Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
200902651/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009, nummer 1434868, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) bij besluit van 13 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maatsestraat".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902651/2/R2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009, nummer 1434868, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Uden (hierna: de raad) bij besluit van 13 mei 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Maatsestraat".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, beroep ingesteld. [verzoekers] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 mei 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 juli 2009, waar [verzoekers], bijgestaan door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door drs. J. Heijmans, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om appartementen en grondgebonden woningen op te richten op de locatie van de voormalige Technische School aan de Maatsestraat in Uden. [verzoekers] wonen in de directe omgeving ten noordwesten respectievelijk ten westen van het plangebied. Het college heeft het plan goedgekeurd.

2.3. [verzoekers] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Verder voeren zij aan, samengevat weergegeven, dat het plan in strijd is met het Uitwerkingsplan van het streekplan 'Uden-Veghel, Schijndel-Sint Oedenrode-Boekel' (hierna: het Uitwerkingsplan) omdat de inbreiding niet verantwoord is. Voorts brengen zij naar voren dat het plan ten onrechte voorziet in een maximale bouwhoogte van 17 meter waardoor hun woongenot zal worden aangetast en dat het uitgevoerde verkeersonderzoek niet deugt. Tevens is het benodigde aantal parkeerplaatsen niet gegarandeerd en zijn de verkeers- en milieuonderzoeken gebrekkig waardoor een goed woon- en leefklimaat niet zeker is, aldus [verzoekers]. Daarnaast stellen zij dat in het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn en dat onvoldoende is verzekerd dat waardevolle bomen zullen worden behouden. Voorts voeren zij aan dat onduidelijk is of de te treffen waterhuishoudkundige maatregelen zijn gewaarborgd en of sprake zal zijn van verboden staatssteun.

2.4. Vaststaat dat inmiddels vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de bouw van grondgebonden woningen in het plangebied. [verzoekers] hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het college van burgemeester en wethouders heeft nog geen besluit op bezwaar genomen. Gelet hierop acht de voorzitter een spoedeisend belang aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Op de plankaart behorende bij het Uitwerkingsplan is het plangebied aangeduid als 'beheer en intensivering'. Deze aanduiding geeft aan dat intensivering van het ruimtegebruik en aanpassing van het stedelijk gebied, waar dat vanwege bestaande ruimtelijke kwaliteiten mogelijk en verantwoord is, nodig kan zijn. De voorzitter ziet niet in dat het standpunt van het college onjuist is dat het plan past binnen deze provinciale beleidsmatige uitgangspunten.

2.5.1. Het plan voorziet tegenover de woningen van [verzoekers] in een gebouw waarvan een gedeelte een maximale bouwhoogte van 17 meter mag krijgen op een afstand van ongeveer 50 respectievelijk 35 meter van de woningen van [verzoekers]. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de tussenliggende wegen een normaal tot breed profiel hebben met laanbeplanting. [verzoekers] hebben de voorzitter er niet van kunnen overtuigen dat een bouwhoogte van 17 meter ter plaatse niet aanvaardbaar is. Daarbij betrekt de voorzitter dat op grond van het vorige plan een maximale bouwhoogte van 15 meter gold.

2.5.2. Ter zitting is door de raad onweersproken toegelicht dat met alle relevante ontwikkelingen in het verkeersonderzoek is rekening gehouden. In het rapport 'Verkeerstoets bestemmingsplan Maatsestraat' van 6 september 2007 is vermeld dat de voorziene verkeersintensiteit van 1800 motorvoertuigen per etmaal geen problemen zal opleveren voor de verkeersafwikkeling omdat de omliggende wegen 2000 tot 3000 motorvoertuigen per etmaal kunnen verwerken. Bij het akoestisch onderzoek en het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgegaan van een verkeersintensiteit van 1800 motorvoertuigen per etmaal. Volgens het luchtkwaliteitonderzoek kan aan alle grenswaarden betreffende de luchtkwaliteit worden voldaan. Volgens het akoestisch onderzoek wordt voor de voorziene appartementen een geluidsbelasting van 53 dB verwacht. [verzoekers] hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken en gegevens zodanige gebreken dan wel leemten in kennis vertonen dat het college deze onderzoeken niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Hoewel het verwachte geluidsniveau niet voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, is de voorzitter op voorhand van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat mede gelet op in het Bouwbesluit voorgeschreven isolerende maatregelen, een goed woon- en leefklimaat voldoende is gegarandeerd. Hierbij heeft de voorzitter in aanmerking genomen dat de Wet geluidhinder niet op dit plan van toepassing is, omdat de wegen in en rondom het plangebied liggen in een zogenoemde "30 km-zone".

2.5.3. Over het betoog van [verzoekers] dat onvoldoende is gewaarborgd dat het benodigde aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk zal worden gerealiseerd, overweegt de voorzitter dat de planvoorschriften en de gemeentelijke bouwverordening wat betreft de parkeernormen beide naar de nota 'Parkeernormen' van 24 oktober 2006 verwijzen. Gelet hierop zal ieder bouwplan worden getoetst aan de in deze nota opgenomen parkeernormen. De voorzitter is op voorhand dan ook van mening dat de realisatie van het benodigde aantal parkeerplaatsen voldoende is verzekerd.

2.5.4. Volgens de plantoelichting is in juli 2005 een natuurtoets uitgevoerd. In mei 2008 is een actualiserend veldonderzoek uitgevoerd. In de plantoelichting wordt op basis van deze onderzoeken geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet hoeven te worden aangevraagd. Hierbij is opgemerkt dat de eventuele verwijdering van bomen en beplanting buiten het broedseizoen dient plaats te vinden. [verzoekers] hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken en gegevens zodanige gebreken vertonen dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Voorts is de voorzitter door hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd er niet van overtuigd geraakt dat in het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

Niet is uitgesloten dat mogelijk bomen moeten worden verplaatst of gekapt ten behoeve van de realisatie van het plan. De voorzitter is op voorhand van oordeel dat hieraan bij de belangenafweging geen doorslaggevend gewicht behoefde te worden toegekend. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de waardevolle bomen zoveel mogelijk worden ingepast in de bouwplannen en dat de waardevolle oude acacia zeer waarschijnlijk behouden kan blijven.

2.5.5. De stelling van [verzoekers] dat sprake zou kunnen zijn van verboden staatssteun is door de raad weersproken door erop te wijzen dat de gronden binnen het plangebied zullen worden verkocht voor een marktconforme prijs die door taxatie zal worden bepaald. [verzoekers] hebben niet nader onderbouwd waarom dit standpunt van de raad onjuist zou zijn. Het college heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in deze stelling van [verzoekers] dan ook geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Voorts hebben [verzoekers] niet aannemelijk gemaakt dat waterhuishoudkundige aspecten aan goedkeuring van het plan in de weg staan.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] thans hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

317-545.