Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ5091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200807915/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Olst-Wijhe (hierna: de raad) bij besluit van 3 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Boerhaar" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/704
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807915/1/R2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Formido Wijhe B.V., gevestigd te Wijhe,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Olst-Wijhe (hierna: de raad) bij besluit van 3 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Boerhaar" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2008, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Formido Wijhe B.V. (hierna: Formido) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 november 2008. Formido heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de raad en [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2009, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, en het college, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M. Elshof, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door J. Deunk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op een bestaand bedrijventerrein ten noorden van de kern Boerhaar en voorziet in een planologische regeling met uitbreidingsruimte voor de reeds aanwezige bedrijven: een bouwmarkt, een installatiebedrijf en een landbouwmechanisatiebedrijf. Daarnaast biedt het plan enige ruimte voor de vestiging van kleinschalige, uit Boerhaar afkomstige, bedrijven.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat het plan niet waarborgt dat zich binnen de daarvoor toebedeelde ruimte slechts uit de kern Boerhaar afkomstige bedrijven zullen vestigen overeenkomstig het provinciale beleid. Daarbij wijzen zij erop dat in Boerhaar op dit moment geen bedrijven aanwezig zijn, zodat uitplaatsing van bedrijven uit de kern naar het bedrijventerrein niet mogelijk is. Het vestigen van buiten Boerhaar afkomstige bedrijven op het bedrijventerrein is in strijd met het provinciale beleid. Hoewel [appellanten sub 1] beseffen dat de herkomst van bedrijven die op een bedrijventerrein zijn toegestaan niet goed in het bestemmingsplan valt te regelen, heeft de planwetgever als uitgangspunt gekozen dat 25% van de uitbreidingsruimte op het bedrijventerrein alleen bedoeld is voor bedrijven uit Boerhaar. De daarvoor opgestelde privaatrechtelijke overeenkomst met [belanghebbende] is volgens [appellanten sub 1] ontoereikend. [appellanten sub 1] voeren voorts aan dat de noodzaak voor uitbreiding van de bestaande bedrijven, waarvoor blijkens de plantoelichting 75% van de uitbreiding van het bedrijventerrein is gereserveerd, onvoldoende concreet is onderbouwd. De eigenaar van de bedrijven kan door dit plan uitbreiden met 7.000 m², terwijl een bedrijfsplan ontbreekt.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het Streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) waarin onder meer staat dat het voor de leefbaarheid van kleine kernen belangrijk is dat er bedrijven kunnen blijven functioneren. Uitbreiding van bestaande bedrijven en nieuwbouw voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid is naar het oordeel van het college met dit plan mogelijk. De uitbreiding van het bedrijventerrein is grotendeels bedoeld voor de reeds aanwezige bedrijven en het resterende deel dient als voorraad voor het opvangen van bedrijvigheid uit Boerhaar, aldus het college. Voorts stemt het college in met het standpunt van de raad dat gezien de locatie van het bedrijventerrein en de beperkte ruimte aldaar, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de ruimte niet zal worden benut door niet lokale bedrijven. Nu de noodzaak van de uitbreiding van de bestaande bedrijven blijkt uit de bij het plan gevoegde onderbouwing, ziet het college geen reden om de ruimtebehoefte in twijfel te trekken.

2.3.2. In hoofdstuk 4 paragraaf 4.1.1.4 (pagina 40) van het streekplan staat dat het voor de leefbaarheid van kleine kernen, waartoe Boerhaar wordt gerekend, belangrijk is dat er bedrijven kunnen blijven functioneren en dat uitbreiding van bestaande bedrijven en nieuwbouw voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid mogelijk is, mits in overeenstemming met de schaal en de omgevingskwaliteiten van de kern. Het streekplan vermeldt verder op pagina 40 dat in de kernen vestiging van bestaande bedrijven uit het buitengebied of uit omliggende andere kleine kernen kan plaatsvinden en dat per kern, aan de hand van de aantoonbare behoefte, bezien zal kunnen worden of een bedrijventerrein, al dan niet op voorraad ontwikkeld of uitgebreid dient te worden.

