Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200806392/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 juli 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1808
JOM 2009/876
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806392/1/M2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) aan [appellante sub 1] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 juli 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008; [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 3] hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 11 september 2008. [appellanten sub 2] hebben de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 8 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college heeft een nader besluit van 5 maart 2009 tot wijziging van het besluit van 24 juni 2008 overgelegd.

[appellanten sub 3] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis; [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden]; [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door M.M.J. Pijnenburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Beroep [appellante sub 1]

2.1. Ter zitting heeft [appellante sub 1] het beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om het college te veroordelen in de door haar in dat verband gemaakte proceskosten.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet worden veroordeeld.

2.1.2. Bij besluit van 27 oktober 2008 is het college tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht aan de door [appellante sub 1] tegen het bestreden besluit ingediende beroepsgrond. Het verzoek Van [appellante sub 1] wordt dan ook toegewezen.

2.2. In het hiernavolgende zal de Afdeling de beroepen van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] tegen het bestreden besluit behandelen.

Intrekking beroepsgrond

2.3. [appellanten sub 3] hebben het beroep ter zitting ingetrokken, voor zover dat betrekking heeft op het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.15.

Ontvankelijkheid

2.4. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

[appellant sub 3 A] heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van [appellanten sub 3] is, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 3 A], niet-ontvankelijk.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Aantal nertsen

2.6. [appellanten sub 2] voeren aan dat niet aannemelijk is dat slechts 5.999 nertsen zullen worden gehouden, daar binnen de inrichting 11.152 kooien zijn gebouwd.

2.6.1. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegd gezag moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Er is vergunning gevraagd en verleend voor het houden van 5.999 fokteven van nertsen. Daarbij mogen reuen en pups worden gehouden. Indien meer dan 5.999 fokteven worden gehouden, wordt de vergunning niet nageleefd en kan handhaving plaatsvinden. Deze beroepsgrond betreft derhalve niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat hij faalt.

Stankhinder

2.7. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] stellen stankhinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. [appellanten sub 3] voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een minimaal aan te houden afstand van 150 meter tot de dichtstbijgelegen woning. Volgens hen stelt het college ten onrechte dat het vergunde huisvestingssysteem emissiearm is en heeft het derhalve ten onrechte de korting van 25 meter voor Groen Label toegepast. Volgens hen had het college op basis van de Wet geurhinder en veehouderij niet dienen uit te gaan van de afstand van de gevel van de woning tot het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting, maar van de afstand van de gevel van de woning tot de dichtstbijgelegen gevel van de inrichting. [appellanten sub 2] stellen dat de afstand tussen het dichtbijzijnde emissiepunt van de inrichting en de dichtstbijgelegen woning kleiner is dan 150 meter, aangezien de wanden en het dak van de hal waar de nertsen worden gehouden niet luchtdicht zijn uitgevoerd en de te plaatsen blowers extra stankemissie zullen veroorzaken. Zij stellen verder dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de cumulatieve geurbelasting vanwege de inrichting. Tot slot voeren [appellanten sub 2] aan dat de stankhinder vanwege de mestopslag ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken.

2.7.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren in afwijking van het eerste lid vastgesteld bij ministeriële regeling.

In artikel 3 van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Regeling) is bepaald dat de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet is opgenomen in bijlage 2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling wordt de afstand, bedoeld in de artikelen 3, tweede en derde lid, en 4, eerste lid, van de wet gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt.

Ingevolge bijlage 2 van de Regeling moet bij het aangevraagde en vergunde veebestand van 5.999 fokteven van nertsen een minimale afstand van 175 meter buiten de bebouwde kom worden aangehouden. Indien een emissiearm huisvestingssysteem wordt aangevraagd, bedraagt de ingevolge de Regeling minimaal aan te houden afstand 150 meter buiten de bebouwde kom.

