Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200809302/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk (hierna: het college) besloten de mr. Van Coothstraat te Waalwijk (hierna: de mr. Van Coothstraat) ter hoogte van het perceel met huisnummer 6, over een lengte van circa 23 meter in beide rijrichtingen gesloten te verklaren voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee, uitgezonderd fietsers, bromfietsers, hulpvoertuigen en lijnbussen.

Wetsverwijzingen
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 21
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/359
JOM 2009/716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809302/1/H3.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van eigenaars "De Eik" en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Holding Kikiki B.V. en [appellant c], alle gevestigd te Waalwijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 november 2008 in zaak nr. 07/5408 in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van eigenaars De Eik en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Holding Kikiki B.V. en [appellant c]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk (hierna: het college) besloten de mr. Van Coothstraat te Waalwijk (hierna: de mr. Van Coothstraat) ter hoogte van het perceel met huisnummer 6, over een lengte van circa 23 meter in beide rijrichtingen gesloten te verklaren voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee, uitgezonderd fietsers, bromfietsers, hulpvoertuigen en lijnbussen.

Bij uitspraak van 25 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de vereniging Vereniging van eigenaars "De Eik" en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Holding Kikiki B.V. en [appellant c] (hierna: De Eik en andere) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben De Eik en andere bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Eik en andere en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2009, waar De Eik en andere, vertegenwoordigd door drs. H.E. Winkelman, juridisch adviseur, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Dorrestijn, L.A.C. de Jong en drs. ing. Th. H.H. Hendriks, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade, alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna het BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van die wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen; Stb. 2007, 414) in werking getreden. Bij deze Wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) over luchtkwaliteitseisen ingevoegd.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen:

a. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels, aannemelijk is gemaakt dat:

1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of

2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;

c. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. hetzij indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in:

a. de artikelen 1.2, 4.15a, 4.16, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2, 8.8, 8.11, derde lid, 8.40, eerste lid, 8.44, eerste lid;

b. de artikelen 13, 16, 43, 48 en 53 van de Wet inzake de luchtverontreiniging;

c. de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 3.1, 3.10, 3.22, 3.23, 3.26, 3.27, 3.28, 3.29, 3.30, 3.33, 3.35, 3.38, 3.40, 3.41, 3.42, 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 van de Wet ruimtelijke ordening;

d. de artikelen 11 en 15 van de Tracéwet;

e. de artikelen 2, 5 en 8 van de Planwet verkeer en vervoer;

f. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding.

2.2. Met het besluit beoogt het college het doorgaande verkeer uit de mr. Van Coothstraat om te leiden om op deze wijze de leefbaarheid en de verkeersveiligheid in de woonwijken aan de westzijde van Waalwijk en de bereikbaarheid van het centrum te verbeteren.

2.3. De Eik en andere zijn eigenaren van het pand [locaties] (hierna: het pand). Ter hoogte van het perceel waar hun pand staat, zal deze straat worden afgesloten.

2.4. De rechtbank heeft het beroep van De Eik en andere gegrond verklaard en het bij de rechtbank bestreden besluit vernietigd, omdat het college niet heeft onderzocht wat de gevolgen van het besluit zijn voor de luchtkwaliteit. Aangezien het college volgens de rechtbank in de beroepsprocedure alsnog genoegzaam heeft aangetoond dat het besluit niet in strijd komt met het Blk 2005, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.5. Het hoger beroep van De Eik en andere richt zich niet tegen de vernietiging van het besluit van 19 november 2007 en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen.

Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van de noodzaak van het verkeersbesluit heeft mogen uitgaan. Volgens De Eik en andere is het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het verkeerscirculatieplan onzorgvuldig uitgevoerd en vertoont het gebreken. Hiervoor verwijzen zij naar een door hen in hoger beroep overgelegd tegenrapport van Exante van 15 mei 2009, waaruit zou blijken dat voor het verkeersbesluit gelijkwaardige alternatieven bestaan.

Daarnaast betogen De Eik en andere onder overlegging van een rapport van Exante van 13 januari 2009 dat de parkeerbalans die ten grondslag is gelegd aan het besluit tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsgebied "Centrumgebied Waalwijk" niet kan dienen als een deugdelijke motivering voor het bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk". In verband hiermee is ook het verkeersbesluit volgens hen niet rechtmatig.

Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat het college onderzoek had behoren te doen naar de aard en omvang van de schade die zij en hun huurders lijden ten gevolge van het bij de rechtbank bestreden besluit, aldus De Eik en andere.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 september 2008 in zaak nr. 200800464/1), komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.5.2. Voor het verkeerscirculatieplan dat ten grondslag ligt aan het besluit van 19 november 2007 heeft het college gebruik gemaakt van een door adviesbureau Goudappel Coffeng B.V. in samenwerking met het college opgestelde rapportage van 10 maart 2004. Uit deze rapportage komt naar voren dat onderzoek is verricht naar mogelijkheden om de ontsluiting van het centrum van Waalwijk te verbeteren. Voorts volgt uit de rapportage dat van de onderzochte alternatieven variant 3D, met onder meer de afsluiting van de mr. Van Coothstraat ter hoogte van het perceel met huisnummer 6, over een lengte van circa 23 meter in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee, uitgezonderd fietsers, bromfietsers, hulpvoertuigen en lijnbussen, het beste beantwoordt aan de doelstelling inzake de centrumontsluiting. Deze maatregel leidt ertoe dat verkeer dat geen relatie heeft met het centrum zal worden omgeleid. Volgens deze rapportage komt dit ten goede aan de leefbaarheid en verkeersveiligheid in de woonwijken aan de westzijde van Waalwijk en de bereikbaarheid van het centrum.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat bovengenoemde rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming geen zodanige gebreken vertoont dat het college het besluit van 19 november 2007 niet mede op deze rapportage heeft mogen doen steunen. Met het tegenrapport van Exante van 15 mei 2009 hebben De Eik en andere nut en noodzaak van het besluit van 19 november 2007 onvoldoende bestreden, nu het bestaan van nog meer alternatieven dan de reeds onderzochte alternatieven niet met zich brengt dat het besluit van 19 november 2007 op onrechtmatige wijze is genomen. Ten aanzien van het betoog dat de verkeersintensiteiten in 2010 in de rapportage van Goudappel Coffeng te laag zijn ingeschat, omdat op de mr. Van Coothstraat de in- en uitgang van parkeergarage "De Els" wordt aangesloten, overweegt de Afdeling dat de verkeersbewegingen, gegenereerd door voertuigen die gebruik maken van de parkeergarage "De Els", samenhangen met bestemmingsverkeer, terwijl het besluit van 19 november 2007 tot doel heeft het doorgaande verkeer dat niet gerelateerd is aan het centrum, uit de mr. Van Coothstraat te weren.

2.5.3. In deze procedure staat slechts ter beoordeling of het college in redelijkheid tot het besluit van 19 november 2007 heeft kunnen komen. Het door De Eik en andere aangevoerde met betrekking tot het tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving van hun pand als gevolg van een toename van bebouwing en de herinrichting van het centrum van Waalwijk zal door hen in een afzonderlijke procedure over het bestemmingsplan "Centrumgebied Waalwijk" aan de orde kunnen worden gesteld. De door De Eik en andere gestelde relatie tussen het verkeersbesluit en het hiervoor genoemde bestemmingsplan is niet van dien aard, dat bezwaren tegen dat bestemmingsplan in deze procedure een rol kunnen spelen.

2.5.4. Voor zover De Eik en andere betogen dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de financiële gevolgen van het besluit van 19 november 2007 voor hen, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het pand van De Eik en andere en de omliggende parkeerplaatsen van twee zijden bereikbaar blijven. Gelet hierop behoefde ten tijde van de besluitvorming niet zodanige schade te worden verwacht dat het college dit besluit niet op zorgvuldige wijze heeft kunnen nemen zonder daarbij de financiële belangen van De Eik en andere te betrekken.

2.5.5. Dit deel van het betoog van De Eik en andere faalt. De rechtbank heeft het besluit van 19 november 2007 terecht niet vernietigd op de hiervoor behandelde gronden.

2.6. De Eik en andere bestrijden voorts het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, omdat het college genoegzaam heeft aangetoond dat het bij de rechtbank bestreden besluit niet is genomen in strijd met het Blk 2005. Zij betogen dat dit oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig tot stand is gekomen, nu er drie versies van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank bestaan, waardoor niet duidelijk is welk luchtkwaliteitsrapport de rechtbank bij haar oordeelsvorming heeft betrokken. Onder verwijzing naar een tegenrapport van Schoonderbeek en Partners Advies B.V. van 22 december 2008 betogen De Eik en andere voorts dat de uitgangspunten waarop het onderzoek naar de luchtkwaliteit is gebaseerd onduidelijk zijn en op onderdelen tot te lage resultaten leiden.

2.6.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Nu zowel ten tijde van het verkeersbesluit als op het moment dat de rechtbank uitspraak deed, de wet van 15 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) reeds in werking was getreden, heeft de rechtbank ten onrechte beoordeeld of een nieuw besluit dat inhoudelijk gelijk is aan het vernietigde besluit, in strijd zou komen met het Blk 2005.

Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, gelet op het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200806111/1/H3) volgt uit artikel 5.16, tweede lid, van de Wm niet dat voor de rechtmatigheid van een verkeersbesluit een onderzoek naar de luchtkwaliteit is benodigd. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Gelet hierop behoeft het betoog van De Eik en andere over het bestaan van meer versies van het proces-verbaal in verband met de vraag welk rapport door de rechtbank is gebruikt, geen afzonderlijke bespreking.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover bestreden, te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

350-591.