2.3.3. Het plan laat een uitbreiding van bebouwing op het bedrijventerrein toe met ongeveer 10.700 m². Uit de plantoelichting volgt dat 75% van de uitbreiding van het bedrijventerrein bedoeld is om ruimte te bieden voor geplande toekomstige bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven en 25% voor uit de kern van Boerhaar afkomstige bedrijven. In de plantoelichting staat dat in een kleine kern als Boerhaar beperkt ruimte moet zijn om uit de kern voortkomende bedrijvigheid te kunnen faciliteren. Hiermee wordt beoogd om bedrijven die middenin de kleine kern zitten en daar voor overlast zorgen, te verplaatsen naar een bij de kleine kern liggend bedrijventerrein.

2.3.4. De Afdeling stelt voorop dat hoofdstuk 4 van het streekplan, zoals aangehaald in rechtsoverweging 2.3.2, gemeenten niet verplicht tot het reserveren van delen van bedrijventerreinen voor uit de kern afkomstige bedrijven. Aan de in het streekplan geboden mogelijkheden voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid wordt met dit plan voldaan. Het plan biedt immers enige ruimte voor de vestiging van bedrijven, waardoor ook bedrijven afkomstig uit de kern Boerhaar de mogelijkheid hebben om zich daar te vestigen. Met het oog hierop heeft het gemeentebestuur ook een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten met de eigenaar van de gronden in het plangebied. De door [appellanten sub 1] betwiste toereikendheid van deze privaatrechtelijke overeenkomst staat hier niet ter beoordeling.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2002 in zaak nr. 200004690/1; www.raadvanstate.nl), biedt de WRO in beginsel geen grondslag voor een verder strekkende regeling in de planvoorschriften die slechts een specifieke groep van bedrijven toelaat die zich in niets anders onderscheidt van soortgelijke, andere bedrijven dan in hun herkomst. De herkomst van bedrijven is in het algemeen bij het reguleren van gebruik van gronden voor bedrijfsdoeleinden niet planologisch relevant. Dit laat echter onverlet dat bij de regeling van de bestemmingen kan worden voorgeschreven dat de gronden uitsluitend gebruikt mogen worden ten behoeve van bedrijven waarvan de verplaatsing vanuit de kern uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht, aldus voornoemde uitspraak. In dit geval is niet gebleken van een planologische noodzaak voor het opnemen van een zogenoemd herkomstcriterium. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals blijkt uit de gedingstukken waaronder het beroepschrift en de schriftelijke uiteenzetting van de raad, thans geen bedrijven in Boerhaar aanwezig zijn die uitgeplaatst kunnen worden naar het bedrijventerrein. Ter zitting heeft de raad dit nogmaals bevestigd. Gelet hierop en gezien de locatie alsmede de geringe omvang van het bedrijventerrein, bestond voor het college geen aanleiding om wegens het ontbreken van een herkomstcriterium in de planvoorschriften goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.3.5. Wat betreft de noodzaak van de uitbreiding van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat het bieden van uitbreidingsmogelijkheden aan de reeds op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven niet onredelijk is. Hierbij betrekt de Afdeling dat de uitbreiding van de bestaande bedrijven in overeenstemming is met het streekplanbeleid. Tevens heeft het college gesteld dat de bestaande bedrijven al jaren een uitbreidingsbehoefte kennen. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] toegelicht dat het bezwaar zich hoofdzakelijk richt tegen de omvang van de in het plan voorziene uitbreiding van bebouwing, maar de uitbreidingsbehoefte [belanghebbende] als zodanig is door hen erkend. In de plantoelichting staat dat de ruimtebehoefte van de bedrijvigheid van de bestaande bedrijven door middel van een onderbouwing inzichtelijk is gemaakt en dat met name een grote behoefte bestaat aan opslag- en stallingsruimte. Uit deze onderbouwing blijkt dat vanwege de groei van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven van [belanghebbende], mede als gevolg van schaalvergroting, een aantoonbare behoefte bestaat aan uitbreiding met 7.000 m². [appellanten sub 1] hebben de uitkomsten van deze onderbouwing slechts in twijfel getrokken, doch geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zij gevolgd kunnen worden in hun stelling dat de voorziene uitbreiding te omvangrijk is.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de behoefte aan uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein voldoende aannemelijk is gemaakt en concreet is onderbouwd.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Formido

2.5. Formido stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Volgens Formido is in strijd met de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend, terwijl slechts wijziging naar de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" is toegestaan.