2.7.2. Uit de aanvraag blijkt dat de dieren worden gehouden in drie stallen met Groen Label nummer BB 94.02.013. De Stichting Groen Label heeft dit Groen Labelnummer op 3 februari 2004 aan dit huisvestingssysteem toegekend. De ammoniakemissie van dit huisvestingssysteem bedraagt 0,25 per dierplaats per jaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2009 in zaak nr. 200802417/1) mag het college in beginsel uitgaan van de toekenning van een Groen Label door de Stichting Groen Label. De Afdeling ziet ook in dit geval geen grond voor het oordeel dat het college niet van deze toekenning had mogen uitgaan.

In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het vergunde huisvestingssysteem voldoet aan de vereisten uit de Leaflets Groen Label. Niet aannemelijk is gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn. Aan de vergunning zijn onder meer de voorschriften 3.3.1.1, 3.3.2.6 en 3.3.2.9 verbonden, waarin is bepaald dat de hallen waar de nertsen worden gehouden mestgoten met een breedte van 30-40 cm moeten hebben en conform de tekening moeten zijn uitgevoerd. De mestgoten moeten twee maal per dag worden geleegd en mest en urine moeten worden afgevoerd naar een gesloten mestopslag. Voorts mag de omgeving bij het transport naar de gesloten mestopslag niet worden verontreinigd. Gelet op het voorgaande is voldoende gewaarborgd dat het vergunde huisvestingssysteem voldoet aan de vereisten van Groen Labelsysteem BB 94.02.013 en de daarbij behorende ammoniakemissie. Het college is er dan ook terecht van uitgegaan dat het aangevraagde huisvestingssysteem een emissiearm huisvestingssysteem is, en heeft terecht een korting toegepast van 25 meter voor Groen Label. De beroepsgrond van [appellanten sub 3] faalt in zoverre.

2.7.3. Pelsdieren vallen onder de in artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij genoemde dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. De wijze waarop de afstand tot het dichtstbijzijnde geurgevoelig object moet worden vastgesteld, is voor deze dieren geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling. Het college is bij de meting van de afstand dan ook terecht uitgegaan van het dichtstbijzijnde emissiepunt van een van de dierenverblijven. De beroepsgrond van [appellanten sub 3] faalt in zoverre.

2.7.4. De Wet geurhinder en veehouderij, die ingevolge artikel 2, eerste lid, het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van stankhinder bij een besluit als het onderhavige, vergt geen afzonderlijke beoordeling van de cumulatie van stankhinder. Het college heeft een dergelijke beoordeling dan ook terecht niet uitgevoerd. De beroepsgrond van [appellanten sub 2] faalt in zoverre.

2.7.5. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 2] dat de stankhinder vanwege de mestopslag ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken, overweegt de Afdeling dat aan de vergunning onder meer de voorschriften 3.3.1.1, 3.3.2.1, 3.3.2.2 en 3.3.2.6 zijn verbonden, waarmee is beoogd om de stankhinder vanwege de mestopslag te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken. Mede gelet op het gestelde in het deskundigenbericht heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om stankhinder te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken. De beroepsgrond van [appellanten sub 2] faalt in zoverre.

2.7.6. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 2] dat de daadwerkelijke afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de dichtstbijgelegen woning kleiner is dan 150 meter, vanwege de omstandigheid dat de stal niet luchtdicht is, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de tekening bij de aanvraag worden delen van de hallen waar de nertsen worden gehouden dichtgemaakt om aan de vereiste afstand tussen de emissiepunten en de woningen te voldoen. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.13 is echter bepaald dat boven in de wand gaas moet worden aangebracht, zodat de wanden van de stallen luchtdoorlatend zijn. In dat geval is de afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de dichtstbijgelegen woning kleiner dan 150 meter, zodat niet kan worden voldaan aan de ingevolge de Regeling minimaal aan te houden afstand. Het college heeft erkend dat voornoemd voorschrift moet worden gewijzigd, zodat het bestreden besluit zich, wat dit voorschrift betreft, niet verdraagt met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen. De beroepsgrond van [appellanten sub 2] slaagt in zoverre.

