Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200805552/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 184.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805552/1/V6.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (lees rechtbank Amsterdam) van 6 juni 2008 in zaak nr. 07/4429 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij] een boete opgelegd van € 184.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2008, verzonden op 9 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (lees rechtbank Amsterdam; hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaken nrs. 200802041/1/V6 en 200806900/1/V6 ter zitting behandeld op 26 maart 2009, waar [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.G. van der Vliet-Blokziel, advocaat te Almere, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.G.G. de Bakker en mr. S. Eekhout, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 17 maart 2006 (hierna: het boeterapport) houdt in dat op 7 juni 2005 op een locatie aan de [locatie] te [plaats], alwaar [bedrijf A] is gevestigd, drieëntwintig vreemdelingen arbeid hebben verricht bestaande uit het lossen van containers, zonder dat de daarvoor vereiste tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven.

2.3. De minister betoogt dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat [wederpartij] ten aanzien van alle bij [bedrijf A] aangetroffen vreemdelingen als werkgever in de zin van de Wav kan worden aangemerkt.

2.3.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

Uit de bij het boeterapport gevoegde verklaringen van de bij [bedrijf A] aangetroffen vreemdelingen, in hun onderlinge samenhang bezien, volgt dat zij in Den Haag en Rotterdam met een minibus zijn opgehaald en naar [bedrijf A] zijn gebracht, dat veelal [persoon], ten tijde van de controle in dienst van [wederpartij], de chauffeur was en hij de vreemdelingen contant betaalde en voorts dat een aantal van de aangetroffen vreemdelingen [directeur] van [wederpartij], als werkgever heeft aangewezen. Uit de bij het boeterapport gevoegde verklaring van de juridisch adviseur van [bedrijf A] volgt dat [bedrijf A] het lossen van containers in Moerdijk had uitbesteed aan [bedrijf B], gevestigd te Utrecht. Verder is in het boeterapport vermeld dat P. de Jonge, directeur van [bedrijf B], telefonisch tegenover de inspecteur van de Arbeidsinspectie heeft verklaard dat hij bij [bedrijf A] alleen met mensen van [wederpartij] werkte.

Onder deze omstandigheden bestaat voldoende grond voor het oordeel dat [wederpartij] ten aanzien van alle bij [bedrijf A] aangetroffen vreemdelingen als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt. In dit verband is van belang dat [wederpartij] heeft bevestigd dat zij personen bij [bedrijf A] arbeid heeft laten verrichten, doch desgevraagd geen informatie kon verschaffen over de personen die ten tijde van de controle via haar bij [bedrijf A] werkzaam waren.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 10 oktober 2007 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.5. Gelet op het vorengaande, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 10 oktober 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (lees rechtbank Amsterdam) van 6 juni 2008 in zaak nr. 07/4429;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

154-487.