Formido voert voorts aan dat sprake is van strijd met het streekplan, omdat het bedrijventerrein gelegen is in de groene ruimte en volgens de in het streekplan opgenomen hoofdlijn voor dit gebied nieuwe bebouwingen die niet functioneel gebonden zijn aan het landelijk gebied aldaar niet zijn toegestaan. Bovendien moet volgens het streekplan aantasting van natuur en landschap zoveel mogelijk worden voorkomen. Volgens Formido is in dit geval geen sprake van een uitzonderingsgeval op grond waarvan ruimtelijke ingrepen volgens het streekplan mogelijk zijn. Zij voert verder aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de bouwmarkt op het bedrijventerrein wordt gelegaliseerd, terwijl het gemeentelijk beleid is gericht op concentratie van detailhandel in het centrum.

Verder heeft de raad volgens Formido gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel door enerzijds handhavend op te treden tegen haar, maar anderzijds de zich op een bedrijventerrein bevindende bouwmarkt als zodanig te bestemmen.

Tot slot wordt door Formido aangevoerd dat de planvoorschriften onvoldoende zekerheid bieden over de in de bouwmarkt toegestane detailhandel.

2.5.1. Het college stelt dat het plan niet in strijd is met het streekplan en wijst daarbij op het beleid met betrekking tot kleine kernen. Verder is geen sprake van een wijzigingsplan, maar van een nieuw bestemmingsplan, zodat niet voldaan hoeft te worden aan de wijzigingsregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat detailhandel passend bij een bouwmarkt is toegestaan op grond van de planvoorschriften. Nu in de begripsomschrijving is aangegeven wat onder een bouwmarkt wordt verstaan, is de toegestane detailhandel in voldoende mate bepaald.

2.5.2. De raad heeft, anders dan Formido kennelijk veronderstelt, een nieuw bestemmingsplan vastgesteld ten behoeve van de door hem wenselijk geachte nieuwe bestemming van de gronden. Reeds hierom mist het betoog dat het voorheen geldende bestemmingsplan slechts wijziging naar de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" toe staat doel. Van strijd met artikel 11 van de WRO is dan ook geen sprake.

2.5.3. Het plangebied ligt ten noorden van de kleine kern Boerhaar en is blijkens de kaart behorende bij het streekplan gelegen in de groene ruimte, "zone 1 landbouw". Volgens de hoofdlijnen voor dit soort gebieden, zoals vermeld op pagina 92 van het streekplan, wordt uitbreiding van niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden gebruiksvormen tegengegaan. Deze hoofdlijn heeft blijkens pagina 93 echter geen betrekking op ruimteclaims die in overeenstemming met het in dit streekplan beschreven beleid met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van steden en dorpen worden gelegd op delen van de groene ruimte rond die steden en dorpen ten behoeve van locaties voor wonen, werken en voorzieningen. Blijkens paragraaf 4.1.1.4. (pagina 40) van het streekplan (ontwikkelingsmogelijkheden kleine kernen) is de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen bij kleine kernen, mits in overeenstemming met de schaal en de omgevingskwaliteiten van de kernen, na gebleken behoefte, mogelijk. Er is geen grond voor het oordeel dat hetgeen het plan mogelijk maakt niet in overeenstemming is met het in hoofdstuk 4 beschreven beleid.

Met betrekking tot het betoog van Formido dat geen sprake is van een uitzonderingsgeval op grond waarvan ruimtelijke ingrepen die de natuur- en landschapswaarden afbreuk doen toelaatbaar zijn, overweegt de Afdeling als volgt. In het streekplan wordt op pagina 29 (algemene hoofdlijnen voor het provinciale ruimtelijke beleid) onder het kopje compensatiebeginsel vermeld dat bij ruimtelijke ingrepen aantasting van natuur en landschap zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat ruimtelijke ingrepen die aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden in streekplanzone III (natuur, landschap, cultureel erfgoed en landbouw), streekplanzone IV (natuur), de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en bossen afbreuk doen, geldt dat deze alleen in uitzonderingsgevallen zijn toegestaan. Nu het plangebied is gelegen in de streekplanzone I, zijn ruimtelijke ingrepen ter plaatse niet alleen bij uitzondering toelaatbaar.