Het college heeft voornoemd gebrek beoogd te herstellen bij besluit van 23 april 2009 met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer. Ter zitting is door het college gesteld dat dit besluit nog ter inzage ligt, zodat daartegen nog beroep kan worden ingesteld. Reeds gelet hierop kan dit besluit niet worden betrokken bij de beoordeling van dit onderdeel van de beroepsgrond.

Beste beschikbare technieken

2.8. [appellanten sub 2] betogen dat het vergunde huisvestingssysteem niet kan worden aangemerkt als de in aanmerking komende beste beschikbare techniek. Zij wijzen er in dat kader op dat de centrale afzuiging ten onrechte niet is aangesloten op een luchtwasser.

2.8.1. De nertsen worden gehouden in kooien die bestaan uit een standaardkooi met een bovenkooi (klauterkooien) met een mestopvangsysteem. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat de dieren worden gehouden in het enige Groen Labelstalsysteem voor het houden van nertsen. Volgens het deskundigenbericht wordt voldaan aan de eisen uit de Leaflets Groen Label. In het deskundigenbericht wordt verder vermeld dat de mestopvang en -afvoer van het vergunde stalsysteem doelmatig is, nu de huisvesting plaatsvindt in een loods met verharde vloer zodat de naast de opvanggoot gevallen mest en urine eenvoudig en snel kunnen worden verwijderd. Nageschakelde technieken zoals luchtwassers zijn volgens het deskundigenbericht geen algemeen toegepaste techniek bij een nertsenhouderij. In hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding om aan het gestelde in het deskundigenbericht te twijfelen. Gelet op het gestelde in het deskundigenbericht bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval met het aangevraagde en vergunde huisvestingssysteem voor nertsen niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De beroepsgrond faalt.

Zwevende deeltjes

2.9. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] stellen dat de uitstoot van zwevende deeltjes vanwege het in werking zijn van de inrichting is onderschat. [appellanten sub 3] verwijzen daarbij naar het ECN-rapport "Fijn stof uit stallen: Berekeningen in het kader van het NSL" (hierna: het ECN-rapport). Voorts heeft het college bij de beoordeling van de emissie van zwevende deeltjes volgens [appellanten sub 3] in strijd met de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (Richtlijn 1999/30/EG, hierna: de eerste dochterrichtlijn) een aftrek voor zeezout toegepast.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 april 2009 in zaak nr. 200802437/1) is het niet in strijd met de kaderrichtlijn en de eerste dochterrichtlijn dat zeezout, met toepassing van artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 35, zesde lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en de procedure zoals beschreven in de bij deze regeling behorende bijlage 4, bij de bepaling van de concentratie van zwevende deeltjes buiten beschouwing wordt gelaten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 november 2006 in zaak nr. 200602240/1) moet voorop worden gesteld dat er geen beoordelingssystematiek bestaat voor de mogelijke emissie van zwevende deeltjes die wordt veroorzaakt door het houden van nertsen. Voor de beoordeling van de mogelijke emissie heeft het bevoegd gezag zowel in de genoemde zaak als in het onderhavige geval een vergelijking gemaakt met het houden van legkippen in een mestbandbatterijsysteem, aangezien dit huisvestingssysteem enigszins te vergelijken is met de huisvesting van nertsen. De vergelijking met het houden van legpluimvee is door de Afdeling in bovenvermelde uitspraak aanvaardbaar geacht.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 januari 2009 in zaak nr. 200800362/1) is de toepassing van de in het ECN-rapport genoemde emissiefactoren niet bij of krachtens een wettelijke regeling voorgeschreven, en mocht het college hieraan voorbijgaan.

2.9.2. Uit het bij de aanvraag gevoegde luchtkwaliteitsrapport van Cauberg-Huygen van 14 maart 2007 blijkt dat de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor de etmaalgemiddelde en de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes niet worden overschreden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 3] aanvoeren over de emissie van zwevende deeltjes geen reden het beroep in zoverre gegrond te achten.

