Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200901100/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 12 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrijstelling en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een berging bij een woonwagen op respectievelijk de [locatie a] en de [locatie b] te Utrecht (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901100/1/H1.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2], beiden wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 december 2008 in zaken nrs. 08/1519 en 08/1711 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 12 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrijstelling en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een berging bij een woonwagen op respectievelijk de [locatie a] en de [locatie b] te Utrecht (hierna: de percelen).

Bij besluiten van 6 mei 2008 heeft het college de door [appellant sub 1] en

[appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2008, verzonden op 31 december 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 11 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2009, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F.W. Verweij, advocaat te Amersfoort, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ramdoelare Tewari, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" rust op de percelen de bestemming "Gemengde doeleinden (uit te werken)".

Ingevolge artikel 9, lid B, onder 1, van de planvoorschriften mag in de gebieden waar sprake is van een uit te werken bestemming slechts gebouwd worden volgens een onherroepelijk uitwerkingsplan.

Ingevolge artikel 9, lid C, aanhef en onder 2, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B, onder 1, ten behoeve van het oprichten van bouwwerken voordat de bestemming overeenkomstig lid A is uitgewerkt en onherroepelijk is geworden mits de op te richten bebouwing in overeenstemming is met een reeds vastgestelde uitwerking of met een daarvoor gemaakt ontwerp, ofwel met een document zoals een concept-uitwerkingsplan, waaruit de inpasbaarheid in de integrale uitwerking redelijkerwijs voorzienbaar is.

2.2. Bij besluit van 4 mei 2004 heeft het college "Beleidsregels voor het bouwen op woonwagenstandplaatsen" (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

In paragraaf 2 van de beleidsregels is vastgelegd dat de gemeente in beginsel bereid is mee te werken aan vrijstellingsprocedures ten behoeve van het bouwen op woonwagenstandplaatsen. Voorts is vastgelegd dat de regels gelden als richtlijn en het hieraan voldoen geen garantie biedt dat vrijstelling wordt verleend. In paragraaf 2 wordt verder vermeld dat het ook mogelijk is dat de gemeente in sommige gevallen meewerkt aan bebouwing die in strijd is met de regels. In dat geval moet wel goed gemotiveerd kunnen worden waarom van de regels in het specifieke geval afgeweken moet worden. Als voorbeeld van een dergelijk geval worden onder meer gedwongen verplaatsingen genoemd.

Volgens paragraaf 4, het tweede voorschrift, aanhef en onder a, van de beleidsregels bedraagt het bebouwingspercentage per standplaats maximaal 60% (inclusief aan- en bijgebouwen en een eventuele sanitaire unit en waarbij bouwvlakken in het bestemmingsplan als volledig bebouwd meegeteld worden) echter met een maximaal te bebouwen oppervlakte van 135 m².

2.3. Nu ten tijde van de besluiten van 12 december 2007 geen uitwerkingsplan van kracht was, gold ter plaatse een bouwverbod. Niet in geschil is dat de bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingsplan. Voorts is niet in geschil dat met de bouwplannen de in de beleidsregels vastgelegde maximaal te bebouwen oppervlakte wordt overschreden. Het college heeft geweigerd in afwijking van de beleidsregels medewerking aan de bouwplannen te verlenen omdat als gevolg van de aangevraagde bergingen de maximaal te bebouwen oppervlakte aanzienlijk wordt overschreden en er geen aanleiding bestaat af te wijken van de beleidsregels nu er geen sprake is van gedwongen verplaatsingen.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat in hun specifieke gevallen aanleiding bestaat in afwijking van de beleidsregels aan de bouwplannen mee te werken, omdat zij hun woonwagens gedwongen naar de percelen hebben verplaatst.

2.4.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2009 (in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200806738/1/H1&verdict_id=35652&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200806738/1/H1&utm_term=200806738/1/H1">200806738/1/H1</a>) volgt dat van een gedwongen verplaatsing van een woonwagen als bedoeld in de beleidsregels sprake is wanneer een woonwagenbewoner legaal standplaats heeft ingenomen op een bestaande woonwagenlocatie en vervolgens ten gevolge van een besluit van de gemeenteraad tot opheffing van deze woonwagenlocatie gedwongen is de woonwagen te verplaatsen naar een andere standplaats. De gemeenteraad van Utrecht heeft in 1985 en later bij besluit van 12 maart 1998 besloten de woonwagenlocatie aan de Huppeldijk op te heffen. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak heeft overwogen volgt uit deze besluiten voor de woonwagenbewoners aan de Huppeldijk de gehoudenheid om de woonwagens te verplaatsen naar een andere woonwagenlocatie. Niet in geschil is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten tijde van het besluit van 12 maart 1998 legaal een standplaats hadden ingenomen aan de Huppeldijk en dat zij als gevolg van dat besluit gehouden waren hun woonwagens naar een andere woonwagenlocatie te verplaatsen. Het college heeft niet duidelijk gemaakt waarom in deze gevallen niettemin geen sprake is van gedwongen verplaatsingen. Het enkele feit dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] reeds enige tijd op de nieuwe woonwagenlocatie aan de [locatie] woonachtig waren toen zij hun bouwaanvragen voor de bergingen indienden, biedt, mede gelet op hetgeen aan het indienen van de aanvragen vooraf is gegaan, geen grond voor het oordeel dat geen sprake is van gedwongen verplaatsingen. Gelet op het vorenstaande berusten de besluiten op bezwaar, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. De hoger beroepen zijn gegrond. Hetgeen overigens door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 6 mei 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Die besluiten dienen eveneens te worden vernietigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 december 2008 in zaken nrs. 08/1519 en 08/1711;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 6 mei 2008, kenmerken: b08.0400 en b08.0401;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor [appellant sub 1] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep en € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor [appellant sub 2] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

392.