Het op pagina 29 en 30 van het streekplan neergelegde compensatiebeginsel bepaalt verder, voorzover erkende natuur- en landschapswaarden in zone I en II zijn gelegen, dat gemeenten een eigen compensatiebeleid moeten ontwikkelen. Met erkende waarden wordt volgens pagina 179 van het streekplan gedoeld op gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel de Vogelrichtlijn onderscheidenlijk de Habitatrichtlijn of op natuurgebieden en landschappelijke waarden als zodanig aangeduid in een bestemmingsplan. Voor zover gesteld wordt dat met het plan afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden van natuur en landschap, wordt overwogen dat blijkens de plantoelichting ecologisch onderzoek is verricht naar de gevolgen van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat het plangebied niet binnen of in de directe nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur of in een Vogel- of Habitatrichtlijngebied ligt en dat het plangebied evenmin is aangewezen als gebied met natuurwaarden buiten de Ecologische Hoofdstructuur. Niet gebleken is dat in het plangebied sprake is van erkende natuur- en landschapswaarden, zodat het compensatiebeginsel niet in de weg staat aan ruimtelijke ingrepen in streekplanzone I voor zover dat betrekking heeft op het plangebied.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid.

2.5.4. Voor zover Formido stelt dat de legalisatie van de bouwmarkt in strijd is met het gemeentelijk beleid, wordt overwogen dat het gemeentelijk detailhandelsbeleid zoals dat is neergelegd in de op 13 mei 2008 door de raad vastgestelde Detailhandelstructuurvisie weliswaar is gericht op concentratie van detailhandel in het centrum van Wijhe, maar dat op pagina 6 van deze detailhandelsstructuurvisie tevens staat dat voor volumineuze detailhandel kan worden uitgeweken naar perifere locaties. Aangezien detailhandel in volumineuze goederen, waaronder ook bouwmarkten vallen, buiten het centrum is toegestaan, is in zoverre geen sprake van strijd met het gemeentelijk beleid.

2.5.5. Het betoog dat gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, nu met dit plan een bouwmarkt wordt gelegaliseerd, terwijl tegen Formido handhavend is opgetreden, faalt. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de schriftelijke uiteenzetting van de raad is gebleken dat volgens de Centrumvisie Wijhe op bedrijventerrein De Enk, waar Formido is gevestigd, ook plaats is voor volumineuze detailhandel. In zoverre is dan ook geen sprake van ongelijke of willekeurige behandeling. Dat in het verleden handhavend is opgetreden tegen Formido vanwege de verkoop van dierbenodigdheden in de bouwmarkt, maakt dit niet anders, aangezien de verkoop van dierbenodigdheden niet valt aan te merken als detailhandel in volumineuze goederen.

2.5.6. In het plan hebben de gronden van de bouwmarkt de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "bouwmarkt".

Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften, wordt onder een bouwmarkt verstaan: een handelsonderneming die bouwmaterialen, gereedschap en doe-het-zelfartikelen verkoopt, tuin- en parkmachines en toebehoren daaronder begrepen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, opslag en installaties, met daarbij behorende gebouwen - niet zijnde bedrijfswoningen -, andere bouwwerken, terreinen, ontsluitingswegen, paden, parkeervoorzieningen, water en groenvoorzieningen, met dien verstande dat detailhandel niet is toegestaan, met uitzondering van productiegebonden detailhandel en - uitsluitend op de gronden die zijn voorzien van de aanduiding bouwmarkt - detailhandel in het kader van de uitoefening van een bouwmarkt.

2.5.7. Gelet op de voornoemde planvoorschriften is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voldoende duidelijk is welke vorm van detailhandel in de bouwmarkt is toegestaan.

2.6. De conclusie is dat hetgeen Formido heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

429-586.