Habitatrichtlijn

2.10. [appellanten sub 2] voeren aan dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn). Daartoe betogen zij dat niet kan worden uitgesloten dat de ammoniakemissie en -depositie van de inrichting leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het in de nabijheid van de inrichting gelegen natuurgebied "Uiterwaarden Waal". Volgens hen heeft het college verder ten onrechte geen rekening gehouden met de gezondheidsschade die de toename van de ammoniakemissie zal veroorzaken.

2.10.1. De gevolgen van de (toename van de) ammoniakemissie vanwege het in werking zijn van de inrichting worden bepaald aan de hand van de Wet ammoniak en veehouderij. Bij de beoordeling of onaanvaardbare nadelige gevolgen voor het milieu optreden, kan geen rekening worden gehouden met de bijzondere gevoeligheid van personen met betrekking tot hun gezondheid.

2.10.2. Het natuurgebied "Uiterwaarden Waal", dat een gebied van communautair belang is in de zin van de Habitatrichtlijn, valt samen met het als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van richtlijn 79/409/EEG aangewezen gebied "Uiterwaarden Waal". Een rechtstreekse toetsing aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn was bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet aan de orde, nu de gevolgen voor dit gebied uitsluitend dienden te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. De beroepsgrond faalt.

Pelzerij

2.11. [appellanten sub 2] voeren aan dat zij voor overlast vrezen vanwege het in werking zijn van de pelzerij. Zij betogen in dit kader dat het pelzen van nertsen planologisch niet is toegestaan en dat geen rekening is gehouden met de door deze activiteit veroorzaakte afvalstromen, waaronder kadavers.

2.11.1. Voor zover [appellanten sub 2] aanvoeren dat planologische bezwaren bestaan tegen de aanwezigheid van de inrichting overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond in zoverre geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, en om die reden reeds niet kan slagen.

2.11.2. Ter voorkoming dan wel beperking van de mogelijke stankhinder vanwege de aanwezigheid van kadavers zijn onder meer de voorschriften 3.1.7 en 3.1.11 aan de vergunning verbonden. Volgens het deskundigenbericht bieden deze voorschriften voldoende waarborgen tegen stankhinder van de kadavers. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om stankoverlast vanwege de aanwezigheid van kadavers te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.12. [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] stellen dat een hogere geluidbelasting op de woning aan de [locatie 2] optreedt dan is toegestaan op grond van de in de vergunningvoorschriften 4.3.1 en 4.3.2 gestelde geluidgrenswaarden, zodat de gevraagde vergunning in zoverre impliciet is geweigerd. Voorts stellen zij dat het bij de aanvraag overgelegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen van 14 mei 2007 niet representatief is voor de geluidbelasting vanwege de inrichting. Volgens [appellanten sub 3] is uitgegaan van te lage niveaus voor vrachtwagens en andere geluidsbronnen. Volgens [appellanten sub 2] is het aan- en afrijdend verkeer in het akoestisch rapport onderschat en zijn de ventilatoren ten onrechte buiten beschouwing gelaten. [appellanten sub 3] kunnen zich voorts niet verenigen met het bij besluit van 5 maart 2009 aan de vergunning verbonden voorschrift 4.3.5, aanhef en onder a, waarin een termijn is gesteld van zes maanden voor de uitvoering van een akoestisch onderzoek waarmee moet worden aangetoond dat aan de gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan.

2.12.1. Bij besluit van 5 maart 2009 heeft het college de geluidvoorschriften van de vergunning van 24 juni 2008 met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer gewijzigd teneinde enkele onvolkomenheden van die voorschriften te herstellen.

2.12.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

In artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht wordt mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.12.3. Het besluit van 5 maart 2009 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop wordt het beroep van [appellanten sub 3] ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede tegen het besluit van 5 maart 2009 te zijn gericht, voor zover daarbij voorschrift 4.3.5, aanhef en onder a, aan de vergunning is verbonden, aangezien het besluit in zoverre niet aan het beroep tegemoet komt.

