 oktober 2007 heeft het Faunafonds daaraan toegevoegd dat in het Handboek is bepaald dat door vogels veroorzaakte schade aan bessen niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beleid van het Faunafonds dat vogelschade aan bessen niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, niet onredelijk is. Volgens [appellanten] is de consequentie van het beleid dat de teelt van blauwe bessen op grote schaal in Nederland niet meer mogelijk zal zijn. Voorts voeren [appellanten] aan dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de omstandigheid dat het Handboek nog niet bestond op het moment dat [appellanten] besloten om op grote schaal blauwe bessen te gaan telen, zodat het Faunafonds heeft gehandeld in strijd met het verbod van terugwerkende kracht. Verder is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit heeft geadviseerd om de schade aan [appellanten] te vergoeden gelet op alle maatregelen die zij ter preventie hebben getroffen. Tot slot is het besluit tot afwijzing van de vergoeding volgens [appellanten] in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat schade door spreeuwen aan andere sectoren in de fruitteelt, zoals appels en peren, wel wordt vergoed en [appellanten] zelf eerder door mezen en vinken veroorzaakte schade aan blauwe bessen vergoed hebben gekregen.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 april 2009 in zaak nr. 200806283/1) is de in het Handboek opgenomen bepaling dat geen vergoeding volgt wanneer bessenpercelen niet met netten worden afgedekt, niet kennelijk onredelijk. Niet in geschil is dat bessen zeer aantrekkelijk voor vogels en zeer schadegevoelig zijn en dat die schade slechts met zekerheid is te voorkomen door bessenpercelen met netten af te dekken. [appellanten] hebben gekozen voor het telen van blauwe bessen op percelen met een zodanige omvang dat het afdekken daarvan met netten om redenen van bedrijfsefficiency en veelal ook wegens planologische belemmeringen geen reële optie is. De rechtbank heeft tegen die achtergrond terecht geoordeeld dat het Faunafonds het risico van excessieve schade dat aan de bedrijfsvoering verbonden is in redelijkheid voor rekening van [appellanten] mocht laten. Dat [appellanten] hun exploitatiekeuze maakten voordat voormelde passage in het Handboek was opgenomen, doet aan hun eigen verantwoordelijkheid voor die keuze niet af en betekent niet dat zij in weerwil van die passage en alhoewel de voorschriften gesteld bij en krachtens de Ffw niets in de weg leggen aan het spannen van netten, aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in schade die bij een teeltwijze die het spannen van netten wel toelaat, niet zou optreden. Daarbij is van belang dat het aan de ondernemer is om de wijze van exploitatie te kiezen en daarbij het risico van door dieren veroorzaakte schade en de mogelijkheden die te voorkomen te betrekken. Het advies van het ministerie om de schade te vergoeden gelet op de andere maatregelen die zijn getroffen, kan hieraan niet afdoen. Van de door [appellanten] gestelde terugwerkende kracht is overigens geen sprake, nu het gaat om de schade die is ondervonden in 2005 en de bepaling uit het Handboek dateert uit 2002.

De vergoeding die in 2004 in strijd met het Handboek is toegekend voor schade die is toegebracht door mezen en vinken berust, naar door het Faunafonds is gesteld, op een misslag. Het door [appellanten] ingeroepen gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het Faunafonds op grond daarvan gehouden is om ook voor de in 2005 opgetreden schade in strijd met het Handboek een vergoeding toe te kennen. De door [appellanten] genoemde tegemoetkomingen in schade aan appels en peren betreffen, zoals zij zelf hebben vermeld, tegemoetkomingen in een andere sector in de fruitteelt. Reeds daarom is geen sprake van gelijke gevallen. Hun beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt derhalve niet.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

419.