200807915/1/R2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Formido Wijhe B.V., gevestigd te Wijhe,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Olst-Wijhe (hierna: de raad) bij besluit van 3 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Boerhaar" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2008, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Formido Wijhe B.V. (hierna: Formido) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 november 2008. Formido heeft haar beroep aangevuld bij brief van 28 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de raad en [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2009, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, en het college, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M. Elshof, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door J. Deunk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op een bestaand bedrijventerrein ten noorden van de kern Boerhaar en voorziet in een planologische regeling met uitbreidingsruimte voor de reeds aanwezige bedrijven: een bouwmarkt, een installatiebedrijf en een landbouwmechanisatiebedrijf. Daarnaast biedt het plan enige ruimte voor de vestiging van kleinschalige, uit Boerhaar afkomstige, bedrijven.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat het plan niet waarborgt dat zich binnen de daarvoor toebedeelde ruimte slechts uit de kern Boerhaar afkomstige bedrijven zullen vestigen overeenkomstig het provinciale beleid. Daarbij wijzen zij erop dat in Boerhaar op dit moment geen bedrijven aanwezig zijn, zodat uitplaatsing van bedrijven uit de kern naar het bedrijventerrein niet mogelijk is. Het vestigen van buiten Boerhaar afkomstige bedrijven op het bedrijventerrein is in strijd met het provinciale beleid. Hoewel [appellanten sub 1] beseffen dat de herkomst van bedrijven die op een bedrijventerrein zijn toegestaan niet goed in het bestemmingsplan valt te regelen, heeft de planwetgever als uitgangspunt gekozen dat 25% van de uitbreidingsruimte op het bedrijventerrein alleen bedoeld is voor bedrijven uit Boerhaar. De daarvoor opgestelde privaatrechtelijke overeenkomst met [belanghebbende] is volgens [appellanten sub 1] ontoereikend. [appellanten sub 1] voeren voorts aan dat de noodzaak voor uitbreiding van de bestaande bedrijven, waarvoor blijkens de plantoelichting 75% van de uitbreiding van het bedrijventerrein is gereserveerd, onvoldoende concreet is onderbouwd. De eigenaar van de bedrijven kan door dit plan uitbreiden met 7.000 m², terwijl een bedrijfsplan ontbreekt.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het Streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) waarin onder meer staat dat het voor de leefbaarheid van kleine kernen belangrijk is dat er bedrijven kunnen blijven functioneren. Uitbreiding van bestaande bedrijven en nieuwbouw voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid is naar het oordeel van het college met dit plan mogelijk. De uitbreiding van het bedrijventerrein is grotendeels bedoeld voor de reeds aanwezige bedrijven en het resterende deel dient als voorraad voor het opvangen van bedrijvigheid uit Boerhaar, aldus het college. Voorts stemt het college in met het standpunt van de raad dat gezien de locatie van het bedrijventerrein en de beperkte ruimte aldaar, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de ruimte niet zal worden benut door niet lokale bedrijven. Nu de noodzaak van de uitbreiding van de bestaande bedrijven blijkt uit de bij het plan gevoegde onderbouwing, ziet het college geen reden om de ruimtebehoefte in twijfel te trekken.

2.3.2. In hoofdstuk 4 paragraaf 4.1.1.4 (pagina 40) van het streekplan staat dat het voor de leefbaarheid van kleine kernen, waartoe Boerhaar wordt gerekend, belangrijk is dat er bedrijven kunnen blijven functioneren en dat uitbreiding van bestaande bedrijven en nieuwbouw voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid mogelijk is, mits in overeenstemming met de schaal en de omgevingskwaliteiten van de kern. Het streekplan vermeldt verder op pagina 40 dat in de kernen vestiging van bestaande bedrijven uit het buitengebied of uit omliggende andere kleine kernen kan plaatsvinden en dat per kern, aan de hand van de aantoonbare behoefte, bezien zal kunnen worden of een bedrijventerrein, al dan niet op voorraad ontwikkeld of uitgebreid dient te worden.