2.12.4. Uit het bij de aanvraag behorend akoestisch onderzoek van Cauberg-Huygen van 14 mei 2007 en de daarbij behorende aanvulling van 14 mei 2008, die het college tot uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting, bleek dat de geluidbelasting op de woning aan de [locatie 2] hoger was dan op grond van de bij besluit van 24 juni 2008 aan de vergunning verbonden voorschriften 4.3.1 en 4.3.2 was toegestaan, in welke voorschriften geen meethoogten waren opgenomen. In het gewijzigde voorschrift 4.3.1 zijn bij besluit van 5 maart 2009 meethoogten opgenomen, zodat de eerdere discrepantie tussen de daadwerkelijke geluidbelasting op de woning en de geluidbelasting die volgens de gestelde geluidgrenswaarden maximaal op de woning aan de [locatie 2] mocht worden veroorzaakt, zich niet meer voordoet. In zoverre komt het besluit van 5 maart 2009 volledig tegemoet aan de bezwaren van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2], zodat het beroep in zoverre niet, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht wordt mede tegen dat besluit te zijn gericht.

Nu de zojuist vermelde discrepantie door het besluit van 5 maart 2009 is opgeheven, hebben [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] geen belang meer bij een afzonderlijke inhoudelijke beoordeling van hun beroepsgrond met betrekking tot de bij het besluit van 24 juni 2008 aan de vergunning verbonden voorschriften 4.3.1 en 4.3.2, inhoudende dat een hogere geluidbelasting op de woning aan de [locatie 2] optreedt dan is toegestaan op grond van de gestelde geluidgrenswaarden. Gelet hierop is het beroep van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2], voor zover dat is gericht tegen de bij het besluit van 24 juni 2008 aan de vergunning verbonden voorschriften 4.3.1 en 4.3.2, niet-ontvankelijk.

2.12.5. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat er geen reden is om te veronderstellen dat in het akoestisch rapport geen representatief beeld is gegeven van de geluidbelasting vanwege de inrichting. In hetgeen [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] aanvoeren, ziet de Afdeling geen reden om in zoverre aan de bevindingen in het deskundigenbericht te twijfelen. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.12.6. Het college heeft erkend dat voorschrift 4.3.5, aanhef en onder a, ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Het besluit van 5 maart 2009 is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Dit beroepsonderdeel van de beroepsgrond van [appellanten sub 3] slaagt.

Conclusie

2.13. De beroepen van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] zijn, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 24 juni 2008 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het voorschrift 3.1.13 betreft. Het besluit van 5 maart 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het voorschrift 4.3.5, aanhef en onder a, betreft. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.14. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 3] en [appellanten sub 2] te worden veroordeeld. Voor zover [appellanten sub 3] hebben verzocht om een vergoeding van de reiskosten, overweegt de Afdeling dat slechts hun rechtsbijstandverlener ter zitting aanwezig was en zijn reiskosten reeds zijn inbegrepen in de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door [appellant sub 3 A];

II. verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover ze zich richten tegen de bij het besluit van 24 juni 2008 aan de vergunning verbonden voorschriften 4.3.1 en 4.3.2;

III. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond, voor zover deze betrekking hebben op het bij het besluit van 24 juni 2008 aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.13 en het bij het besluit van 5 maart 2009 aan de vergunning verbonden voorschrift 4.3.5, aanhef en onder a;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 24 juni 2008, voor zover het vergunningvoorschrift 3.1.13 betreft;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal van 5 maart 2009, voor zover het vergunningvoorschrift 4.3.5, aanhef en onder a, betreft;

VI. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; betaling aan een van hen werkt bevrijdend ten opzichte van de anderen;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; betaling aan een van hen werkt bevrijdend ten opzichte van de ander;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor respectievelijk [appellanten sub 3], en [appellanten sub 2] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Fransen

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009

407.