Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200900586/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deventer (hierna: de raad) bij besluit van 4 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Het Eikendal" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900586/1/R2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deventer (hierna: de raad) bij besluit van 4 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Het Eikendal" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Bouterse en ing. M.C. van Neck-Kliest, ambtenaren in dienst van de gemeente.

Buiten bezwaren van partijen heeft de raad ter zitting nog een nader stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft eerder met betrekking tot het voorliggende plan geoordeeld (uitspraak van 27 augustus 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200800437/1&verdict_id=30509&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200800437/1&utm_term=200800437/1">200800437/1</a>), voor zover hier van belang kort weergegeven, dat het college de bedenkingen van [appellant] over de strijdigheid van het plan met een aantal van de in het Streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) opgenomen algemene principes voor stedelijke ontwikkeling ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Het eerdere goedkeuringsbesluit van het college is door de Afdeling vernietigd wegens strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Daarnaast is goedkeuring onthouden aan een deel van het plangebied dat bekend staat als De Kiefte. Het bestreden besluit voorziet na heroverweging opnieuw in goedkeuring van het plan, met uitzondering van het deel waaraan goedkeuring is onthouden.

2.2. De raad betoogt dat [appellant] ten aanzien van het bestreden besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt, nu het plan geen betrekking meer heeft op De Kiefte en de afstand tussen zijn woning en het plangebied te groot is geworden.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. Uit de voornoemde uitspraak blijkt dat het beroep gericht was tegen het gehele plan. Anders dan door de raad gesteld, is de grens van het plangebied waarop het bestreden besluit betrekking heeft nabij de woning van [appellant] ongewijzigd gebleven. De omstandigheid dat aan het plandeel De Kiefte niet opnieuw goedkeuring is verleend doet daaraan niet af. Gelet hierop heeft [appellant] een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het plan heeft betrekking op een gebied aan de noordrand van de kern Diepenveen en voorziet in een planologische regeling voor een nieuw villapark.

2.5. [appellant] betoogt dat voor zover het college bij het bestreden besluit goedkeuring heeft verleend aan het plan hij dat ten onrechte heeft gedaan en voert daartoe aan dat het goedgekeurde deel van het plan in strijd is met het in het streekplan opgenomen algemene principe dat bij de planontwikkeling vanaf het begin de aspecten emancipatie, sociale veiligheid en (verkeers)veiligheid zullen worden betrokken. Volgens [appellant] is aan het aspect emancipatie te weinig aandacht besteed. In dit verband wijst hij erop dat het gemeentelijke ruimtelijke beleid is gericht op minder eenzijdige bevolkingsopbouw van buurten en wijken, terwijl het plan juist woningen in het duurdere segment concentreert. Hij pleit voor een betere spreiding van goedkope en duurdere woningen. Hoewel [appellant] het standpunt van het college deelt dat de keuze voor woningen in het duurdere segment een politieke afweging betreft, had het college moeten beoordelen of aan de onderzoeks- en motiveringsverplichting, zoals opgenomen in het streekplan, is voldaan.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het aspect emancipatie geen onderwerp is dat in het kader van een bestemmingsplanprocedure behoort te worden geregeld. Ook de vraag of wijken al dan niet voor duurdere segmenten uit de lokale woningmarkt worden gebouwd is niet zozeer een ruimtelijke, maar eerder een politieke afweging, aldus het college.

2.5.2. Met het oog op het verkrijgen van ruimtelijke kwaliteit bij stedelijke ontwikkelingen, staat in paragraaf 4.1.4.1 van het streekplan een opsomming van algemene principes waaraan bij de planvorming expliciet aandacht besteedt zal moeten worden. Eén van die principes is dat bij de planontwikkeling vanaf het begin de aspecten emancipatie, sociale veiligheid en (verkeers)veiligheid zullen worden betrokken. In paragraaf 4.1.4.5 van het streekplan staat over emancipatie dat vrouwen en mannen in het dagelijks leven verschillende leefsferen combineren: wonen, werken, zorg, recreëren en leren. De organisatiemogelijkheden van dit dagelijks leven worden bepaald door de afstanden tussen werk, voorzieningen en woning, de verplaatsingsmogelijkheden en de (afstemming van) dienstregelingen, de mogelijkheden voor ketenverplaatsing (het combineren van verschillende vervoerswijzen als auto, fiets, trein, bus en lopen) en de openingstijden van winkels en andere voorzieningen. Volgens het streekplan ligt de bijdrage die de ruimtelijke ordening kan leveren aan emancipatie onder andere in het concentratiebeleid: wonen, werken, voorzieningen en recreëren dicht bij elkaar.

2.5.3. Anders dan [appellant] veronderstelt, ziet het begrip emancipatie uit het streekplan niet op de spreiding van goedkope en duurdere woningen, maar op het combineren van verschillende leefsferen. Voor zover [appellant], met verwijzing naar de principes waar volgens het streekplan bij de planvorming aandacht aan besteed zal moeten worden, wenst dat het plan diversiteit van goedkope en duurdere woningen mogelijk maakt, wordt als volgt overwogen. Uit de stukken waaronder het verweerschrift van het college en de schriftelijke uiteenzetting van de raad komt naar voren dat de met het plan gemaakte keuze voor woningen in het duurdere segment zijn grondslag vindt in het gemeentelijk beleid, zoals neergelegd het Structuurplan Deventer 2005 (hierna: het structuurplan). In het structuurplan staan zeven speerpunten van het beleid geformuleerd waarbij de kern van het speerpunt 'gevarieerd en aantrekkelijk wonen' is dat Deventer wil inspelen op de woonwensen van de bevolking door een grote verscheidenheid aan woonmilieus te bieden en dat woongebieden geschikt moeten zijn of worden gemaakt voor verschillende leefstijlen en bevolkingsgroepen, zowel in uitbreidingsgebieden als in de bestaande staat. Het Eikendal staat in het structuurplan genoemd als uitbreidingslocatie voor woningbouw in het exclusieve segment. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan het in het streekplan opgenomen principe dat bij de planvorming, waaronder ook het structuurplan wordt verstaan, rekening wordt gehouden met het uitgangspunt dat woningbouwplannen moeten zijn gericht op het aanbieden van de juiste kwaliteiten, aansluitend op aantoonbare behoefte. Het structuurplan staat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. Met het plan wil de raad blijkens de plantoelichting het woningaanbod aan de bovenkant van de woningmarkt vergroten.

De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkeling in zoverre niet in strijd is met het structuurplan.

2.5.4. Wat betreft de door [appellant] gestelde gevolgen - groeiende klassenscheiding, verlies van economische draagkracht en sociale cohesie - van het plan, is niet aannemelijk geworden dat de voorziene woningen zodanige negatieve gevolgen zullen veroorzaken voor het woon- en leefklimaat, dat het college hieraan een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat Het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het goedgekeurde deel van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

429-586.