2.3.3. Het plan laat een uitbreiding van bebouwing op het bedrijventerrein toe met ongeveer 10.700 m². Uit de plantoelichting volgt dat 75% van de uitbreiding van het bedrijventerrein bedoeld is om ruimte te bieden voor geplande toekomstige bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven en 25% voor uit de kern van Boerhaar afkomstige bedrijven. In de plantoelichting staat dat in een kleine kern als Boerhaar beperkt ruimte moet zijn om uit de kern voortkomende bedrijvigheid te kunnen faciliteren. Hiermee wordt beoogd om bedrijven die middenin de kleine kern zitten en daar voor overlast zorgen, te verplaatsen naar een bij de kleine kern liggend bedrijventerrein.

2.3.4. De Afdeling stelt voorop dat hoofdstuk 4 van het streekplan, zoals aangehaald in rechtsoverweging 2.3.2, gemeenten niet verplicht tot het reserveren van delen van bedrijventerreinen voor uit de kern afkomstige bedrijven. Aan de in het streekplan geboden mogelijkheden voor uit de kern voortkomende bedrijvigheid wordt met dit plan voldaan. Het plan biedt immers enige ruimte voor de vestiging van bedrijven, waardoor ook bedrijven afkomstig uit de kern Boerhaar de mogelijkheid hebben om zich daar te vestigen. Met het oog hierop heeft het gemeentebestuur ook een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten met de eigenaar van de gronden in het plangebied. De door [appellanten sub 1] betwiste toereikendheid van deze privaatrechtelijke overeenkomst staat hier niet ter beoordeling.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2002 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200004690/1&verdict_id=622&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200004690/1&utm_term=200004690/1">200004690/1</a>), biedt de WRO in beginsel geen grondslag voor een verder strekkende regeling in de planvoorschriften die slechts een specifieke groep van bedrijven toelaat die zich in niets anders onderscheidt van soortgelijke, andere bedrijven dan in hun herkomst. De herkomst van bedrijven is in het algemeen bij het reguleren van gebruik van gronden voor bedrijfsdoeleinden niet planologisch relevant. Dit laat echter onverlet dat bij de regeling van de bestemmingen kan worden voorgeschreven dat de gronden uitsluitend gebruikt mogen worden ten behoeve van bedrijven waarvan de verplaatsing vanuit de kern uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht, aldus voornoemde uitspraak. In dit geval is niet gebleken van een planologische noodzaak voor het opnemen van een zogenoemd herkomstcriterium. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals blijkt uit de gedingstukken waaronder het beroepschrift en de schriftelijke uiteenzetting van de raad, thans geen bedrijven in Boerhaar aanwezig zijn die uitgeplaatst kunnen worden naar het bedrijventerrein. Ter zitting heeft de raad dit nogmaals bevestigd. Gelet hierop en gezien de locatie alsmede de geringe omvang van het bedrijventerrein, bestond voor het college geen aanleiding om wegens het ontbreken van een herkomstcriterium in de planvoorschriften goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.3.5. Wat betreft de noodzaak van de uitbreiding van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat het bieden van uitbreidingsmogelijkheden aan de reeds op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven niet onredelijk is. Hierbij betrekt de Afdeling dat de uitbreiding van de bestaande bedrijven in overeenstemming is met het streekplanbeleid. Tevens heeft het college gesteld dat de bestaande bedrijven al jaren een uitbreidingsbehoefte kennen. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] toegelicht dat het bezwaar zich hoofdzakelijk richt tegen de omvang van de in het plan voorziene uitbreiding van bebouwing, maar de uitbreidingsbehoefte [belanghebbende] als zodanig is door hen erkend. In de plantoelichting staat dat de ruimtebehoefte van de bedrijvigheid van de bestaande bedrijven door middel van een onderbouwing inzichtelijk is gemaakt en dat met name een grote behoefte bestaat aan opslag- en stallingsruimte. Uit deze onderbouwing blijkt dat vanwege de groei van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven van [belanghebbende], mede als gevolg van schaalvergroting, een aantoonbare behoefte bestaat aan uitbreiding met 7.000 m². [appellanten sub 1] hebben de uitkomsten van deze onderbouwing slechts in twijfel getrokken, doch geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zij gevolgd kunnen worden in hun stelling dat de voorziene uitbreiding te omvangrijk is.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de behoefte aan uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein voldoende aannemelijk is gemaakt en concreet is onderbouwd.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Formido

2.5. Formido stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Volgens Formido is in strijd met de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend, terwijl slechts wijziging naar de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" is toegestaan.

Formido voert voorts aan dat sprake is van strijd met het streekplan, omdat het bedrijventerrein gelegen is in de groene ruimte en volgens de in het streekplan opgenomen hoofdlijn voor dit gebied nieuwe bebouwingen die niet functioneel gebonden zijn aan het landelijk gebied aldaar niet zijn toegestaan. Bovendien moet volgens het streekplan aantasting van natuur en landschap zoveel mogelijk worden voorkomen. Volgens Formido is in dit geval geen sprake van een uitzonderingsgeval op grond waarvan ruimtelijke ingrepen volgens het streekplan mogelijk zijn. Zij voert verder aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de bouwmarkt op het bedrijventerrein wordt gelegaliseerd, terwijl het gemeentelijk beleid is gericht op concentratie van detailhandel in het centrum.

Verder heeft de raad volgens Formido gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel door enerzijds handhavend op te treden tegen haar, maar anderzijds de zich op een bedrijventerrein bevindende bouwmarkt als zodanig te bestemmen.

Tot slot wordt door Formido aangevoerd dat de planvoorschriften onvoldoende zekerheid bieden over de in de bouwmarkt toegestane detailhandel.

2.5.1. Het college stelt dat het plan niet in strijd is met het streekplan en wijst daarbij op het beleid met betrekking tot kleine kernen. Verder is geen sprake van een wijzigingsplan, maar van een nieuw bestemmingsplan, zodat niet voldaan hoeft te worden aan de wijzigingsregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat detailhandel passend bij een bouwmarkt is toegestaan op grond van de planvoorschriften. Nu in de begripsomschrijving is aangegeven wat onder een bouwmarkt wordt verstaan, is de toegestane detailhandel in voldoende mate bepaald.

2.5.2. De raad heeft, anders dan Formido kennelijk veronderstelt, een nieuw bestemmingsplan vastgesteld ten behoeve van de door hem wenselijk geachte nieuwe bestemming van de gronden. Reeds hierom mist het betoog dat het voorheen geldende bestemmingsplan slechts wijziging naar de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" toe staat doel. Van strijd met artikel 11 van de WRO is dan ook geen sprake.

2.5.3. Het plangebied ligt ten noorden van de kleine kern Boerhaar en is blijkens de kaart behorende bij het streekplan gelegen in de groene ruimte, "zone 1 landbouw". Volgens de hoofdlijnen voor dit soort gebieden, zoals vermeld op pagina 92 van het streekplan, wordt uitbreiding van niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden gebruiksvormen tegengegaan. Deze hoofdlijn heeft blijkens pagina 93 echter geen betrekking op ruimteclaims die in overeenstemming met het in dit streekplan beschreven beleid met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van steden en dorpen worden gelegd op delen van de groene ruimte rond die steden en dorpen ten behoeve van locaties voor wonen, werken en voorzieningen. Blijkens paragraaf 4.1.1.4. (pagina 40) van het streekplan (ontwikkelingsmogelijkheden kleine kernen) is de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen bij kleine kernen, mits in overeenstemming met de schaal en de omgevingskwaliteiten van de kernen, na gebleken behoefte, mogelijk. Er is geen grond voor het oordeel dat hetgeen het plan mogelijk maakt niet in overeenstemming is met het in hoofdstuk 4 beschreven beleid.

Met betrekking tot het betoog van Formido dat geen sprake is van een uitzonderingsgeval op grond waarvan ruimtelijke ingrepen die de natuur- en landschapswaarden afbreuk doen toelaatbaar zijn, overweegt de Afdeling als volgt. In het streekplan wordt op pagina 29 (algemene hoofdlijnen voor het provinciale ruimtelijke beleid) onder het kopje compensatiebeginsel vermeld dat bij ruimtelijke ingrepen aantasting van natuur en landschap zoveel mogelijk moet worden voorkomen, en dat ruimtelijke ingrepen die aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden in streekplanzone III (natuur, landschap, cultureel erfgoed en landbouw), streekplanzone IV (natuur), de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en bossen afbreuk doen, geldt dat deze alleen in uitzonderingsgevallen zijn toegestaan. Nu het plangebied is gelegen in de streekplanzone I, zijn ruimtelijke ingrepen ter plaatse niet alleen bij uitzondering toelaatbaar.

Het op pagina 29 en 30 van het streekplan neergelegde compensatiebeginsel bepaalt verder, voorzover erkende natuur- en landschapswaarden in zone I en II zijn gelegen, dat gemeenten een eigen compensatiebeleid moeten ontwikkelen. Met erkende waarden wordt volgens pagina 179 van het streekplan gedoeld op gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet 1998 dan wel de Vogelrichtlijn onderscheidenlijk de Habitatrichtlijn of op natuurgebieden en landschappelijke waarden als zodanig aangeduid in een bestemmingsplan. Voor zover gesteld wordt dat met het plan afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden van natuur en landschap, wordt overwogen dat blijkens de plantoelichting ecologisch onderzoek is verricht naar de gevolgen van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat het plangebied niet binnen of in de directe nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur of in een Vogel- of Habitatrichtlijngebied ligt en dat het plangebied evenmin is aangewezen als gebied met natuurwaarden buiten de Ecologische Hoofdstructuur. Niet gebleken is dat in het plangebied sprake is van erkende natuur- en landschapswaarden, zodat het compensatiebeginsel niet in de weg staat aan ruimtelijke ingrepen in streekplanzone I voor zover dat betrekking heeft op het plangebied.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het provinciale beleid.

2.5.4. Voor zover Formido stelt dat de legalisatie van de bouwmarkt in strijd is met het gemeentelijk beleid, wordt overwogen dat het gemeentelijk detailhandelsbeleid zoals dat is neergelegd in de op 13 mei 2008 door de raad vastgestelde Detailhandelstructuurvisie weliswaar is gericht op concentratie van detailhandel in het centrum van Wijhe, maar dat op pagina 6 van deze detailhandelsstructuurvisie tevens staat dat voor volumineuze detailhandel kan worden uitgeweken naar perifere locaties. Aangezien detailhandel in volumineuze goederen, waaronder ook bouwmarkten vallen, buiten het centrum is toegestaan, is in zoverre geen sprake van strijd met het gemeentelijk beleid.

2.5.5. Het betoog dat gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, nu met dit plan een bouwmarkt wordt gelegaliseerd, terwijl tegen Formido handhavend is opgetreden, faalt. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de schriftelijke uiteenzetting van de raad is gebleken dat volgens de Centrumvisie Wijhe op bedrijventerrein De Enk, waar Formido is gevestigd, ook plaats is voor volumineuze detailhandel. In zoverre is dan ook geen sprake van ongelijke of willekeurige behandeling. Dat in het verleden handhavend is opgetreden tegen Formido vanwege de verkoop van dierbenodigdheden in de bouwmarkt, maakt dit niet anders, aangezien de verkoop van dierbenodigdheden niet valt aan te merken als detailhandel in volumineuze goederen.

2.5.6. In het plan hebben de gronden van de bouwmarkt de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "bouwmarkt".

Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften, wordt onder een bouwmarkt verstaan: een handelsonderneming die bouwmaterialen, gereedschap en doe-het-zelfartikelen verkoopt, tuin- en parkmachines en toebehoren daaronder begrepen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, opslag en installaties, met daarbij behorende gebouwen - niet zijnde bedrijfswoningen -, andere bouwwerken, terreinen, ontsluitingswegen, paden, parkeervoorzieningen, water en groenvoorzieningen, met dien verstande dat detailhandel niet is toegestaan, met uitzondering van productiegebonden detailhandel en - uitsluitend op de gronden die zijn voorzien van de aanduiding bouwmarkt - detailhandel in het kader van de uitoefening van een bouwmarkt.

2.5.7. Gelet op de voornoemde planvoorschriften is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voldoende duidelijk is welke vorm van detailhandel in de bouwmarkt is toegestaan.

2.6. De conclusie is dat hetgeen Formido heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009

429-586.